miniatuur|Giovanni De Lorenzo Giovanni De Lorenzo (Vizzini, 29 november 1907 – Rome, 26 april 1973) was een Italiaans generaal, militair inlichtingenfunctionaris en politicus. Hij stond van december 1955 tot oktober 1962 aan het hoofd van de militaire inlichtingendienst Servizio Informazioni Forze Armate (SIFAR), was van 15 oktober 1962 tot 31 januari 1966 commandant-generaal van de Carabinieri en vervolgens van 1 februari 1966 tot 15 april 1967 chef van de generale staf van het Italiaanse leger.
De Lorenzo werd een omstreden figuur in de politieke geschiedenis van de Italiaanse Republiek door de omvangrijke politieke dossiervorming die tijdens en rond zijn leiding van de SIFAR plaatsvond en door zijn rol bij het in 1964 opgestelde geheime noodplan Piano Solo. Dat plan voorzag in een snelle inzet van uitsluitend de Carabinieri bij een ernstige binnenlandse noodsituatie en bevatte onder meer voorbereidingen voor de aanhouding en overbrenging van honderden politieke activisten. Het plan werd niet uitgevoerd en werd na de regeringscrisis van juli 1964 opgeborgen. De politieke betekenis en de intentie achter Piano Solo zijn onderwerp van historiografisch debat. In latere onderzoeken werd het plan beschreven als een mogelijk instrument voor interventie van de Carabinieri in het politieke leven, terwijl historicus Matteo Faini de crisis van 1964 analyseert als een mislukte staatsgreep (coup manqué).
Jeugd en militaire loopbaan De Lorenzo werd geboren in Vizzini op Sicilië als zoon van Aurelio De Lorenzo en Teresa Albina Venturi. Hij studeerde scheepsbouwkunde en werktuigbouwkunde en volgde vervolgens een militaire opleiding voor de artillerie. Van 1937 tot 1940 volgde hij onderwijs aan het Istituto superiore di guerra. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vervulde hij verschillende staf- en operationele functies. Hij werkte onder meer bij het XV Legerkorps en bij de Italiaanse 8e Legerformatie aan het Oostfront, waarna hij in 1943 bij de generale staf werd geplaatst.
Na de Italiaanse wapenstilstand van september 1943 raakte De Lorenzo betrokken bij het verzet tegen de Duitse bezetting. Van september 1943 tot februari 1944 voerde hij in Romagna het bevel over militaire partizanenformaties. Van maart tot de bevrijding van Rome in juni 1944 was hij onder de schuilnaam Paolo plaatsvervangend hoofd van het militaire inlichtingencentrum van het clandestiene verzetsfront in Rome. Daarna diende hij tot het einde van de oorlog als verbindingsofficier bij de Amerikaanse 92e Infanteriedivisie.
Voor zijn optreden tijdens de oorlog ontving hij verschillende militaire onderscheidingen. Na de oorlog bekleedde hij staf- en commandofuncties bij verschillende artillerie-eenheden. In 1947 werd hij kolonel en in 1954 brigadegeneraal.
Hoofd van de SIFAR Op 27 december 1955 werd De Lorenzo benoemd tot hoofd van de Servizio Informazioni Forze Armate (SIFAR), als opvolger van generaal Ettore Musco. Hij bleef tot 14 oktober 1962 aan het hoofd van de dienst. Volgens de biografie van Giorgio Boatti in het Dizionario Biografico degli Italiani was dit destijds de langste ononderbroken ambtsperiode van een directeur van de Italiaanse militaire inlichtingendienst sinds de stichting van de republiek.
Tijdens De Lorenzo's leiding werden de personele en materiële middelen en de invloed van de SIFAR uitgebreid. Tegelijk nam de dossiervorming over personen uit het politieke, economische, maatschappelijke en culturele leven sterk toe. Volgens Boatti groeide het archief tot ongeveer 157.000 persoonsdossiers, waarvan ongeveer 34.000 betrekking hadden op politici, personen uit het bedrijfsleven en andere als belangrijk beschouwde categorieën. Latere onderzoekscommissies stelden volgens dezelfde bron vast dat voor de verzameling van gegevens onder meer observatie, controle van telefoon- en postverkeer en informanten werden ingezet. Boatti vermeldt tevens dat in een aantal gevallen informatie werd verzameld met het oog op intimidatie.
In 1961 werd De Lorenzo bevorderd tot generaal van een legerkorps. Op 15 oktober 1962 verliet hij de SIFAR en werd hij commandant-generaal van de Carabinieri.
Commandant van de Carabinieri Als commandant-generaal zette De Lorenzo een reorganisatie en modernisering van de Carabinieri in. Hij veranderde de organisatie van de mobiele eenheden en stimuleerde de mechanisering van het korps. Onder zijn leiding werden duizenden nieuwe voertuigen ingevoerd, helikoptereenheden ontwikkeld en de communicatie-infrastructuur uitgebreid. Ook werden een centrum voor gegevensverwerking en een centrum voor wetenschappelijk rechercheonderzoek opgezet.
Een van de door hem bevorderde formaties was een gemechaniseerde brigade van de Carabinieri. De vorming ervan veroorzaakte binnen en buiten de krijgsmacht discussie, zowel omdat de eenheid vóór de formele ministeriële beschikking tot stand kwam als vanwege de beschikbaarheid van zwaar materieel, waaronder pantservoertuigen.
