Carolus Luython (Antwerpen, 1557/1558 – Praag, 2 augustus 1620) was een componist, organist, zanger en orgelbouwer uit de late renaissance van de vijfde generatie van de Franco-Vlaamse School. Hij is ook bekend als Charles Luython of Carl Luython.

Leven De vader van Luython was sinds 1532 rector van de Latijnse school in het Antwerpse Papenstraatje, wat doet vermoeden dat hij een gedegen humanistische opleiding heeft genoten. In 1566 werd hij aangeworven als koorknaap voor de hofkapel van keizer Maximiliaan II in Wenen. Daar kreeg hij lessen van de kapelmeesters Jacobus Vaet en Philippus de Monte en van Alard du Gaucquier. Mogelijk kreeg Luython orgellessen van de plaatselijke hoforganist Walter Formellis of van zijn twee assistenten Wilhelm von Mülin of Paul van Winde. Na zijn stemverandering ontving hij op 8 augustus 1571 de toen gebruikelijke beurs van 50 gulden; de jonge musicus is vervolgens vanaf het najaar van 1571 op studiereis naar Italië gegaan, die tot eind 1575 duurde.

Na zijn terugkeer naar Wenen trad Luython opnieuw toe tot de hofkapel. Vanaf 18 mei 1576 wordt hij in de archieven vermeld als Cammer musicus (wellicht als organist en niet als zanger), met een maandsalaris van 10 gulden. Hij was een van de eerste muzikanten in het nieuw opgerichte keizerlijke kamerensemble, dat diende als een alternatief voor de hofkapel en de militaire kapel dat wereldlijke muziek speelde in plaats van respectievelijk religieuze en militaire muziek.

Hoewel hij na het overlijden van Maximiliaan II datzelfde jaar, samen met de andere kapelleden, officieel werd ontslagen, nam diens opvolger Rudolf II hem meteen opnieuw in dienst. In januari 1582 werd Luython met terugwerkende kracht benoemd tot derde hoforganist, en later dat jaar promoveerde hij tot tweede hoforganist. Datzelfde jaar vergezelde hij Rudolf II naar de Rijksdag in Augsburg, waar hij aan Johann Christoph Fugger een exemplaar kon overhandigen van zijn eerste madrigaalboek, dat aan Fugger was opgedragen en uitgegeven was in Venetië. Deze reis betekende het begin van Luythons groeiende reputatie als componist. Toen keizer Rudolf II in 1583 zijn hof van Wenen naar Praag verhuisde, trok Luython mee. In 1587, naar aanleiding van de bisschopswijding van Rudolfs broer, aartshertog Ernst, verscheen zijn eerste bundel motetten, die aan Ernst was opgedragen.

Naast zijn werk als componist hield Luython zich ook bezig met orgelbouw. Samen met orgelbouwer Albrecht Rudner werkte hij tussen 1581 en 1590 mee aan de vernieuwing van het orgel van de Sint-Vituskathedraal in Praag. In bewaarde rechtsdocumenten zijn talrijke opmerkingen van zijn hand terug te vinden, die een gedetailleerd inzicht geven in zijn ideeën over orgelbouw.

Op een lijst van kapelleden uit 1594 verhuist Paul de Winde naar de Nederlanden en wordt Luython samen met hem vermeld als kapelorganist. Na het overlijden van De Winde in 1596 volgde zijn officiële benoeming tot eerste kapelorganist. Toen Philippus de Monte op 4 juli 1603 overleed, nam Luython bovendien de functie van hofcomponist over, met de Duitsers Hans Leo Hassler en Jakob Hassler als kapelmeesters. Kort daarna verschenen verschillende van zijn belangrijkste compositiebundels in druk. De bundel Liber I missarum werd opgedragen aan keizer Rudolf II, die de componist daarvoor beloonde met een schenking van 500 gulden.

