thumb|right|300px|Mechanische beweging van de chela, met aanduiding van de verschillende onderdelen. Met de term chela (meervoud: chelae) wordt de tangvormige eindstructuur aan de voorste ledematen van geleedpotigen bedoeld. - Chela. In: Crustacea Glossary. Natural History Museum Los Angeles County Het anatomisch onderdeel wordt, afhankelijk van de ontwikkelingswijze, ook wel aangeduid als schaar of klauw, en bestaat uit een vaste en een beweegbare vinger die samen functioneren als een biomechanisch grijpapparaat. De naam 'chela' is afgeleid van het Oud-Griekse khēlḗ (χηλή), hetgeen klauw betekent. (2003) - A Dictionary of Entomology, CAB International, p. 182.
De chela ontstaat door gespecialiseerde differentiatie van ten minste twee distale podomeren van de voorste looppoten (pereopoden). Algemeen worden de tot grijppoten vervormde pereopoden aangeduid als gnathopoden. Het terminale segment vormt een mobiele, klauwachtige eenheid die het openen en sluiten van de chela mogelijk maakt; dit deel wordt de beweegbare of vrije vinger (dactylus) genoemd. Het basale segment, waarin de spieren liggen die deze beweegbare vinger aandrijven, draagt een klauwvormige uitgroei die de gefixeerde vinger wordt genoemd. Deze gefixeerde vinger is gepositioneerd in de richting waarin de beweegbare vinger sluit, zodat beide vingers samen functioneren als een pincetachtig grijporgaan.
Chelae komen voor bij uiteenlopende groepen, waaronder kreeftachtigen, spinachtigen en insecten, en vertonen een grote variatie in morfologie, mechanische efficiëntie en functie. Door deze diversiteit worden chelae beschouwd als een schoolvoorbeeld van convergente evolutie, waarbij vergelijkbare grijpinstrumenten onafhankelijk zijn ontstaan in meerdere fylogenetische lijnen.
Ontwikkeling en morfogenese Chelae ontstaan tijdens de embryonale en post‑embryonale ontwikkeling door differentiatie van de distale endopodietsegmenten. De vorming van een chela vereist: Segmentale patroonvorming via hoxgenen Asymmetrische celproliferatie die leidt tot een gefixeerde en een beweegbare vinger Sclerotisatie waarbij chitine wordt versterkt door crosslinking van cuticulaire eiwitten Neuromusculaire integratie: motorische zenuwcellen innerveren gespecialiseerde flexor‑ en extensorspieren die de beweegbare vinger aansturen
Bij kreeftachtigen vindt de chelavorming plaats tijdens de larvale stadia, terwijl bij spinachtigen de cheliceren al vroeg in de embryogenese worden aangelegd.
Biomechanica en functionele morfologie De mechanische prestaties van de chelae worden bepaald door de morfologie van het grijporgaan. De beweegbare vinger functioneert als een tweedelige hefboom, waarbij de hefboomkracht afhankelijk is van de lengte van de apodeme insertie (de verankering van het exoskelet in het interne weefsel), de hoek van de gewrichtsrotatie en de sclerotisatiegraad van de cuticula. Krabben zoals de noordzeekrab (Cancer pagurus) genereren knijpkrachten tot 1800 N, vergelijkbaar met de beetkracht van middelgrote zoogdieren.
Verder kan de microstructuur van het orgaan sterk variëren: de chelae kunnen bestaan uit lamellaire chitinelagen, die zorgen voor de nodige flexibiliteit. Calcificatie treedt op bij decapoden en zorgt voor compressieweerstand. Verder kunnen de grijporganen voorzien zijn van setae (sensorische borstelharen) voor de tastzin, en bevatten ze soms poriën verbonden met klieren (zoals gifklieren bij bastaardschorpioenen).
De chelae onderscheiden zich in diverse specialisaties: Bij krabben en kreeften is de gefixeerde vinger doorgaans breed en sterk uitgebouwd, waardoor de chelae een hoge compressiekracht hebben en objecten dus kunnen verbrijzelen. Bij garnalen dienen de chelae om te kunnen snijden en bezitten ze dus een eerder slanke opbouw met scherpe randen. Bij pistoolgarnalen kunnen de chelae zo snel dichtklappen dat het water tussen de schaarhelften wegspuit en er door onderdruk een vacuümbel ontstaat die dan met een knal implodeert, hetgeen prooien kan doden. Bij schorpioenen zijn de chelae geoptimaliseerd voor het in bedwang houden van een prooi.
Variante typen Terminale podomeren die kunnen terugplooien tot het voorlaatste podomeer worden ook wel subchelae genoemd, en komen voor bij onder andere bidsprinkhanen (Mantodea) en dierluizen (Phthiraptera). Ook de cheliceren, de mondklauwen van spinnen, behoren tot deze subgroep. In het geval er een meer klauwachtige structuur aanwezig is, waarbij de waarbij de gefixeerde vinger wordt gevormd door een uitsteeksel van het vijfde pootsegment (de carpus) in plaats van het zesde segment (de propodus), wordt gesproken over carpochelae. Deze komen voor bij onder andere naaldkreeftjes en vlokreeften.
350px|left|Gnathopoden morfologie bij vlokreeftjes
Fylogenetische verspreiding en evolutie thumb|right|250px|Vrouwelijk exemplaar van de tangwesp Bocchus thorpei, een zeldzaam voorbeeld van een insect met goed ontwikkelde chelae. Chelae zijn polyfyletisch: ze zijn minstens acht keer onafhankelijk geëvolueerd binnen de stam der geleedpotigen. In hoofdzaak komen ze voor bij kreeftachtigen (Crustacea) en bij gifkaakdragers (Chelicerata). De diversiteit van chelae binnen de tienpotigen wordt gezien als een sleutelinnovatie die heeft bijgedragen aan hun ecologische succes. Moleculaire fylogenie toont dat chelae bij krabben en kreeften meerdere keren zijn vergroot of gereduceerd in verband met niche‑specialisatie. Sommige kreeftachtigen, zoals langoesten, hebben geen chelae.
Cheliceren, de mondklauwen van spinachtigen, met chelae zijn een synapomorfie van vroege gifkaakdragers. De overgang van chelate naar subchelate cheliceren bij spinnen wordt beschouwd als een belangrijke stap in de evolutie van het afgiftesysteem van spinnengif.
Naast kreeftachtigen komen goed ontwikkelde chelae bij andere diersoorten weinig voor. De sporadische aanwezigheid van chelae bij duizendpotigen (Myriapoda) en bepaalde insecten wordt gezien als convergente adaptatie voor predatie of parasitisme.
Ecologische en gedragsbiologische functies Chelae worden in hoofdzaak gebruikt bij de predatie, met name voor de immobilisatie van prooien, de manipulatie van voedsel en de mechanische verwerking (knippen, scheuren, kraken). Bij schorpioenen is de chela essentieel voor het vasthouden van prooi tijdens het injecteren van neurotoxisch gif.
Vergrote chelae functioneren als wapens en ornamenten: mannetjes van de wenkkrabben gebruiken hun grote chela voor visuele signalering dreiggedrag. Bij kreeften correleert de chelagrootte met dominantiehiërarchie.
Verder worden chelae worden gebruikt voor communicatie tussen individuen: dit kan door ritmische bewegingen, maar ook door het sturen van akoestische signalen (zoals bij pistoolgarnalen).
Bij sommige taxa worden chelae gebruikt om partners vast te houden tijdens de paring of om spermapakketten te manipuleren.
Categorie:Anatomie van geleedpotigen