Willem Zevenbergen (Puttershoek, 11 juli 1884 - Rotterdam, 31 augustus 1925) was een Nederlands rechtsgeleerde. Zevenbergen was hoogleraar strafrecht en rechtsfilosofie aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij overleed jong en was daarom maar relatief kort hoogleraar, maar was in die tijd wel onderwerp van controverse aan de VU omdat hij volgens sommigen niet strikt genoeg hield aan de gereformeerde beginselen.

Jeugd en studie Zevenbergen werd geboren in de Hoeksche Waard en groeide op in Dordrecht. Zijn vader Gerrit Zevenbergen was landbouwer en vlashandelaar en zou later wethouder worden; zijn jongere broer Christiaan Zevenbergen zou hoogleraar rechten aan de Universiteit Utrecht worden. Hij kreeg zijn gymnasium-opleiding bij dominee Jan van Dijk aan het Internaat Ruimzicht in Doetinchem, een internaat voor kinderen uit minder vermogende gezinnen. Hij studeerde vanaf 1904 rechtsgeleerdheid aan de Vrije Universiteit Amsterdam, waar hij in 1908 zijn kandidaatsexamen behaalde en in 1912 zijn doctoraal. Enkele dagen na zijn doctoraal examen, op 21 februari 1913, promoveerde hij aan de VU bij Pieter Diepenhorst cum laude op het proefschrift Eenige beschouwingen over het strafrechtelijk schuldbegrip. Het proefschrift paste in een rij aan onder Diepenhorst verdedigde proefschriften over strafrechtelijke onderwerpen. Na zijn promotie kreeg hij een beurs van de VU-gelieerde Van Coeverden Adriani Stichting om een tijd in het buitenland te studeren; hij studeerde daarmee van 1913 tot 1918 aan de universiteiten van Heidelberg, Wenen, München, Göttingen en Bern. Hij studeerde onder andere bij Ernst Troeltsch in Heidelberg, Rudolf Stammler in Halle, Eugen Huber in Bern en de strafrechtsgeleerde Ernst von Beling in München, met wie hij later nog contact hield. Zijn studie werd voor twee jaar onderbroken voor de verplichte militaire dienst aan het begin van de Eerste Wereldoorlog.

Hoogleraar In november 1918 werd Zevenbergen aangezocht voor benoeming tot hoogleraar aan de rechtenfaculteit van de VU; er waren op dat moment maar drie hoogleraren, en in verband met het aanstaande emeritaat van Paul Fabius was de VU op zoek naar een vierde hoogleraar naast Diepenhorst en Anne Anema. De leeropdracht zou met name het Romeins recht en het strafrecht omvatten naast de rechtsfilosofie. Anema steunde Victor Henri Rutgers, die echter slecht lag bij Abraham Kuyper. In plaats van Rutgers kwam men uit bij Zevenbergen, die ook gevoelig lag, met name bij Fabius: Zevenbergens werk toonde weinig van de gereformeerde beginselen die aan de VU belangrijk werden geacht en zijn werk zou "te veel vaktermen en citaten" bevatten. Zevenbergen was vooral wetenschapper en minder actief in het gereformeerde leven, in tegenstelling tot Fabius die in hem "een sterken drang (...) om zijn wetenschappelijk werk te doen beheerschen door de gereformeerde beginselen" miste. In de juridische faculteit steunden Anema en Diepenhorst de kandidatuur van Zevenbergen terwijl Fabius tegen stemde; de senaat (de verzamelde hoogleraren) stemde met één stem verschil tegen; de curatoren waren krap vóór, hoewel president-curator Van Schelven uitgesproken tegen was; de directeuren steunden uiteindelijk de benoeming. Zevenbergen aarzelde nog een tijd over zijn benoeming en stelde zijn aantreden een tijd uit vanwege andere financiële verplichtingen; uiteindelijk aanvaardde hij de benoeming. Zijn oratie, gehouden op 23 januari 1920, was getiteld Leemten in de wet; de oratie was een abstract filosofisch betoog en had geen uitgesproken gereformeerd karakter, maar werd desondanks geprezen door het gereformeerde weekblad De Heraut.

