Dawsonne Drake (1724 - Madras, 1781) was een Britse civiel ambtenaar en bestuurder in dienst van de Britse Oost-Indische Compagnie. Hij was gedurende ongeveer twintig jaar bestuurder van White Town, het Europese stadsdeel van Madras, voordat hij in 1762 werd aangewezen als toekomstig bestuurder van de door de Britten te veroveren Filipijnen. Na de verovering van Manilla werd hij benoemd tot gouverneur van de Filipijnen en kreeg hij samen met de Manila Council de verantwoordelijkheid voor het Britse civiele bestuur. Zijn bestuur werd gekenmerkt door conflicten met zowel de Spaanse bevolking als Britse militaire en maritieme bevelhebbers. In 1764 werd hij als gouverneur afgezet en keerde hij terug naar Madras, waar hij later werd aangeklaagd wegens onder meer onbehoorlijk bestuur en financiële onregelmatigheden.
Levensloop Vroege levensloop thumb|Fort St. George in Madras (1754) Over de vroege levensloop van Drake is weinig bekend. Hij werd in 1724 geboren als zoon van George en Sophia Drake. Drake trad op achttienjarige leeftijd, hij gedurende twintig jaar het bestuur over White Town, het Europese stadsdeel rond Fort St. George in Madras. In 1755, op 31-jarige de leeftijd, werd hij manager van een handelspost van de Compagnie in Devikottai. Daar raakte hij verwikkeld in een conflict met de directie nadat hij weigerde gevolg te geven aan een overplaatsing naar Sumatra. Hij beriep zich daarbij op een slechte gezondheid en op het ongezonde klimaat van het eiland. Hoewel hij aanvankelijk werd ontslagen, werd hij later met steun van invloedrijke vrienden of familieleden opnieuw in dienst genomen. Tegen de tijd van de Britse expeditie naar de Filipijnen maakte Drake deel uit van de raad van Fort St. George in Madras. (1885), Record of Services of the Honourable East India Company's Civil Servants in the Madras Presidency from 1741 to 1858, p. 46, online via deze link La toma de Manila de 1762, Ministerio de Cultura, geraadpleegd op 13 augustus 2026 , p. 140.
Benoeming in Manilla thumb|Een kaart van de aanval op Manilla In het kader van de Zevenjarige Oorlog stuurden de Britten in 1762 een expeditie naar de Filipijnen om de Spaanse kolonie aan te vallen. De Britse Oost-Indische Compagnie in Madras had daarbij niet alleen plannen voor de militaire verovering, maar ook voor het bestuur van het gebied na de inname van Manilla. De Compagnie was van plan een van haar civiele ambtenaren als gouverneur van de kolonie aan te stellen. De keuze viel op Drake, die met de Britse vloot naar de Filipijnen was meegereisd en was aangewezen als toekomstig civiel bestuurder., p. 139–140.
Tijdens de aanval op Manilla bleef Drake aan boord van een van de Britse schepen. Pas vier dagen na de verovering ging hij voor het eerst aan land. Volgens de instructies die William Draper van de directie van de Oost-Indische Compagnie in Madras had ontvangen, moest hij het bestuur van de kolonie aan Drake overdragen zodra de militaire verovering was voltooid. Draper wachtte echter nog 25 dagen voordat hij deze overdracht uitvoerde., p. 139–140.
Volgens de instructies die Draper van de directie van de Oost-Indische Compagnie in Madras had ontvangen, moest hij het bestuur van de kolonie na de verovering aan Drake overdragen. In een gesprek met Draper verlangde Drake echter dat hij samen met de Manila Council volledige zeggenschap zou krijgen over zowel het burgerlijk bestuur als de militaire aangelegenheden. Draper stemde hiermee in, omdat hij op dat moment niet voorzag welke moeilijkheden deze regeling zou veroorzaken. De daadwerkelijke overdracht van het bestuur vond vervolgens pas 25 dagen na de verovering plaats., p. 140.
