thumb|Voorgevel van het hoofdgebouw van het IVRO thumb|upright=1.5|Rassenlijsten. Inhoud 60ste Rassenlijst60 ste Rassenlijst landbouwgewassen
Het rassenonderzoek van landbouwgewassen dient om de identiteit, eigenschappen en landbouwkundige waarde van een nieuw plantenras vast te stellen voor de wettelijke toelating op de markt en in de handel.
Geschiedenis In de 19e eeuw was er reeds een levendige handel in zaaizaad. Men was in hoofdzaak aangewezen op de landrassen, zoals Kleefsche tarwe, Zeeuwsche tarwe, Dikke witte haver, Groninger wintergerst, Zeeuwsche groene erwten. Tegen het einde van de vorige eeuw begon zich steeds meer en meer een ontwikkelingsgang in de zaaizaadvoorziening af te tekenen, doordat de plantenveredeling ook tot ontwikkeling kwam. Buitenlandse tarwerassen als Roode dikkop (Squarehead) en Essextarwe werden op vrij grote schaal verbouwd. Er kwam mede door deze import een levendige belangstelling voor nieuwe rassen, vooral doordat de landbouw in het algemeen op een hoger peil kwam en daardoor productievere rassen tot hun recht konden komen. Zaaizaadtentoonstellingen en de opkomende veldkeuringen bevorderden het gebruik van goed zaaizaad.Dr.H de Haan, DE RASSENLIJST VOOR LANDBOUWGEWASSEN (Overzicht 1 9 2 4 - 1 9 3 9), Overdruk Jaarboek 1 9 4 0 Algem. Bond van Oud-leerlingen van inrichtingen voor Middelbaar Landbouwonderwijs
In 1914 werd een vrijwillig reglement ingevoerd waarbij nieuwe rassen door het Instituut voor Plantenveredeling konden worden gekeurd op onder meer zuiverheid en landbouwkundige waarde. Na voldoende gebleken cultuurwaarde kon een erkenningsbewijs worden afgegeven.25 jaren rassenlijst H. de Haan, Wageningen december 1949 In 1914 werd door de Centrale Commissie van keuringen van gewassen op stam in Zeeland een leidraad uitgegeven van 50 voor de keuring in aanmerking komende rassen met rasbeschrijvingen. In 1914 werd ook in de bijlage van het Verslag over de zaaizaadkeuringen van de Hollandse Maatschappij van Landbouw in de Provincie Zuid-Holland rasbeschrijvingen van een aantal belangrijke rassen opgenomen.
Het officiële rassenonderzoek van landbouwgewassen is in 1924 begonnen met de instelling van de officiële beschrijvende rassenlijst voor landbouwgewassen. Deze rassenlijst was gebaseerd op het reglement betreffende de erkenning van plantenrassen en de registratie van het daarvan af te leveren zaaizaad en pootgoed door het Instituut voor Plantenveredeling verbonden aan de Landbouwhoogeschool te Wageningen. (Vastgesteld bij beschikking van den Minister van Binnenlandsche Zaken en Landbouw van 21 October 1924, Directie van den Landbouw, No. 2151, eerste afdeeling). Reglement opgenomen in de 5de rassenlijst 1928 Hierbij werd de erkenning van plantenrassen, een officiële beschrijvende rassenlijst en registratie en controle van het zaaizaad en pootgoed dat van erkende rassen werd afgeleverd geregeld. Deskundigen en belangstellenden konden voorstellen doen om rassen op de rassenlijst te plaatsen of daarvan af te voeren. Een conceptlijst werd voor advies voorgelegd aan onder andere de Rijkslandbouwconsulenten, het hoofd van de Plantenziektenkundige Dienst, de directeur van het Rijksproefstation voor Zaadcontrole en het Centraal Comité inzake keuring van gewassen.
De eerste rassenlijst werd op 1 September 1924 als stencil verspreid. Er was een indeling in A (aanbevelenswaardige) en B (beproevenswaardige) rassen. De 2e rassenlijst werd als een boekje van 38 blz. uitgegeven met de rubrieken A, B, C (nieuwe) en D (afgevoerde) rassen. De vlasrassen zijn nu ook in de rassenlijst opgenomen. In de 4e rassenlijst werden ook enkele grassen opgenomen, in de 5e ook uienrassen, in de ook 6e mais- en koolraaprassen, in de 8ste ook gras- en suikerbietenrassen en in de 9de ook stoppelknollen, wortelen en voederkool.
