De verklaring dat de zaak is geëindigd (aangeduid als eindezaak(s)verklaring) is een formele einduitspraak in het Nederlandse strafprocesrecht, waarmee de strafrechter na een geslaagde mediation tussen verdachte en slachtoffer verklaart dat de strafzaak is geëindigd, zonder dat de zaak verder inhoudelijk wordt behandeld. De figuur is geregeld in artikel 573 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en werd ingevoerd bij de Innovatiewet Strafvordering, in werking getreden op 1 oktober 2022.

Sinds 1 juli 2026 kan ook het gerechtshof in hoger beroep een eindezaakverklaring uitspreken (artikel 574a Sv).

Terminologie Een wettelijke benaming heeft de figuur niet. De wet duidt de uitspraak omschrijvend aan: artikel 573 Sv geeft de rechter de bevoegdheid te “verklaren dat de zaak is geëindigd” en sprak (tot 1 juli 2026) van “de verklaring dat de zaak is geëindigd”. De korte benamingen zijn doctrinair. In de parlementaire stukken bij de Innovatiewet en de Verlengingswet, en in de wetenschappelijke literatuur, wordt de term zonder tussen-s gespeld (“eindezaakverklaring”), terwijl de rechtspraak en de rechtspraktijk overwegend de vorm met tussen-s hanteren (“eindezaaksverklaring”). De spelling met tussen-s komt ook in kamerstukken voor. In de rechtspraak wordt daarnaast de omschrijving “verklaring einde zaak” gebruikt.

Inhoud van de regeling De regeling van mediation na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting is opgenomen in de artikelen 571 tot en met 574a Sv. Acht de rechter een zaak geschikt voor mediation, dan kan het onderzoek ter terechtzitting daartoe worden geschorst (artikel 572 Sv). Wordt het onderzoek nadien hervat, dan onderzoekt de rechtbank de uitkomst van de mediation. Indien de mediation tot een positieve uitkomst heeft geleid en de rechtbank van oordeel is dat de zaak zonder verdere inhoudelijke behandeling kan worden beëindigd, kan zij verklaren dat de zaak is geëindigd, tenzij de officier van justitie voortzetting van het onderzoek vordert of de verdachte of diens raadsman daarom verzoekt (artikel 573 Sv).

De eindezaakverklaring is een formele einduitspraak: de rechter beantwoordt de materiële vragen van artikel 350 Sv (bewijs, kwalificatie, strafbaarheid en sanctie) niet. In verhouding tot het rechterlijk beslismodel van de artikelen 348 en 350 Sv heeft de eindezaakverklaring volgens de indieners van het amendement waarbij zij werd ingevoerd een werking die vergelijkbaar is met de bepalingen over de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Artikel 573, derde lid, Sv bevat daartoe een gelijkstellingsbepaling: de bepalingen die betrekking hebben op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie zijn op de eindezaakverklaring van overeenkomstige toepassing.Zie hierover ook: Na een eindezaakverklaring kan de verdachte ter zake van hetzelfde feit niet opnieuw in rechte worden betrokken, behoudens het geval dat de bij de mediation gemaakte afspraken niet worden nageleefd (artikel 573, vierde lid, Sv).

Tot 1 juli 2026 kon (en aanvankelijk: moest) de rechter aan de eindezaakverklaring voorwaarden verbinden, waaronder steeds de bij de mediation gemaakte afspraken, met een termijn waarbinnen daaraan moest zijn voldaan. Deze mogelijkheid is bij de Verlengingswet vervallen; herstel ervan is voorzien bij de tweede aanvullingswet in het kader van het nieuwe Wetboek van Strafvordering.

Parlementaire geschiedenis In het oorspronkelijke wetsvoorstel voor de Innovatiewet Strafvordering was voorzien dat de rechter na een geslaagde mediation de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging zou uitspreken. Tijdens de parlementaire behandeling werd deze constructie bekritiseerd: een geslaagde mediation zou niet in hetzelfde rijtje moeten worden geplaatst als de niet-ontvankelijkverklaring, die als sanctie fungeert bij aan het Openbaar Ministerie toerekenbare verzuimen.