De installatie van Drake als plaatsvervangend gouverneur vond plaats tijdens een formele ceremonie in het gouverneurspaleis, waarbij Draper, admiraal Samuel Cornish, Drake en leden van de Manila Council aanwezig waren. Britse militairen brachten een saluut van vijftien kanonschoten. Ook aartsbisschop Manuel Rojo, leden van de Audiencia van Manilla en vooraanstaande leden van de Spaanse gemeenschap waren bij de ceremonie aanwezig., p. 140–141.
Bestuur van Manilla thumb|Een kaart van Manilla (1762) Drake kreeg na zijn aantreden te maken met weerstand onder de bevolking van Manilla. Niet iedereen was bereid het Britse gezag te erkennen en ook geestelijken probeerden de bevolking ertoe te bewegen zich tegen de Britse bezetting te verzetten. Buiten de hoofdstad bleef het Spaanse bestuur bovendien voortbestaan onder leiding van Simón de Anda, die vanuit de provincies het verzet tegen de Britse bezetting organiseerde. Ook geestelijken verzetten zich tegen het Britse bestuur. Zij hadden grote invloed op de bevolking en probeerden deze ertoe te bewegen de Britse bezetting tegen te werken., p. 141.
Drake richtte na zijn aanstelling het Britse civiele bestuur van Manilla in. Peter Poveny werd benoemd tot burgemeester van Manilla en luitenant MacKane werd zijn adjudant. William Stevenson werd aangesteld als stadsingenieur. De Engelsman James Kennedy, die bekend was met de Chinese gemeenschap van Manilla, werd belast met het bestuur van de Parián. Daar woonden volgens de schatting van het Britse bestuur ongeveer 7.000 Chinezen. Kennedy handhaafde het bestaande bestuurssysteem van de Chinese gemeenschap en stelde daarnaast Chinese functionarissen aan, die als cabecillas rechtstreeks aan hem rapporteerden., p. 142.
De Manila Council hield toezicht op het bestuur en rapporteerde aan de Oost-Indische Compagnie in Madras, waarvan de president en raad van Fort St. George het hoogste bestuur vormden. Hoewel Drake in Manilla en Cavite vrijwel de volledige bestuurlijke macht bezat, moest hij op bepaalde terreinen zijn bevoegdheden delen met de Manila Council. Binnen de Council werden verschillende commissies ingesteld, waaronder een Committee of Accounts, een Committee of Works en een Committee of Appeals. Ook werden er functionarissen aangesteld die verantwoordelijk waren voor de sanitaire toestand van Manilla en de stedelijke orde., p. 142.
Economisch beleid Drake wilde de veroverde kolonie omvormen tot een winstgevende onderneming voor de Oost-Indische Compagnie. Het Britse bestuur richtte zich daarbij op het bevorderen van de handel in de Filipijnen en de omliggende regio en op het verkrijgen van inkomsten voor de Compagnie. Omdat de Manillagaljoenenhandel door de Britse verovering grotendeels was stilgevallen, probeerde Drake nieuwe handelsmogelijkheden te ontwikkelen., p. 142–143.
Om de productie en handel te stimuleren stelde Drake verschillende monopolies in. Deze hadden onder meer betrekking op betelnoot, wijn en varkensvlees. Daarnaast probeerde hij de handel met Chinese kooplieden te stimuleren en verlaagde de Manila Council in maart 1763 de douanerechten tot een vast tarief van vijf procent. Drake moedigde ook de handel met China aan en wees op producten als rijst, tabak, cacao, kokosnoten, katoen, peper, indigo, suiker en goud als mogelijke exportproducten., p. 143.
De economische plannen werden echter bemoeilijkt door de hoge kosten van het Britse bestuur. De Britten moesten onder meer de garnizoenen in Manilla en Pasig onderhouden en de schepen in Cavite laten repareren en bevoorraden. Daarnaast moesten zij de militaire operaties tegen het verzet van Anda financieren. De inkomsten uit belastingen en douanerechten waren onvoldoende om de uitgaven te dekken, waardoor het Britse bestuur geld moest lenen van kooplieden en kapiteins van schepen., p. 144–146.