Naast strafrecht en rechtsfilosofie doceerde Zevenbergen ook Romeins recht en de encyclopedie van het recht. Zijn colleges werden als moeilijk en zeer theoretisch ervaren. In het in memoriam in de almanak van de Vrije Universiteit schreef een student dat Zevenbergens aanvankelijke enthousiasme vaak doofde "door onze domheid en gebrek aan inzicht", "terwijl bovendien Professor Zevenbergen geneigd was zijn studenten wat hoog te taxeeren." Net als in zijn oratie verwees hij in zijn colleges vrijwel niet naar de "gereformeerde wetenschap" die aan de VU in calvinistische traditie bedreven. Hij was eerder beïnvloed door contemporaine, vooral neokantiaanse, Duitse rechtsfilosofen met wie hij tijdens zijn studieverblijf in Duitsland had kennisgemaakt, zoals Hans Kelsen en Gustav Radbruch. Door zijn contacten met de jonge gereformeerde filosofen en latere VU-hoogleraren Herman Dooyeweerd en Dirk Vollenhoven beïnvloedde hij de totstandkoming van de reformatorische wijsbegeerte. Samen met zijn collega-hoogleraren L. Bouman, F.J.J. Buytendijk en H.J. Pos werd hij gerekend tot de "linkervleugel" van de VU-hoogleraren, die minder strak gericht waren op de vigerende "gereformeerde beginselen". VU-directeur A.W.F. Idenburg zou later zeggen "dat wij ons in de professoren Buytendijk, Bouman, Pos en Zevenbergen hebben vergist" bij hun benoemingen. In zijn vijf jaar als hoogleraar begeleidde hij geen enkele promotie; wel werd hij in de jaren na zijn overlijden vaak genoemd in dankwoorden van promovendi. Zijn laatste woorden aan zijn studenten waren "weest godvruchtig en werkt hard."

Zevenbergens overlijden in 1925 ontlokte weinig reacties in gereformeerde kring. In een in memoriam stelde president-curator Van Schelven twee jaar later dat Zevenbergen "onder den invloed van andere machten geraakt" zou zijn, "waardoor hij den indruk gaf, dat hij niet meer ging in de lijn der gereformeerde beginselen". Door de dissidente VU-hoogleraren Pos en Buytendijk werd hij wel gewaardeerd; Buytendijk schreef na zijn overlijden dat Zevenbergen de Bijbel niet had willen gebruiken voor "goedkope beginselconstructies". Het Weekblad van het Recht noemde hem een "ernstig en eerlijk denker die voor de resultaten van zijn wetenschappelijk onderzoek met oprechtheid uitkwam". De humanistische vrijdenker Leo Polak schreef in Mensch en Maatschappij een zeer waarderend in memoriam voor Zevenbergen, waarin hij zich bewonderend uitsprak over de geleerdheid die Zevenbergen in zijn korte leven had opgedaan en het werkvermogen dat hij daarbij aan de dag had gelegd.

De opvolging van Zevenbergen was complex. Na zijn overlijden nam zijn jongere broer Christiaan, die al lector in het Romeins recht, handelsrecht en de burgerlijke rechtsvordering aan de VU was, de colleges in de encyclopedie van het recht en de rechtsgeschiedenis waar. In 1926 droeg de faculteit Pieter Sjoerds Gerbrandy en Herman Dooyeweerd voor als nieuwe hoogleraren, de eerste op het gebied van het handels- en procesrecht, de tweede voor de rechtsfilosofie en het oud-vaderlands recht; tegelijk zou Christaan Zevenbergen tot hoogleraar Romeins recht worden benoemd. Omdat Gerbrandy door de VU-bestuurders als te progressief werd gezien werd echter alleen Dooyeweerd benoemd tot hoogleraar. In 1928 werd Gerbrandy opnieuw voorgedragen, maar werd Victor Henri Rutgers benoemd tot hoogleraar Romeins recht en strafrecht; Gerbrandy werd in 1930 uiteindelijk alsnog hoogleraar handelsrecht en burgerlijke rechtsvordering. Christiaan Zevenbergen werd in 1928 benoemd tot hoogleraar Romeins recht aan de Universiteit Utrecht; in de controverse rondom de gereformeerde predikant Johannes Geelkerken had hij net als Pieter Diepenhorst de kant van Geelkerken gekozen, wat hem in conflict bracht met de directeuren en curatoren van de VU. Pas in 1967, ruim veertig jaar na Zevenbergens overlijden, zou er met G.E. Mulder weer een strafrechtspecialist tot hoogleraar strafrecht worden benoemd.

Werken Na zijn proefschrift Eenige beschouwingen over het strafrechtelijk schuldbegrip (1913) publiceerde Zevenbergen onder andere artikelen in de tijdschriften Themis, Rechtsgeleerd Magazijn en het Tijdschrift voor Wijsbegeerte.