Piano Solo In het voorjaar van 1964 gaf De Lorenzo de bevelhebbers van de drie divisies van de Carabinieri opdracht een plan uit te werken waarmee het korps in een ernstige noodsituatie zelfstandig de openbare orde zou kunnen handhaven. Tussen maart en juli 1964 werd tijdens bijeenkomsten van hoge officieren het zogenoemde Piano Solo uitgewerkt. Het uitgangspunt was dat de Carabinieri zo nodig onmiddellijk konden optreden, nog vóór een formele overdracht van de verantwoordelijkheid voor de openbare orde van de burgerlijke naar de militaire autoriteiten.
Het plan werd in juni 1964 verder uitgewerkt, in dezelfde periode waarin de eerste Italiaanse centrumlinkse regeringscoalitie in een ernstige crisis verkeerde. Tot de voorbereidingen behoorde een lijst van enkele honderden politieke activisten die bij activering van het plan zouden worden aangehouden. Voor een eventuele overbrenging van deze personen naar militaire locaties op eilanden nam De Lorenzo volgens Boatti vooraf contact op met hoge officieren van de marine en de luchtmacht.
Een vertrouwelijk verslag van de Amerikaanse ambassade in Rome van 26 mei 1964, gebaseerd op een gesprek met De Lorenzo op 19 mei, noteerde dat hij zich op dat moment tegenover de Amerikaanse rapporteur relatief welwillend opstelde tegenover de centrumlinkse regering van Aldo Moro, terwijl hij tegelijkertijd het communisme als een belangrijk veiligheidsvraagstuk beschouwde.
Nadat de regeringscrisis in juli 1964 was opgelost, werd Piano Solo opgeborgen. Het plan werd niet uitgevoerd.
SIFAR-affaire en onderzoeken In de daaropvolgende jaren kwamen steeds meer gegevens naar buiten over de werkwijze van de SIFAR en over Piano Solo. De kwestie raakte tevens verweven met een conflict tussen De Lorenzo, die inmiddels chef van de generale staf van het leger was geworden, en generaal Giuseppe Aloia, chef van de generale staf van de gezamenlijke strijdkrachten. Tijdens deze controverse werden bijzonderheden bekend over wat in latere onderzoeken als ontsporingen binnen de SIFAR werd beschouwd.
Volgens Boatti stelden verschillende ministeriële onderzoekscommissies en vervolgens een parlementaire enquête zowel de omvangrijke politieke dossiervorming door de SIFAR als het bestaan van Piano Solo vast. In die samenvatting wordt het plan omschreven als een mogelijk instrument waarmee de Carabinieri in het politieke leven van het land hadden kunnen interveniëren.
Het Italiaanse parlement stelde bij wet van 31 maart 1969 een speciale onderzoekscommissie in naar de gebeurtenissen van juni en juli 1964. De commissie, onder voorzitterschap van Giuseppe Alessi, legde haar eindrapport op 15 december 1970 aan de beide kamers van het parlement voor.
De kwalificatie van de gebeurtenissen van 1964 is in de geschiedschrijving niet eenduidig. De biografie van Boatti beschrijft Piano Solo op basis van de onderzoeken als een mogelijk middel voor politieke interventie door de Carabinieri. Faini gaat in een peer-reviewed studie uit 2016 verder en behandelt de gebeurtenissen als een coup manqué. Hij betoogt daarbij dat het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken en de CIA de plannen en de politieke situatie in Italië destijds onvoldoende doorgrondden.
Chef van de generale staf Op 1 februari 1966 werd De Lorenzo benoemd tot chef van de generale staf van het Italiaanse leger. In die functie kwam hij tegenover generaal Giuseppe Aloia te staan. Hun geschil betrof onder meer verschillen van inzicht over de rol van de krijgsmacht bij binnenlandse veiligheid en ontwikkelde zich tot een bredere institutionele en persoonlijke confrontatie.
Tegen de achtergrond van de onthullingen over de SIFAR en de groeiende controverse rond De Lorenzo besloot de Italiaanse ministerraad dat hij zijn functie moest neerleggen. Op 15 april 1967 werd hij als chef van de generale staf opgevolgd. Vervolgens kreeg hij bijzondere taken bij het ministerie van Defensie; zijn militaire loopbaan eindigde formeel in 1970.
Politieke loopbaan Bij de Italiaanse parlementsverkiezingen van 1968 stelde De Lorenzo zich kandidaat in het kiesdistrict Rome voor de monarchistische Partito Democratico Italiano di Unità Monarchica (PDIUM). Hij werd gekozen in de Kamer van Afgevaardigden. Tijdens de vijfde zittingsperiode maakte hij deel uit van de parlementaire defensiecommissie.
Op 7 mei 1972 werd hij herkozen, ditmaal op de lijst van het Movimento Sociale Italiano – Destra Nazionale (MSI-DN). Ook tijdens deze zittingsperiode was hij lid van de defensiecommissie.
De Lorenzo overleed op 26 april 1973 in Rome, 65 jaar oud. Zijn parlementaire mandaat eindigde door zijn overlijden.
Onderscheidingen De Lorenzo ontving voor zijn militaire loopbaan onder meer de zilveren medaille voor militaire moed (Medaglia d'Argento al Valor Militare). Hij werd tevens benoemd tot ridder-grootkruis in de Orde van Verdienste van de Italiaanse Republiek.
Categorie:Politie in Italië Categorie:Italiaans politicus