Het I.V.R.O. (Instituut voor Rassenonderzoek van Landbouwgewassen) werd in 1942 opgericht dat voortgekomen is uit het het Instituut voor Plantenveredeling (1912), de instelling van een officiële beschrijvende rassenlijst voor landbouwgewassen (1924) uitgegeven door het Instituut voor Plantenveredeling in Wageningen, de keuring van zaaigoed en pootgoed (1903), de oprichting van de centrale keuringsdienst NAK (1932) en het Kwekersbesluit 1941 waarin het eigendomsrecht van de kweker op zijn kweekproducten werd geregeld. Tot de nieuwbouw in 1952 had het instituut twee panden gehuurd in de Schoolstraat in Wageningen. Het I.V.R.O. had de beschikking over de proefboerderij 'de Hoge Born' met bijbehorende proefvelden op de zandgrond, in 1964 uitgebreid met een proefboerderij op de kleigrond in Oostelijk Flevoland. In 1991 heeft het RIVRO het pand verlaten en werd het rassenonderzoek ondergebracht bij het CPRO-DLO (Centrum voor Plantenveredelings- en Reproductieonderzoek), waarna de DLV (Dienst Landbouwvoorlichting) voor enkele jaren in het pand werd gevestigd.
Op 1 september 1994 werd het Communautair Bureau voor Plantenrassen (CPVO) voor Europees kwekersrecht opgericht en ving zijn werkzaamheden aan op 27 april 1995.CPVO Officiële website
Het RIVRO (Rijksinstituut voor Rassenonderzoek van Cultuurgewassen) ontstond in 1977 door samenvoeging van het rassenonderzoek van landbouwgewassen met dat van tuinbouwgewassen. Om alle medewerkers te kunnen huisvesten werd aan een zijden van het hoofdgebouw barakken geplaatst.RIVRO beschrijving taken en onderzoek De wetgeving waar het RIVRO nu zijn werkzaamheden aan ontleende dateerde van 1967 toen de Zaaizaad-en Plantgoed wetZaaizaad en plantgoedwet tot stand kwam en verviel het Kweekersbesluit van 1941. De Zaaizaad-en Plantgoedwet van 1967 was noodzakelijk geworden nadat bij Conventie van Parijs in 1961 door een aantal landen was besloten gezamenlijk nieuwe regelingen te treffen aangaande de rechtspositie van de kweker van een nieuw ras en de UPOV (Union Internationale pour la Protection des Obtentions Végétales) werd gevormd. De wet werd aangepast toen in Brussel de toelating van rassen en het verkeer met teeltmateriaal binnen de EEG volgens nieuwe richtlijnen werd geregeld.
Het CRZ (Centrum voor Rassenonderzoek en Zaadtechnologie) ontstond in 1990 door het samenvoegen van het RIVRO met het RPVZ (Rijksproefstation voor Zaadonderzoek).Rijksproefstation voor Zaadcontrole en taakvoorgangers, Gelders Archief Om alle medewerkers te kunnen huisvesten werd aan nog een zijden van het hoofdgebouw barakken geplaatst.
Het CRZ is op 1 juni 1991 samengegaan met het Centrum voor Plantenveredelingsonderzoek (CPO), waarbij het CPRO-DLO (Centrum voor Plantenveredelings- en Reproduktieonderzoek) ontstond.
Het secretariaat van de beschrijvende rassenlijst voor landbouwgewassen was gevestigd in het IVRO. Het secretariaat van alle beschrijvende rassenlijsten was gevestigd in het RIVRO, later in het CRZ, vervolgens in het CPRO-DLO en thans bij de Raad voor plantenrassen met ondersteuning van de Naktuinbouw
Op 1 februari 2006 werd de Raad voor plantenrassen opgericht. Deze raad laat ondermeer landbouwrassen en rassen en opstanden van bosbouwgewassen tot het verkeer toe.Raad voor plantenrassen. Dienstverlening en taken.
In 2006 werd het registratieonderzoek ondergebracht bij de Naktuinbouw naar aanleiding van de ingang van de nieuwe Zaaizaad- en plantgoedwet 2005.Raad voor plantenrassen. Verslag ex artikel 39 Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, 2011. Zaaizaad- en plantgoedwet 2005Datum inwerkingtreding ZPW 2005
Door de EU is in 2004 een beproevingszaadregeling in het leven geroepen, waardoor teeltmateriaal van rassen die nog niet officieel zijn toegelaten in de handel kunnen worden gebracht. Het doel van deze regeling is om met het nieuwe ras ervaring in de praktijk op te doen. De duur van de toelating is één jaar en kan maximaal twee keer met een jaar verlengd worden.Beproevingszaadregeling EU
Het cultuur- en gebruikswaardeonderzoek bij de meeste landbouwgewassen werd vanaf 2007 geregeld door de CSAR (Commissie samenstelling aanbevelende rassenlijst landbouwgewassen).Commissie samenstelling aanbevelende rassenlijst landbouwgewassen.
