Carl Wilhelm Severing (Herford, 1 juli 1875 – Bielefeld, 23 juli 1952) was een Duitse vakbondsleider en politicus namens de Sozialdemokratische Partei Deutschlands. Tussen 1928 en 1930 diende hij onder rijkskanselier Hermann Müller als minister van Binnenlandse Zaken. Daarnaast diende hij tussen 1920 en 1926 en tussen 1930 en 1932 als minister van Binnenlandse Zaken voor de Vrijstaat Pruisen.
Severing was afkomstig uit een arm gezin, maar wist zich door zijn werk binnen de vakbond op te werken binnen de SPD en stond bekend als een hervormingsgezinde socialist. Na de Eerste Wereldoorlog diende hij als rijks- en staatscommissaris in het Ruhrgebied, waar hij betrokken was bij het neerslaan van de Ruhropstand.
Zijn belangrijkste werk verrichtte hij als Pruisisch minister van Binnenlandse Zaken waar hij verantwoordelijk was voor de democratische hervormingen. Samen met premier Otto Braun zette hij zich in om Pruisen als een levensvatbare socialistische enclave te behouden te midden van het algemene verval van de Duitse sociaaldemocratie. Zijn democratische veranderingen van het bestuur, ambtenarij en de politie stond bekend als het "systeem-Severing". Van zijn voorgenomen hervormingen in zijn periode als rijksminister kwam weinig terecht door de veranderende politiek. Na de Pruisenslag in 1932 kwam er een einde aan zijn periode als minister. Tijdens de Tweede Wereldoorlog leidde hij een teruggetrokken leven en leefde hij van zijn pensioen. Na de oorlog werd hij weer politiek actief en werd hij lid van het parlement van Noordrijn-Westfalen.
Biografie
Jeugd Carl Severing werd geboren in de Westfaalse stad Herford als de zoon van de sigarenmaker Bernhard Severing en zijn moeder Johanna was een naaister. Toen zijn vader een mentale ziekte kreeg en opgenomen moest worden in het ziekenhuis steeg de armoede van het gezin. In 1882 ging Severing naar een armekinderenschool en pas nadat zijn vader twee jaar later weer thuis kwam kon hij naar een Bürgerschule. Zijn ouders moedigde hem aan om te leren en hij toonde zich ook als een excellente student, met name in religie. Een lokale pastoor spoorde hem ook aan om theologie te gaan studeren. Hij sloeg dit idee af en ging in plaats daarvan in de leer bij een slotenmaker.
Vakbondsman Op zestienjarige leeftijd behaalde Severing de status van gezel en werd hij lid van de Deutscher Metallarbeiter-Verband (DMV). Hij werd tot de vakbond aangetrokken vanwege "een gevoel, een verlangen voor vrijheid en een beter leven". Binnen korte tijd werd hij secretaris van de lokale afdeling en werd hij hun afgevaardigde naar regionale bijeenkomsten. Door zijn werk voor de vakbond kwam Severing ook in contact met de regionale sociaaldemocratische krant, Die Volkswacht. Hij richtte in 1893 een lokale afdeling van de SDP in Herford op.
Twee jaar later verhuisde hij naar Bielefeld waar hij werk kreeg bij een machinebouwfabriek en werd ook daar actief bij de vakbond. In april 1896 was hij afgevaardigde van de arbeiders van de fabriek waar hij werkte om hun klachten aan de eigenaar over te brengen, maar nadat deze ongeïnteresseerd was om te onderhandelen met hen begonnen de arbeiders met een staking. Deze staking liep tot niets uit en Severing kreeg ontslag en belandde op een zwarte lijst van de lokale metaalindustrie.
Samen met een aantal andere arbeiders ging hij als reizende gezel aan de slag en belandde hij uiteindelijk in Zürich, wat destijds werd beschouwd als een hoofdstad van het Europees socialisme. Hier groeide Severing uit tot een invloedrijke functionaris bij de lokale Duitse sociaaldemocratische arbeidersbond en werd hij ook de leider van de Duitse Arbeiders Onderwijs Vereniging. In Zürich radicaliseerde Severing in zijn opvattingen. Zo sprak hij zich uit voor een socialistische wereldrevolutie, voor de dominantie van de arbeidersklasse en voor onthouding van verkiezingsdeelname van de socialisten aan verkiezingen die erop gericht waren om de arbeiders buiten de deur te houden. Vanwege de conservatieve houding van zijn kameraden in de onderwijsvereniging besloot Severing al zijn posities in Zürich op te geven.