Als erkenning voor zijn 35 jaar trouwe dienst aan het hof kende keizer Rudolf II Luython op 16 mei 1611 een jaarlijks pensioen van 200 gulden toe. In de praktijk bleek deze toelage echter moeilijk te innen. Na Rudolfs overlijden in januari 1612 ontsloeg zijn opvolger, Matthias, vrijwel de volledige hofkapel, waaronder ook Carl Luython zonder pensioen. Door het verlies van zijn inkomen zag Luython zich genoodzaakt zijn bezittingen geleidelijk te verkopen. Een van de opmerkelijkste stukken was een bijzonder klavecimbel (door Praetorius beschreven als: "Clavicymbalum universale seu perfectum") met 77 toetsen waarbij de gebruikelijke zwarte toetsen waren opgesplitst om meer tonen beschikbaar te maken en een bereik van vier octaven, vergelijkbaar met het archicembalo. Dit instrument werd aangekocht door aartshertog Karel, bisschop van Breslau. Luython bleef zijn hele leven ongehuwd en werd nooit tot priester gewijd. In augustus 1620 overleed hij in armoede in Praag. Uit zijn testament blijkt dat hij pensioenrechten ter waarde van 2200 gulden naliet aan zijn broer Claude en zijn zussen Clara en Sibella, die echter nooit geïnd konden worden.

Werk Luythons kerkmuziek staat duidelijk in de traditie van de Franco-Vlaamse polyfonie. Vooral zijn missen verraden de invloed van zijn leermeester Philippus de Monte. Net als andere componisten van de Praagse hofkapel hanteerde Luython een eerder conservatieve stijl. Daardoor vormt de parodiemis het meest voorkomende type binnen zijn oeuvre. Vier van zijn parodiemissen zijn gebaseerd op composities van De Monte; een vijfde, Tityre tu patule, steunt op een werk van een anonieme componist. Een andere mis, de zevenstemmige Caesar vive onderstreept de opdracht van de bundel aan keizer Rudolf II. De cantus firmus bestaat uit een korte, speciaal gecomponeerde melodie, die mogelijk verband houdt met astrologische studies aan de hofkapel. Opmerkelijk is bovendien dat Luython zich in zijn kerkmuziek nauwelijks liet beïnvloeden door de hervormingen van het Concilie van Trente.

Een bijzondere plaats nemen zijn vier quodlibetmissen in. Deze sluiten aan bij een traditie die eerder werd beoefend door Jacobus Vaet en Jakob Regnart. In tegenstelling tot de meer complexe polyfone missen zijn deze werken eenvoudiger van opzet en sluiten ze aan bij de populaire quodlibets uit het toenmalige liedrepertoire, dat gekenmerkt wordt door een snelle, overwegend syllabische tekstzetting en een sterke thematische samenhang binnen elk werk. Het Osanna-gedeelte van het Sanctus wordt steeds verbonden met het Pleni sunt caeli, en het Agnus Dei krijgt telkens één in plaats van drie uitwerkingen. De thematische concentratie suggereert dat deze quodlibetmissen mogelijk gebaseerd zijn op bestaande composities, al zijn er tot nu toe geen modellen geïdentificeerd. Terwijl de driestemmige en vierstemmige voorbeelden eenvoudiger van structuur zijn, is de zesstemmige Missa quodlibetica contrapuntisch complex en breed van opzet.

Buiten de madrigalen die verschenen in zijn madrigaalboek van 1582 schreef Luython vermoedelijk geen andere werken in dit genre. Het boek lijkt vooral bedoeld te zijn geweest als demonstratie van zijn compositorische vakmanschap. Tien van de elf madrigalen in dit boek zijn zettingen van gedichten van Petrarca. Het zesde madrigaal, Sacro monte mio dolce, is een rechtstreeks eerbetoon aan De Monte en de tekst ervan is mogelijk door Luython zelf geschreven. In deze madrigalen verwerkt hij de vernieuwende Italiaanse stijlkenmerken van die tijd, met veel aandacht voor tekstexpressie en muzikale beeldspraak. Stilistisch bevinden de werken zich tussen homofone tekstdeclamatie en uitgewerkte polyfonie.

In tegenstelling tot in zijn vocale muziek, weerspiegelt Luython in zijn instrumentale composities wel de ideeën van zijn vooruitstrevende tijdgenoten. Hij wordt vooral herinnerd om een beperkt aantal klavierwerken waarin hij vooruitliep op latere fuga-achtige schrijfwijzen. Zijn Fuga suavissima is opgebouwd uit drie delen en vertrekt van drie verschillende thema’s. Enerzijds toont het werk een versmelting van de compositietechnieken van het ricercare en de canzona, anderzijds valt het op door het verfijnde gebruik van chromatiek. Daarmee getuigt het van een vooruitstrevende benadering van instrumentale compositie aan het begin van de zeventiende eeuw, net als gelijkaardige stukken van Jan Pieterszoon Sweelinck en Girolamo Frescobaldi. Al zijn andere instrumentale werken behoren tot het ricercare-type.

Categorie:Renaissancecomponist