In 1924 verscheen van zijn hand Leerboek van het Nederlandsche strafrecht. Eerste deel. Algemene leerstukken, uitgegeven door J.B. Wolters te Groningen. In dit eerste deel behandelde Zevenbergen de algemene leerstukken van het strafrecht; een tweede deel, over de speciale delicten, was gepland maar is nooit verschenen. Het boek was opgedragen aan de Münchener hoogleraar Ernst von Behling, door wiens werk Zevenbergen sterk was beïnvloed. Het systematisch en zorgvuldig opgebouwde boek werd in de rechtsgeleerde literatuur goed ontvangen; in het Tijdschrift voor Strafrecht ontving het een positieve recensie van David Simons, die wees op de verschillen in opvatting tussen Zevenbergen en zijn VU-collega's. In gereformeerde kringen aan de VU werd het echter een stuk minder gewaardeerd. De kritiek richtte zich met name op Zevenbergens houding tegenover de doodstraf, die in 1870 was afgeschaft. Fabius had, in de gereformeerde traditie, op Bijbelse gronden (Genesis 9:6 en Romeinen 13:4) gepleit voor het handhaven van de doodstraf, een opvatting die al eerder werd vertolkt door onder anderen Kuyper en Calvijn. Zevenbergen zette zich hier uitgesproken tegen af: hij vond het "zeer twijfelachtig of de doodstraf weer in eere dient te worden hersteld", zowel op zuiver strafrechtelijke gronden als op christelijke gronden, waarbij hij impliciet het gezag van de Heilige Schrift in twijfel trok. Weliswaar keurde hij de doodstraf niet categorisch en in alle omstandigheden af, maar hij verzette zich wel tegen het automatisch opleggen van de doodstraf.

Een recensent van het gereformeerde dagblad De Standaard was van opvatting dat het boek "een werk van groote wetenschappelijke waarde" was dat "ontegenzeggelijk zeer groote verdiensten heeft." Tegelijk koesterde hij echter "groote bezwaren", deels vanwege de uitgesproken "Duitse" achtergrond van de auteur die duidelijk in het boek te vinden was maar vooral ook vanwege de moeilijke verhouding met de gereformeerde beginselen. Dat betrof niet alleen Zevenbergens opvatting over de doodstraf, maar ook zijn afwijzing van de goddelijke vergeldingstheorieën en de nadruk op het positieve recht gaven aanleiding tot bezwaren. In een serie artikelen in De Heraut bekritiseerde Herman Huber Kuyper, zoon van Abraham Kuyper en hoogleraar theologie aan de VU, Zevenbergens boek hevig. Hij richtte zijn kritiek met name op Zevenbergens opvatting over de doodstraf, maar zag daarin een breder probleem van Zevenbergen die de Bijbel en de gereformeerde beginselen niet serieus zou nemen. Kuyper betoogde dat Zevenbergen ten onrechte de kenbaarheid voor mensen van het goddelijke recht ontkende en daarnaast dat hij te vrij was omgesprongen met Gods bevelen in de Bijbel. Zevenbergen nam zich voor de kritiek te beantwoorden in een uitgebreide brochure, maar dat werd hem door de curatoren van de VU ontraden.

Eind 1924 verscheen bij uitgeverij Gebr. Belinfante te Den Haag het eerste stuk van Formeele encyclopaedie der rechtswetenschap als inleiding tot de rechtswetenschap; het tweede stuk volgde begin 1925. Het boek was bedoeld als een algemene inleiding tot het recht voor studenten, waaruit studenten leerden wat zij moesten weten vóórdat zij aan de studie van het positieve recht begonnen; daaronder vielen volgens Zevenbergen onder andere de indeling en verhouding van verschillende rechtsgebieden, de rol van de rechtswetenschap en de beginselen van de rechtsfilosofie. In zijn boek zei hij welbewust weinig over de rol van de staat; hij had gehoopt later nog een algemene staatsleer te schrijven, maar dat plan kon hij door zijn overlijden niet meer uitvoeren.

In 1927 verscheen postuum bij S. Gouda Quint te Arnhem een bundel Verzamelde opstellen, geredigeerd door Christaan Zevenbergen. In de inleiding bij het boek nam hij het op voor Willem, die volgens hem huiverig was geweest te pas en te onpas Bijbelteksten te citeren om zich zo op de autoriteit van de Bijbel te beroepen. Ook zou het aan de VU lastig zijn geweest om daadwerkelijk gereformeerde wetenschap te beoefenen vanwege de overheersende rol van de theologie.

Persoonlijk