In 1898 keerde Severing terug in Bielefeld en vond hij werk in een naaimachinefabriek. Een jaar later trouwde hij met de naaister Emma Wilhelmine Twelker, die op dat moment zwanger was. Met haar zou hij twee kinderen krijgen. Hij werkte zich ook snel op bij de lokale vakbond en werd hij secretaris van de bond en in 1901 koos de metaalwerkersunie hem tot hun voorzitter. Hij introduceerde een verscheidenheid aan verzekeringsregelingen, promootte sociale en culturele activiteiten en zette een effectief systeem van vertrouwenspersonen op voor de arbeiders. Onder zijn leiding groeide de DMV in 1906 uit tot de sterkste vakbond in de regio. Door gebruik te maken van de lokale pers en korte stakingen wist hij grote stakingen te voorkomen en slaagde de bond erin om de lonen te verhogen en de werkomstandigheden te verbeteren.
Start politieke carrière miniatuur|Karikatuur van de burgerlijke partijen na de intrede van Severing in de Rijksdag (1907). Door zijn sprekerstalent was Severing een goede kandidaat voor een politieke functie. In 1903 trachtte hij namens de SPD een zetel te bemachtigen in de Rijksdag, maar hij werd in de tweede ronde verslagen. Twee jaar later wist hij wel een zetel te krijgen in de gemeenteraad van Bielefeld. In 1907 nam hij weer deel aan de verkiezingen voor de Rijksdag en ditmaal wist hij wel een plek in het parlement te bemachtigen. In de tweede ronde won hij met 70 procent, met dank aan de katholieke stemmen. Na zijn intrede in het parlement nam hij een minder radicale houding aan. Door zijn werk voor de DMV in Bielefeld was Severing erachter gekomen dat door geleidelijke hervormingen de politieke en sociale toestand van de arbeidersklasse kon worden verbeterd.
In de Rijksdag specialiseerde Severing zich met name in sociale kwesties. Zo kreeg hij veel aandacht voor zijn bijdrage in 1910 over zijn veroordeling van de slechte werkomstandigheden op de scheepswerven. Binnen de parlementaire groepen van de SPD sloot hij zich aan bij de hervormingsgezinde socialist Ludwig Frank. In 1912 ging Severing voor zijn herverkiezing, maar hij verloor zijn zetel aan de nationaal-liberale kandidaat Arthur von Posadowsky-Wehner.
Eerste Wereldoorlog Nadat de Eerste Wereldoorlog uitbrak steunde Severing het besluit van de partijraad van de SPD om de overheid te steunen in de oorlog. Volgens hem was de uitgebroken oorlog een defensieve oorlog voor Duitsland en hiermee stond hij lijnrecht tegenover partijleiders zoals Karl Liebknecht en Hugo Haase. Nadat tegenstanders van de oorlog uit de partij werden gezet in 1917 zette Severing zich in om de lokale invloed van de USPD in Bielefeld in te perken.
Tijdens de oorlog riep Severing op voor de implementatie van "oorlogssocialisme", waarbij de overheid ervoor zorgde dat de arbeiders voldoende voedsel en brandstof hadden. Deze eisen voor een eerlijke verdeling en gelijke rechten zorgden ervoor dat de SPD tijdens de oorlogsjaren een positief profiel opbouwde in Bielefeld. In juli 1917 steunde Severing de landelijke koers voor een oproep tot "vrede zonder annexaties". Na de Oktoberrevolutie in Rusland, herhaalden ze deze eis tevergeefs tijdens publieke demonstraties. In de nasleep van de wapenstilstand van 11 november 1918 richtte Severing in Bielefeld een "Volks- und Soldatenrat" op, die de soldaten zou opnemen in een nieuwe eenheid, waarin ook vertegenwoordigers van het lokale leger en het stadsbestuur zitting hadden. Toen zwaarbewapende opstandelingen dreigden een van de gevangenissen in de stad te bestormen, greep Severing persoonlijk in, kalmeerde de menigte en zorgde voor de vreedzame vrijlating van de daar vastzittende politieke gevangenen.