Het Tweede Kamerlid Van Nispen (SP) diende daarop, medeondertekend door de leden Ellian, Sneller en Bikker, een amendement in dat de term “niet-ontvankelijkheid” verving door de verklaring dat de zaak is geëindigd. Het amendement bouwde voort op het eerder door Claessen c.s. aan de Tweede Kamer aangeboden Voorstel van Wet strekkende tot de invoering van een herstelgerichte afdoening via bemiddeling in strafzaken. Het nader gewijzigde amendement (nr. 17) werd op 15 februari 2022 met algemene stemmen aangenomen. In de literatuur is deze invoering aangemerkt als een doorbreking van het gesloten stelsel van het beslissingsmodel van de artikelen 348 en 350 Sv.

De Innovatiewet had het karakter van pilotwetgeving. Bij het Besluit innovatie strafvordering: artikel 3 werd de toepassing van de mediationbepalingen beperkt tot de arrondissementen Gelderland, Overijssel en Zeeland-West-Brabant. De pilot bestond uit twee deelpilots: ernstige verkeersdelicten (Zeeland-West-Brabant) en zaken van minderjarigen en jongvolwassenen (Gelderland en Overijssel). Uit de evaluatie van de pilot, uitgevoerd in opdracht van het WODC, bleek dat gedurende de pilotperiode vijftien maal een eindezaakverklaring is uitgesproken. De onderzoekers concludeerden dat de wettelijke regeling een adequate basis biedt, maar signaleerden ook verschil van opvatting over de behoefte aan het instrument en over de positionering van de eindezaakverklaring ten opzichte van het rechterlijk beslismodel.Zie ook:

Bij wet van 25 februari 2026, Stb. 2026, 49 (Verlengingswet Innovatiewet Strafvordering) is de geldingsduur van de bij de Innovatiewet ingevoerde bepalingen (Titel X van het Vierde Boek) verlengd en zijn deze gewijzigd. Met de inwerkingtreding van de Verlengingswet op 1 juli 2026 ging de regeling landelijk gelden en werd zij uitgebreid naar het hoger beroep; tegelijk verviel de mogelijkheid om aan de eindezaakverklaring voorwaarden te verbinden (oud artikel 573, tweede lid, Sv). Het nieuwe artikel 574a Sv bepaalt daartoe dat de artikelen 571 tot en met 574, in aanvulling op artikel 415, van overeenkomstige toepassing zijn op het rechtsgeding voor het gerechtshof. Dit artikel is opgenomen op verzoek van de Raad voor de rechtspraak, met de motivering dat de gerechtshoven een tweede feitelijke instantie zijn en in hoger beroep dezelfde beslissingen kunnen nemen als de rechtbank.

Kenmerken en rechtsgevolgen Kenmerkend voor de eindezaakverklaring is dat de zaak wordt beëindigd zonder inhoudelijk rechterlijk oordeel over het ten laste gelegde. Er volgt geen veroordeling, vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging. Omdat geen beslissingen op de voet van artikel 350 Sv worden genomen, kan geen straf of maatregel worden opgelegd, en dus evenmin een schadevergoedingsmaatregel; het slachtoffer is voor de nakoming van de bij de mediation gemaakte afspraken aangewezen op de officier van justitie dan wel op de burgerlijke rechter. Bij niet-naleving van de afspraken kan de verdachte alsnog (opnieuw) worden vervolgd (artikel 573, vierde lid, Sv).

In de literatuur en in de evaluatie van de pilot is gewezen op de bijzondere positie van de eindezaakverklaring ten opzichte van het gesloten stelsel van einduitspraken van de artikelen 348, 350 en 352 Sv, op uitvoeringsvragen rond onder meer het toezicht op de naleving van de afspraken, en op de gevolgen voor het strafblad, de verklaring omtrent het gedrag en de vergoeding van proceskosten aan de gewezen verdachte.

Strafblad en verklaring omtrent het gedrag

Sinds 1 juli 2025 is de eindezaakverklaring expliciet opgenomen in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025, in verband met de verlenging van de mediationregeling en de verwachte toename van het gebruik van deze afdoening. Anders dan de onherroepelijke vrijspraak, de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie en het technisch sepot kan een eindezaakverklaring — die als justitieel gegeven wordt geregistreerd in de justitiële documentatie — bij de beoordeling van een aanvraag voor een verklaring omtrent het gedrag (VOG) worden betrokken (paragraaf 3.1.3.1 van de beleidsregels). De toelichting motiveert dit als volgt: "Het erkennen van (enige) verantwoordelijkheid voor feiten door verdachte zal doorgaans een voorwaarde zijn om mediation (succesvol) te doorlopen. Herhaling van het feit kan mogelijk een risico opleveren bij de uitoefening van een functie/taak/bezigheid."