Drake probeerde daarnaast de handel en de Britse positie buiten Manilla te versterken. Zo sloot hij op 23 februari 1763 een verdrag met sultan Alimud Din I van Sulu. Het verdrag voorzag onder meer in samenwerking tussen het Sultanaat van Sulu en de Oost-Indische Compagnie en in mogelijkheden voor Britse handel en vestigingen in de Sulu-eilanden. De overeenkomst was onderdeel van Drakes poging om de Britse aanwezigheid in de regio uit te breiden., p. 149–150.
Losgeld en inbeslagnames Een belangrijk financieel probleem vormde het losgeld dat de Spanjaarden na de capitulatie van Manilla hadden toegezegd. Het bedrag van vier miljoen Spaanse dollars werd slechts gedeeltelijk betaald. Drake en de Manila Council probeerden het nog verschuldigde bedrag bij de Spaanse bevolking en de geestelijkheid te innen. Uiteindelijk werden grote bedragen aan contant geld en waardevolle voorwerpen verkregen van onder meer aartsbisschop Rojo, geestelijken, religieuze orden en van Spaanse families., p. 147–148.
Ook bezittingen van Spanjaarden die zich bij het verzet van Anda hadden aangesloten, werden in beslag genomen en verkocht. De bezittingen van de augustijnen, die zich tegen het Britse bestuur verzetten, werden eveneens geconfisqueerd. Hun huizen en landerijen werden vervolgens aan nieuwe gebruikers verhuurd. Ook de bibliotheken van de augustijnse kloosters werden verkocht; een deel van de documenten kwam uiteindelijk in handen van de Britse ambtenaar Alexander Dalrymple., p. 145–146.
Het incident rond César Fayette Een ander conflict ontstond rond de Fransman César Fayette, die tijdens de verdediging van Manilla aan Spaanse zijde had gevochten. Admiraal Cornish wilde Fayette laten arresteren en naar Madras laten overbrengen om daar terecht te staan. Drake weigerde hieraan mee te werken, omdat hij Fayette inmiddels als persoonlijk adviseur in dienst had genomen., p. 150.
Toen majoor Fell uiteindelijk naar het gouverneurspaleis werd gestuurd om Fayette te arresteren, ontstond een confrontatie tussen Fell en Drake. Drake trok zijn zwaard en dreigde Fell aan te vallen. Fell wist vervolgens een musket van een van zijn soldaten te pakken en stond op het punt Drake neer te schieten voordat de twee mannen door hun begeleiders uit elkaar werden gehaald. Fayette werd vervolgens gearresteerd en aan kapitein Brereton overgedragen voor transport naar Madras., p. 151–152.
Na het conflict rond Fayette nam de tegenstelling tussen Drake enerzijds en de Britse militaire leiding anderzijds verder toe. Kapitein Brereton nam ontslag als commandant van Cavite en verschillende Britse officieren raakten gefrustreerd door Drakes bestuurlijke optreden. Nadat Cornish, Fell en Brereton uit Manilla waren vertrokken, had Drake in Manilla en Cavite vrijwel volledige vrijheid van handelen. Alleen de Manila Council vormde nog een belangrijke beperking van zijn macht. De tegenstellingen tussen het civiele bestuur enerzijds en de militaire en maritieme autoriteiten anderzijds hadden inmiddels echter voor grote spanningen gezorgd., p. 152.
Het Spaanse verzet thumb|Simón de Anda leidde het Spaans verzet De Britse militaire aanwezigheid bleef beperkt tot Manilla en Cavite. Nadat admiraal Cornish in maart 1763 met een groot deel van de vloot en de troepen naar Madras was teruggekeerd, bleef in de Filipijnen slechts een beperkte Britse strijdmacht achter. Deze was nauwelijks in staat om de twee steden te verdedigen en bood al helemaal onvoldoende mogelijkheden om het Britse gezag naar de provincies en andere eilanden uit te breiden. De Britse garnizoenen kampten bovendien met desertie, ziekte en sterfte, terwijl versterkingen vanuit Madras uitbleven. Drake en de Manila Council namen verschillende maatregelen om de desertie tegen te gaan. Zo werden Chinese soldaten ingezet om langs de Pasig deserteurs te onderscheppen, werden de lonen van Indiase soldaten en lascars verhoogd en werd een beloning uitgeloofd voor informatie over voorgenomen deserties., p. 149, 157.