Weimarrepubliek Bij de verkiezingen van 19 januari 1919 kreeg Severing zowel een zetel in de Rijksdag, de Pruisische Landdag als in de gemeenteraad van Bielefeld. Hij had vervolgens een belangrijke rol in de totstandkoming van de allereerste coalitieregering van de Weimarrepubliek, waar de SPD samen met Zentrum en de DDP ging regeren. Op 7 april stelde zowel de Pruisische als de rijksregering Severing aan als commissaris in het Rijnland en Westfalen en kreeg hij de (militaire) macht om in die regio de orde te herstellen. miniatuur|Portrettekening van Severing (1912), getekend door Peter August Böckstiegel.
Rijks- en staatscommissaris in het Ruhrgebied In december 1918 was er een reeks van stakingen, buiten de vakbonden om, begonnen in her Ruhrgebied en eisten arbeiders socialisering van de mijnen, aanzienlijke loonsverhogingen, kortere werktijden en erkenning van het radensysteem. Lokale spanningen leidden in februari 1919 in geweld en een nieuwe reeks stakingen. Begin april waren 300.000 mijnwerkers gestopt met werken. Severing zag de eisen van de arbeiders in het Ruhrgebied als irrationeel, vanwege de bestaande tekorten aan voedsel en brandstof. Hij wilde de stakingen beëindigen met zo weinig geweld mogelijk en de omstandigheden voor de arbeiders verbeteren.
Na overleg met vakbondsleiders, mijnbazen en de Rijksregering riep Severing de noodtoestand uit, die alle valide mannen verplichtte om weer aan het werk te gaan, militaire eenheden werden teruggetrokken uit gebieden waar de arbeiders meewerkten en er werden speciale rantsoenen uitgedeeld aan de mannen die weer werkten. In april kwam er een akkoord tussen de mijnwerkers en de rijksoverheid nadat deze laatste toezegde om de werkdag te verkorten tot zeven uur. Hiermee kwam er begin mei een einde aan de stakingen. Severing was alleen niet te spreken over zijn samenwerking met generaal Oskar von Watter, die weigerde om met Severing samen te werken. Het rijk was dermate blij met het optreden van Severing dat ze hem naar Silezië stuurde voor een gelijksoortige kwestie. Nadat hij ook hier succesvol was keerde hij in juni terug naar Westfalen. miniatuur|De Ruhropstand in Essen Severing was er alleen niet in geslaagd om een lokale, pro-republikeinse ordehandhavingstroepen op te richten. Dit gemis liet zich gelden in de nasleep van de Kapp-putsch van maart 1920. De landelijke overheid kon een einde aan de staatsgreep maken door een oproep te doen tot een algemene staking, dat in het Ruhrgebied (de Ruhropstand) breed werd omarmd. De arbeiders formeerden een "Rode Leger" en versloegen de soldaten van Watter. Opnieuw was het aan Severing om de orde te herstellen. Hij onderhandelde met de mijnwerkers voor het herstellen van de orde, maar zijn voorstellen voor het socialiseren van de mijnen, het verwijderen van contrarevolutionairen uit het leger en immuniteit voor de opstandelingen waren aan dovemansoren gericht. Begin april begon de Reichswehr met het neerslaan van de opstand en halverwege die maand stond de regio weer onder controle van de overheid. Doordat Severing de Reichswehr erop uit had gestuurd veroordeelde links wegens verraad aan de arbeidersklasse.
Ministerschap in Pruisen In diezelfde periode bood Otto Braun Severing een post als minister van Binnenlandse Zaken aan in zijn Pruisische kabinet. Met name het leiderschap van de SPD was een groot voorstander van het ministerschap van Severing, vanwege zijn achtergrond als arbeider en diens bewezen politieke vaardigheden. Hij accepteerde de functie en in de jaren van zijn ministerschap zou Severing een belangrijke rol spelen in de sociaaldemocratische poging om belangrijke Duitse overheidsinstellingen te hervormen volgens republikeinse principes. Hij zag dan ook zijn eigen taak duidelijk voor zich: