Franciscus Antonius Augustinus van Lanschot ('s-Hertogenbosch, 28 augustus 1768 – aldaar, 21 februari 1851) was een Nederlandse firmant van het bedrijf Van Lanschot en politicus uit het gelijknamige geslacht.
Biografie Franciscus van Lanschot werd geboren als de oudste zoon van Godefridus van Lanschot en Anna Regina Maria Potters. Hij was de enige zoon en had nog vier zussen en bracht enige jaren in zijn jeugd door in Antwerpen, waar hij zijn scholing krijgt en onder de hoede staat van zijn grootvader Cornelis. In 1786 was hij samen met zijn vader een van de oprichters van de Vaderlandsche Sociëteit in 's-Hertogenbosch, deze sociëteit zou uiteindelijk uitgroeien tot een patriottische pressiegroep. De ook hieruit voortvloeiende schuttersgenootschappen zou samen met de sociëteit in 1790 verboden worden.
In 1790 ging hij in de leer bij de Rotterdamse handelaar J.L. Koert om het vak van suikerraffinadeur te leren. Drie jaar later rondde hij zijn opleiding in Rotterdam af en kreeg hij van zijn vader in 's-Hertogenbosch een eigen suikerraffinaderij aan de Markt. Na het plotselinge overlijden van zijn vader nam Van Lanschot de leiding over bij de handelsfirma en stootte hij de suikerraffinaderij af. Na de verovering van de stad door de Fransen kreeg Van Lanschot in 1795 de functie van ontvanger der imposten van de stad.
Bij keizerlijk besluit werd Van Lanschot in 1810 benoemd tot lid van de municipale raad van 's-Hertogenbosch. Het vertrek van de Fransen in 1814 betekende voor hem geen breuk in zijn carrière als politicus; hij zou onderbroken tot aan zijn dood in 1851 deel uitmaken van de gemeenteraad van de stad. Daarnaast was hij tussen 1819 en 1821 ook lid van de Provinciale Staten.
In de periode Van Lanschot de baas was over het familiebedrijf begon hij het assortiment van het bedrijf te beperken tot koffie, thee, suiker, kandij en rijst. De invloed van Napoleon zorgde voor een dramatische daling van de handel tussen 1810 en 1814. Mede door de smokkelhandel wist hij zich in deze periode staande te houden. Hij wijzigde de naam van het bedrijf in F. van Lanschot en in het begin van de negentiende eeuw kregen kassiers- en bankzaken een steeds grotere rol in het bedrijf. Zodoende wordt Fransciscus van Lanschot gezien als de grondlegger van het bankbedrijf Van Lanschot.
De Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) stelde Van Lanschot in 1825 als hun agent in 's-Hertogenbosch. Door zijn bestuurlijke netwerk in de stad, zijn handelsrelaties en kennis van de Brabantse nijverheid maakten van hem een uitstekend persoon om de belangen van de NHM te behartigen. Vanuit deze functie was het niet alleen zijn taak om de Bossche handel te bevorderen, maar ook die voor de gehele Meijerij. Hij speelde dan ook een sleutelrol in het opbloeien van de handel en nijverheid in 's-Hertogenbosch in het begin van de negentiende eeuw.
In 1832 stelde de gemeenteraad een choleracommissie die met van allerlei taken belast was ten tijde van de cholera-epidemie van dat jaar in Nederland. Van Lanschot maakte deel uit van deze Bossche choleracommissie. In 1833 werd deze commissie weer ontbonden. Van Lanschot was in 1834 ook de penningmeester van het comité dat belast was met een speciale collecte voor de slachtoffers van overstromingen in Noord-Brabant. Hij overleed in 1851 op 82-jarige leeftijd.
Familie Op 21 mei 1792 huwde Van Lanschot met Jacoba Catharina Maria van Rijckevorsel. Zij was een dochter van Augustinus Tilmanus van Rijckevorsel en Maria Barbara van Leempoel. In 1804 zou zijn zus Theodora met een broer van Jacoba trouwen. Franciscus kreeg samen met Jacoba van Rijckevorsel negen kinderen.
Geraadpleegde literatuur
Categorie:Nederlands ondernemer Categorie:Gemeenteraadslid van 's-Hertogenbosch Categorie:Lid van de Provinciale Staten van Noord-Brabant Categorie:Nederlands persoon in de 19e eeuw