rechts|miniatuur|350x350px| Horizontale coördinaten (a,h) voor hemellichamen. De ster S heeft een azimut a=50° (groen), die berekend wordt langs de horizon en een hoogte h=30° (bruingeel), die berekend wordt langs de meridiaan van de waarnemer.
Het horizontaal coördinatenstelsel is een tweedimensionaal astronomisch coördinatensysteem waarbij de richting van hemellichamen wordt bestudeerd. Het gebruikt het vlak van de lokale horizon van de waarnemer als basisvlak om twee hoeken van een systeem van bolcoördinaten te bepalen: de hoogte en het azimut. Daarom wordt het horizontale coördinatenstelsel soms ook hoogte/azimut-stelsel genoemd. Bij een hoogte/azimut-montering van een telescoop volgen de twee assen van het instrument de twee horizontale coördinaten, namelijk hoogte en azimut.
Definitie Dit astronomisch coördinatenstelsel verdeelt de hemelbol in twee hemisferen: in de bovenste hemisfeer vinden we de objecten die zich boven de horizon bevinden en zichtbaar zijn; in de onderste hemisfeer vinden we de objecten die zich onder de horizon bevinden en onzichtbaar zijn, omdat de aarde het zicht erop belemmert. De grens tussen beide hemisferen is de hemelhorizon en dat is de grootcirkel van de hemelbol die gelegen is in het horizontale vlak dat loodrecht staat op de lokale verticale richting. In de praktijk kan de horizon ook worden beschouwd als het vlak dat raakt aan een rustig, vloeibaar oppervlak zoals een plas water; met een waterpas kan je dat vlak ook bepalen. De pool van de bovenste hemisfeer wordt zenit genoemd en de pool van de onderste hemisfeer krijgt de naam nadir.
Het horizontaal coördinatenstelsel gebruikt de volgende twee onafhankelijke parameters, die verwant zijn met de twee hoeken van het systeem van bolcoördinaten: Enerzijds de hoogte h en dat is de hoek tussen het object en de lokale horizon van de waarnemer. Voor zichtbare objecten in de bovenste hemisfeer is dit een hoek van 0° tot 90°; voor onzichtbare objecten in de onderste hemisfeer ligt de hoek tussen -90° en 0°. Anderzijds het azimut a en dat is de hoek tussen het verticale vlak van het ware noorden en het verticale vlak van het object; deze hoek wordt horizontaal gemeten langs de horizon vanaf het 'ware noorden' via het oosten en zuiden naar het westen. (Uitzonderlijk wordt het azimut ook vanaf het zuiden gemeten, via het westen en noorden naar het oosten.) Het azimut is een hoek van 0° tot 360°. Omdat we enkel de richting van een hemellichaam en niet de exacte positie bestuderen, hebben we de derde parameter, namelijk de afstand van de waarnemer tot het hemellichaam, van het systeem van bolcoördinaten niet nodig.
Algemene kenmerken Het horizontaal coördinatenstelsel is gekoppeld aan een variabele locatie op aarde en niet aan een vaste locatie van de sterrenhemel. Enerzijds veranderen de hoogte en het azimut van een object aan de hemel in de loop van de tijd, omdat het object lijkt te bewegen door de rotatie van de aarde. Anderzijds veranderen de hoogte en het azimut ook als de waarnemer zich verplaatst over het aardoppervlak.
De windstreken hebben specifieke azimutwaarden die als nuttige referentiepunten kunnen dienen. Azimutwaarden voor de 4 windstreken Windstreek Azimut Noord 0° Oost 90° Zuid 180° West 270° De horizontale coördinaten (hoogte en azimut) zijn erg handig voor het bestuderen van de opkomst en de ondergang van objecten (planeten, sterren, kometen, enzovoort). Bij opkomst en ondergang bevindt het object zich aan de horizon en is zijn hoogte 0°. Bij opkomst wordt het object zichtbaar en neemt zijn hoogte toe; bij ondergang wordt het object onzichtbaar en neemt zijn hoogte af (om een negatieve waarde aan te nemen).
Een waarnemer van het noordelijk halfrond kan op elk tijdstip bepalen of de hoogte van een hemellichaam toeneemt of afneemt aan de hand van het azimut van het hemellichaam:
Als het azimut tussen 0° en 180° ligt, stijgt het object en is het op weg naar zijn culminatie in het zuiden. Als het azimut tussen 180° en 360° ligt, daalt het object en heeft het zijn culminatie al bereikt op een vroeger tijdstip.
We vermelden de volgende bijzondere gevallen:
Op de Noordpool wijzen alle richtingen naar het zuiden en op de Zuidpool wijzen alle richtingen naar het noorden, waardoor het azimut van elk object aan de hemelsfeer in beide gevallen niet gedefinieerd is. Vanop beide polen gezien heeft een ster (en elk ander object met vaste equatoriale coördinaten) een constante hoogte; de ster kent geen opkomst en geen ondergang. De zon, de maan en de planeten kennen op de polen wel een opkomst en ondergang in de loop van een jaar, omdat hun declinatie voortdurend verandert. Vanop de evenaar gezien blijven objecten op de hemelpolen gefixeerd op vaste punten aan de horizon. Categorie:Astronomie