De behandeling in de beleidsregels wijkt daarmee af van de richting die de wettelijke gelijkstellingsbepaling suggereert. Artikel 573, derde lid, Sv verklaart de bepalingen over de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie van overeenkomstige toepassing op de eindezaakverklaring, terwijl de niet-ontvankelijkverklaring bij de VOG-beoordeling niet als justitieel gegeven wordt aangemerkt. In de evaluatie van de pilot werd hieruit afgeleid dat een eindezaakverklaring aan het verkrijgen van een VOG mogelijk niet in de weg zou staan en dat daarin "mogelijk voordeel voor de verdachte gelegen" kon zijn; tegelijk werd de vraag opgeworpen of die gelijktrekking wenselijk is, omdat erkenning van de feiten door de verdachte in veel gevallen een voorwaarde is om de mediation met succes af te ronden, en werd de wetgever gevraagd te verduidelijken wat de eindezaakverklaring betekent voor de verwerking van de gegevens van de gewezen verdachte en de verstrekking daarvan aan derden. De Beleidsregels VOG-NP-RP 2025 hebben die vraag in tegengestelde zin beantwoord: de eindezaakverklaring weegt wél mee, waarbij de toelichting de in de evaluatie genoemde erkenningsredenering vrijwel letterlijk overneemt.

Eindezaakverklaringen tellen daarnaast mee in het "rode draad"-criterium (paragraaf 3.1.3.5), waarbij een reeks justitiële gegevens die gezamenlijk een negatieve indruk geeft van de integriteit van de aanvrager tot weigering van de VOG kan leiden. Bij de belangenafweging op grond van het subjectieve criterium (paragraaf 3.1.4.1) wordt de wijze van afdoening van de strafzaak altijd in de beoordeling betrokken.

Verstrekkender is de positie van de eindezaakverklaring in het verscherpt toetsingskader voor seksuele misdrijven (paragraaf 3.1.4.2) en terroristische delicten (paragraaf 3.1.4.3). Wanneer de VOG wordt aangevraagd voor een functie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie, of voor werkzaamheden op een locatie waar zich kwetsbare personen bevinden, en met betrekking tot de aanvrager is in de tien jaren voorafgaand aan de beoordeling ter zake van een seksueel misdrijf een eindezaakverklaring uitgesproken, dan geldt als uitgangspunt dat de VOG wordt geweigerd; afgifte is alleen mogelijk indien weigering evident disproportioneel is. De eindezaakverklaring staat daarmee in dit kader op één lijn met onder meer een veroordeling tot een andere straf dan een gevangenisstraf of taakstraf, een schuldigverklaring zonder strafoplegging, een geaccepteerde transactie, een strafbeschikking en een voorwaardelijk sepot. Ligt de eindezaakverklaring meer dan tien jaren vóór de beoordeling, dan is het verscherpt toetsingskader niet meer van toepassing en wordt op reguliere wijze aan het subjectieve criterium getoetst; omdat de terugkijktermijn bij seksuele misdrijven en terroristische delicten niet in duur wordt beperkt, blijft de eindezaakverklaring daarbij wel zonder tijdsbeperking zichtbaar in de justitiële documentatie. Hetzelfde verscherpte kader geldt bij terroristische delicten.

Jurisprudentie Bekende uitspraken zijn:

Rechtbank Overijssel 19 januari 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:665 De eerste eindezaakverklaring in het kader van de pilot, uitgesproken door de kinderrechter na een geslaagde mediation in een diefstalzaak tegen een minderjarige. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3204 De verdediging verzocht het hof in hoger beroep primair een verklaring einde zaak uit te spreken onder verwijzing naar artikel 573, tweede lid, Sv; het hof vernietigde het vonnis en deed opnieuw recht. De uitspraak dateert van vóór de invoering van artikel 574a Sv, toen de eindezaakverklaring in hoger beroep nog niet in de wet was voorzien.