Changzhousaurus is een geslacht van theropode dinosauriërs, behorende tot de Maniraptora, dat tijdens het vroege Krijt leefde in het gebied van het huidige China. De enige benoemde soort is Changzhousaurus sinensis.
Vondst en naamgeving Bij Lamadong, nabij Jianchang, in het westen van Liaoning werd een skelet gevonden van een kleine theropode. Het werd verworven door het Lande Museum of Natural History te Tangshan. Ding Xiaoqin prepareerde het fossiel. De gezaghebbende Chinese paleontoloog Xu Xing besloot het belangwekkende exemplaar zelf te beschrijven.
In 2026 benoemde en beschreef Xu de typesoort Changzhousaurus sinensis. De geslachtsnaam verwijst naar de stad Changzhou, niet omdat die iets met de vondst te maken heeft, maar vanwege de aanzienlijke steun die het gemeentebestuur aldaar door de jaren heen aan het paleontologisch onderzoek in het algemeen heeft verschaft. De soortaanduiding verwijst naar de herkomst uit China.
Het holotype, LDNHMF 2026A & 2026B, is gevonden in een laag van de Jiufotangformatie die dateert uit het Aptien. Het bestaat uit een vrijwel volledig skelet met schedel platgedrukt op een plaat en tegenplaat. Uitgebreide resten van het verenkleed zijn bewaard gebleven. Het betreft een jongvolwassen exemplaar. Het Institute of Vertebrate Paleontology and Paleoanthropology te Beijing heeft hoogwaardige afgietsels met de inventarisnummers IVPP FV2204A en IVPP FV2204B.
Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken thumb|Changzhousaurus is een kleine soort
Het holotype heeft een bewaarde lengte van vierendertig centimeter. Het is daarmee een van de kleinste dinosauriërs buiten de vogels. Het gewicht is geschat op tweehonderd gram.
Xu stelde een aantal onderscheidende kenmerken vast. Het zijn autapomorfieën, unieke afgeleide kenmerken, ten opzichte van de Pennaraptora als geheel. De praemaxilla heeft een vrijwel verticale tak naar het neusbeen, een slechts zeer klein deel dat voor het neusgat is gelegen, en een groot deel dat onder het neusgat ligt. Die voorste staartwervels welke naast elkaar liggen, hebben een brede tussenruimte waarvan het onderste deel in beslag genomen wordt door een knopvormige chevron zonder een onderste uitsteeksel. De naast elkaar liggende middelste en achterste staartwervels hebben een verbeende tussenwervelschijf. De tak van het vorkbeen heeft een constante breedte. Het schouderblad heeft een staafvormige processus acromialis, een blad dat naar boven gebogen is en extreem dik, en een verbreed paddestoelvormig uiteinde. Het ravenbeksbeen heeft een extra foramen in de tak naar het schouderblad. Het eerste kootje van de eerste vinger en het tweede kootje van de tweede vinger hebben een "hiel" aan het bovenste gewrichtsvlak die overdwars kort is, maar verticaal diep en een onderste gewrichtsvlak met een grote halfcirkelvormige onderste gewrichtsknobbel en grote groeven voor de gewrichtskapsels. Bij de derde vinger is het eerste kootje veel robuuster dan de andere. De handklauwen hebben een overdwars verbrede opvallende bult voor de aanhechting van de pees van de buigende spier. Het fibulare heeft een bovenste uiteinde met een sterk holle binnenrand en een robuuste achterste bult. Er zijn ongeveer zestien sterk verlengde staartveren met ongeveer viermaal dijbeenlengte nabij het uiteinde van de benige staart. Xu hangt overigens de minderheidspositie aan dat de drie vingers van de hand de tweede, derde en vierde zijn; veel andere onderzoekers zien ze als de eerste, tweede en derde.
In zijn beschrijving van het verenkleed geeft Xu nog een aantal aanvullende kenmerken als uniek aan hoewel die niet formeel als autapomorfie zijn aangeduid.
Skelet Schedel De kop is relatief klein met een korte snuit. De bodem van de fenestra antorbitalis is glad, als bij de Microraptorinae. Een beenplaat ligt over de voorste bovenhoek van de oogkas als bij de Troodontidae. Een andere overeenkomst is de buiging naar voren bij de neergaande tak van het postorbitale. Tussen de wandbeenderen ligt een scherpe kam en er is een golvende nekkam. Beide zijn typisch dromaeosauride kenmerken die bij de troödontiden ontbreken.