Botanisch rassenonderzoek Het botanisch rassenonderzoek wordt gedaan ten behoeve van de registratie van rassen door de Raad voor plantenrassen met of zonder kwekersrecht. Onderzoek vindt plaats naar onderscheid, homogeniteit en bestendigheid (stabiliteit) (DUS). Het onderscheid moet voldoende zijn rekening houdend met de vermeerdering van het gewas waartoe het ras behoort. De bestendigheid heeft betrekking op de wezenlijke eigenschappen van het ras.
Een aardappelras is een kloon, waarbij alle individuen hetzelfde zijn. Een belangrijk kenmerk is de lichtkiem.
Bij zelfbevruchtende rassen zijn de eigenschappen voor registratie van alle planten hetzelfde.
Bij kruisbestuivende rassen zijn de polygeen verervende eigenschappen voor registratie tussen de planten niet hetzelfde, maar kunnen deze eigenschappen via een normale verdeling weergegeven worden, zoals de doorschietdatum (moment van in aar komen) en planthoogte bij Engels raaigras. Hierbij zijn belangrijk de mediaan en de standaardafwijking.
Voor het onderzoek worden de rassen op proefvelden in rijtjes uitgezaaid en proefvelden met aparte planten aangelegd.
Het CPVO ontwikkelde eigen protocols voor het botanisch onderzoek.Technische protocols CPVOTechnisch protocol maize als voorbeeld Het CPVO en de Nederlandse Raad voor plantenrassen hebben samen een geharmoniseerd aanvraagformulier ontwikkeld dat vanaf 30 juni 20026 beschikbaar is.
Cultuurwaardeonderzoek Bij het cultuurwaardeonderzoek wordt onderzocht of een ras voldoende cultuur- en gebruikswaarde heeft voor de toelating tot het verkeer. De Raad voor plantenrassen bepaald of het ras voldoende cultuur- en gebruikswaarde heeft en neemt deze op in het Nationaal Rassenregister (NRR).https://www.raadvoorplantenrassen.nl/nl/kwekersrecht-en-toelating/nationale-rassenverkeerslijst/ Het cultuur- en gebruikswaardeonderzoek bij de meeste landbouwgewassen werd in 2007 geregeld door de CSAR (Commissie samenstelling aanbevelende rassenlijst landbouwgewassen). Het onderzoek wordt uitgevoerd door WUR Open Teelten in Lelystad voor mais, wintertarwe, zomertarwe en zomergerst, Delphy in Wageningen voor de groenbemestingsgewassen bladrammenas, gele mosterd en Japanse haver, WUR Livestock Research in Wageningen voor voedergrassen, witte en rode klaver en luzerne en IRS Instituut voor Rationele Suikerproductie, in Dinteloord voor suikerbieten en cichorei en NAK Services B.V. in Emmeloord voor aardappel.https://www.raadvoorplantenrassen.nl/nl/kwekersrecht-en-toelating/cgo-uitvoering/
Tot 2007 werd de Rassenlijst voor landbouwgewassen uitgegeven door een wettelijk verankerde commissie. Met de komst van de nieuwe Zaaizaad- en Plantgoedwet in 2006 is deze commissie echter ontbonden. Het betrokken bedrijfsleven, kwekers, handelaren, telers en verwerkende industrie vindt dat een rationele rassenkeuze van groot belang is voor de Nederlandse akkerbouw-veehouderijsector en geeft daarom de aanbevelende rassenlijst vanaf 2007 zelf uit. Er is daarvoor de CSAR (Commissie samenstelling aanbevelende rassenlijst landbouwgewassen) ingesteld.https://rassenlijst.info/ajax_frontoffice/filemanager/files/2026/Aanbevelende-Rassenlijst-Akkerbouw-en-Veehouderij-2026.pdf Aardappel is niet opgenomen op deze rassenlijst.
Externe link Beschrijving Rijksinstituut voor Rassenonderzoek van Cultuurgewassen 74e Rassenlijst voor Landbouwgewassen 1999 met Aanbevelende Rassenlijst 1999 en Nationale Lijst 1999 77e Rassenlijst voor Landbouwgewassen 2002 met Aanbevelende Rassenlijst 2002 en Nationale Lijst 2002 79e Rassenlijst voor Landbouwgewassen 2004 met Aanbevelende Rassenlijst 2004 en Nationale Lijst 2004 82ste Rassenlijst voor Landbouwgewassen 2007 met Aanbevelende Rassenlijst 2007 en Nationale Lijst 2007
Categorie:Plantenras