De onderkaak is lang en slank, met een holle bovenrand en een bolle onderrand. Op de achterzijde van het dentarium bevindt zich een brede groeve net als bij Xiaotingia.
De praemaxilla draagt vier tanden. Net als bij Anchiornis staat de eerste tand dicht bij de tweede terwijl de derde en vierde meer uit elkaar staan; een verschil is dat de eerste tand verder van de snuitpunt af staat. De tweede premaxillaire tand is de grootste. De premaxilllaire tanden zijn kaarsrecht behalve de twee die iets naar achteren gebogen is. Ze missen kartelingen op zowel de voorrand als achterrand. Het bovenkaaksbeen draagt vijftien tanden. Ze staan vrij ver uit elkaar, vooral vooraan. De tanden zijn midden in de tandrij het grootst. De maxillaire tanden zijn meestal recht, zonder insnoering aan de basis. Ook deze tanden missen kartelingen. Het dentarium draagt vermoedelijk twintig tanden. Net als bij de Micoraptorinae en de Troodontidae zijn de voorste slank en staan dicht op elkaar terwijl de achterste robuuster zijn en verder uiteen staan. Er is ook een verschil in bouw: de voorste zijn licht gekromd en zonder kartelingen terwijl de achterste sterk gekromd zijn met kartelingen op de achterrand welke haaks op de snijrand staan en beperkt in grootte zijn. Bij de voorste dentaire tanden is de binnenzijde licht hol of plat, met een duidelijke middenrichel.
Postcrania De wervelkolom telt vermoedelijk tien halswervels (minstens negen), dertien ruggenwervels, vermoedelijk zes sacrale wervels en tweeëntwintig staartwervels. Het synsacrum van acht wervels omvat een dorsosacraal en een caudosacraal. Hat aantal van tweeëntwintig staartwervels is lager dan bij alle bekende Paraves buiten de vogels.
Bij de voorste zes ruggenwervels hellen de voorste en achterste facetten naar achteren ten opzichte van het wervelcentrum. De ribben zijn kort en recht. Buikribben lijken te ontbreken net als bij Anchiornis en Archaeopteryx. De borstbeenderen zijn verbeend, anders dan bij de Troodontidae. De zijuitsteeksels van de voorste staartwervels hebben stompe in plaats van tapse uiteinden, anders dan bij de Troodontidae en Xiaotingia. De staart is niet verstijfd door gewrichtsuitsteeksels. De chevrons zijn horizontaal kort met een bolle onderzijde net als bij Mahakala, Anchiornis en Archaeopteryx.
Het schouderblad is relatief kort. Het ligt vrijwel evenwijdig aan de wervelkolom wat het schoudergewricht hoger brengt en een aanpassing kan zijn aan het vliegen. Het lage uiteinde is glad wat kan duiden op een losse verbinding met het ravenbeksbeen. De processus acromialis is maar licht naar boven verbreed, doch heeft een matige uitbreiding naar voren. Het uitsteeksel is robuust en is iets staafvormig met een hiaat met het gewrichtsfacet voor het ravenbeksbeen. Volgens Xu suggereert dit de aanwezigheid van een foramen triosseum, een kanaal tussen het schouderblad, ravenbeksbeen en vorkbeen voor de pees waarmee de musculus supracoracoideus de vleugel kan heffen. Nooit eerder is buiten de vogels deze structuur aangetroffen. Het acromion is sterk naar buiten gedraaid om een groeve op de buitenzijde van het schouderblad te overkappen nabij het onderste uiteinde. Het schoudergewricht ligt op de onderkant van het schouderblad en wordt veel meer daardoor gevormd dan door het ravenbeksbeen.
Het ravenbeksbeen vormt een relatief grote rechthoekige plaat. De plaat bestaat uit twee takken, een naar het schouderblad en een naar het borstbeen. De twee takken ontmoeten elkaar bij het tuberculum coracoideum dat een scherpe punt vormt op de buitenrand, welke punt naar buiten uitsteekt net als bij basale vogels. De twee takken staan haaks op elkaar in een L-vormige structuur. Er is een klein raakfacet met het schouderblad. Aan de binnenzijde daarvan bevindt zich een grote uitholling. Die wordt nog meer naar binnen begrensd door een apart uitsteeksel. Volgens Xu is dat homoloog aan de processus procoracoideus. Die ontbreekt bij de meest basale vogels en komt pas voor bij meer afgeleide vogels. De identificatie ondersteunt dus de zogenaamde Pauliaanse Hypothese dat Deinonychosauria vogels zijn. Het foramen coracoideum is zeer groot en erboven ligt een extra doorboring. De tak naar het borstbeen mist een doorboring maar heeft op de binnenzijde wel een trog als bij Deinonychus en Archaeopteryx.
De takken van het vorkbeen maken een haakse hoek met elkaar. De achterste uiteinden zijn vrij recht zonder de wringing die bij voorbeeld Xiaotingia toont. De takken hebben een constante breedte in plaats naar voren te verbreden.
De arm is relatief lang met 60% van de lengte van de achterpoot. De hand is lang met 115% van de lengte van het opperarmbeen, precies dezelfde verhouding als bij Xiaotingia. Het opperarmbeen, met driekwart van de lengte van het dijbeen, heeft een lange deltopectorale kam die 40% van de schacht beslaat. De ellepijp is dun en naar achteren gebogen zoals bij Xiaotingia. Het spaakbeen is juist relatief dik, namelijk nauwelijks dunner dan de ellepijp net als bij Troodontidae. Het is naar voren gebogen en samen met de gebogen ellepijp zorgt dit voor een brede onderarm, een toestand die verder alleen gedeeld wordt met Xiaotingia.
Er zijn minstens drie vrije carpalia in de pols. Onderaan ligt een uitzonderlijk groot halvemaanvormig carpale dat uitzonderlijk breed is. Bovenaan is een nog breder ulnare. Het is vermoedelijk V-vormig als bij afgeleide vogels. Het derde middenhandsbeen lijkt op dat van Xiaotingia: het is lang en robuust zoals bij veel verwanten maar naar buiten gebogen. De eerste en derde vinger zijn lang. Het eerste kootje van de derde vinger is het meest robuuste van de hele hand. Het tweede kootje van die vinger is kort met 60& van de lengte van het kootje van de tweede vinger zoals bij Dromaeosauridae en Archaeopteryx. De handklauwen zijn sterk gekromd door een bovenwaarste welving. De derde handklauw is naar verhouding langer dan bij de meeste basale Maniraptora.
Het voorblad van het darmbeen is laag als bij Rahonavis en Archaeopteryx. Het voorblad heeft maar een licht bolle voorrand en mist een afhangende punt als in Archaeopteryx. De trog voor de muculus cuppedicus is van bezijden goed zichtbaar, net als bij Xiaotingia. Het extreem kleine voetstuk voor het zitbeen is schuin naar achteren gericht zoals bij Microraptorinae. Het schaambeen is lang. Het eindigt in een spatelvorm in plaats van een "voet" net zoals bij Sinovenator. Het zitbeen is slank en bandvormig zoals bij Xiaotingia. De tak naar het schaambeen is lang en slank, die naar het darmbeen is kort, robuust en knopvormig. De voorrand van de schacht van het zitbeen is sterk verdikt maar zonder lengtegroeve. de schacht is grotendeels dun met een holle buitenzijde. De achterrand heeft twee zeer kleine uitsteeksels. Het onderste uiteinde heeft vooraan een robuuste rechthoekige processus obturatorius en achteraan een kleiner uitsteeksel ervan gescheiden door een inkeping als bij Archaeopteryx.
Verenkleed Over het hele lichaam zijn veren aanwezig. Hun structuur is echter vaak niet goed bewaard gebleven. De lengte is echter meestal wel goed te bepalen. Op de schedel en onderkaken hebben ze een lengte van tien tot vijfendertig millimeter. Zo lang zijn ze ook op de nek. De staart draagt over de volle lengte veren. Op de basis meten ze drie centimeter, halverwege twee centimeter, achteraan vier centimeter en helemaal aan het uiteinde, op de laatste vijf wervels, staat een soort waaier van zestien veren die twintig centimeter lang zijn. Deze uiterste veren bestaan voor een groot deel uit de schacht en deden Xu denken aan de pronkveren van een pauw.