Antonio Boggia (Urio, 3 oktober 1769 – Amsterdam, 8 oktober 1844) was een Nederlands beeldengieter, gespecialiseerd in het vervaardigen van gipsen beelden. Vanuit zijn geboorteplaats Urio aan het Comomeer kwam hij naar Amsterdam in een periode waarin het neoclassicisme de overheersende kunststroming was. Er was in die tijd veel vraag naar gipsen beelden met klassieke voorstellingen.
Antonio begon rond 1794 in Amsterdam als leerling en was in 1805 uitgegroeid tot een volleerd beeldengieter. Op 28 mei van dat jaar slaagde hij voor zijn meesterproef voor het Sint-Lucasgilde. Hij bracht zijn bedrijf tot grote bloei en verkreeg landelijke bekendheid.
Leven en werk Italiaanse periode 1769–1794 thumb|Doopakte Antonio Boggia, oktober 1769 Antonio werd op de avond van dinsdag 3 oktober 1769 geboren in Urio, in een boerenfamilie. Zijn vader was Abbondio Boggia en zijn moeder Lucretia Bianchi. De volgende ochtend werd hij gedoopt in het kerkje van Urio, de Santi Martiri Quirico e Giulitta. Zijn doopnamen waren Franciscus Antonius Abbondius.
De gegevens uit de kerkboeken laten zien dat in ieder geval zijn vader, grootvader en overgrootvader eveneens in Urio waren geboren. Urio ligt in de regio Lombardije, die van 1713 tot 1796 onder het bestuur van de Habsburgers stond. Onder keizerin Maria Theresia van Oostenrijk werden door ambtenaren de eerste kadasters opgesteld. Uit de gegevens van het eerste kadaster, dat rond 1740 werd opgesteld, blijkt dat de voorvaderen van Antonio allemaal boer en eigenaar waren. Hun totale grondbezit bedroeg ongeveer één tot anderhalve hectare. De grond werd gebruikt als weidegrond en voor de verbouw van druiven en graan.
In het gezin werden twaalf kinderen geboren. Antonio was het zevende kind. Alle jongens die vóór hem werden geboren, overleden op zeer jonge leeftijd. Om economische redenen werd het boerenbedrijf niet over de kinderen verdeeld. De oudste zoon had daarbij de meeste rechten. Toen vader Abbondio in 1791 overleed, waren het echter jongere broers die het boerenbedrijf overnamen. Antonio werd geen boer.
Het is mogelijk dat Antonio in deze jaren al voor een beeldenmaker werkte. De echtgenoot van zijn peettante was namelijk een beeldhouwer, . Salterio woonde met zijn gezin in Laglio, niet ver van Urio.
Ook waren er in deze periode al Italianen uit het gebied rond het Comomeer naar Amsterdam vertrokken. Een bekende Italiaanse familie in Amsterdam was bijvoorbeeld de familie Brentano, afkomstig uit Tremezzo.
Zo vertrok Antonio in 1794 vanuit Urio naar Amsterdam. Volgens een bron bij het Stadsarchief Amsterdam legde hij de ongeveer duizend kilometer lange reis lopend af in een maand tijd. Eenmaal in Amsterdam werd hij opgevangen door de familie Grisanti, die eveneens uit de regio Lombardije afkomstig was.
Beginjaren in Amsterdam 1794–1805 In Amsterdam ging Antonio als leerling-gipswerker aan de slag bij de familie Grisanti. Hij woonde in een kamer in het logement De Laatste Wijnberg aan de Warmoesstraat, vlak bij de werkplaats van Grisanti.
In het najaar van 1795, nadat de Fransen in Amsterdam de macht hadden overgenomen, trouwde de 25-jarige Antonio met Maria Beereboom.Ondertrouwakte 1795, Stadsarchief Amsterdam Maria was wees en woonde bij haar stiefmoeder aan de Baangracht, nu Lijnbaansgracht. Waarschijnlijk trok Antonio na zijn huwelijk bij hen in.
In 1796 werd hun eerste kind geboren, Bondius Franciscus Antonius. Het werd gedoopt in de kerk De Toren aan het Singel. Antonio en Maria kregen in totaal negen kinderen, verspreid over een periode van achttien jaar. Drie van hun kinderen overleden voordat zij de leeftijd van vijf jaar hadden bereikt. In 1805 was Antonio inmiddels een volleerd beeldengieter. Op 28 mei van dat jaar slaagde hij voor zijn meesterproef voor het Sint-Lucasgilde.Jaarboek Amstelodamum 1964, pag. 167, verwerven meesterschap Sint Lucasgilde. Al in de jaren daarvoor had hij echter naam gemaakt als beeldengieter en was hij een veelgevraagd vakman. In Rotterdam kreeg hij opdrachten van de Academie van Beeldende Kunsten en in Amsterdam werkte hij voor de sociëteit Felix Meritis. In het Stadsarchief Amsterdam zijn vele facturen en kasboeken van Felix Meritis gearchiveerd. Bijgevoegd is een betaling van f 12,- uit 1814 voor het schoonmaken van de gipsen beelden.Kasboek Felix Meritis 1814, Stadsarchief Amsterdam
Winkel in de Kalverstraat 1806–1820 De zaak van Antonio floreerde. Hij kreeg landelijke bekendheid en verwierf uiteenlopende opdrachten. Het neoclassicisme was in deze periode de overheersende kunststroming en er was veel behoefte aan klassieke beelden. Ook bestaande beelden moesten worden onderhouden en gerestaureerd.
In De Gids van 1867, een tijdschrift dat onder anderen door schrijver en dichter E.J. Potgieter was opgericht, wordt een beeld geschetst van de interieurs waarin dergelijke beelden een plaats konden krijgen. Daarin wordt geschreven: “Op de vensterbanken zoudt ge des zomers noch des winters vergeefs zoeken naar bloem of plant. Boggia zou een paar bustes van groote mannen of edele vrouwen, of de een of andere groep ter versiering van schoorsteenmantel of boekenrek moeten leveren.”
Antonio was inmiddels succesvol genoeg om in 1806 een pand aan te kopen aan de Kalverstraat, op de hoek van de Taksteeg.Aankoop Kalverstraat 1806, Stadsarchief Amsterdam De Kalverstraat stond bekend om de vele Italiaanse winkeliers die er luxe goederen verkochten. In de negentiende eeuw waren hier onder meer winkels gevestigd van Buffa, die onder andere prenten verkocht, Truffino en Ciovino, die zich onder meer met juwelen bezighielden, Lurasco met klokken en Tognacca, Cossa en Ronca. Buti en Barelli verkochten onder andere barometers.
thumb|Beeldenzaal van Felix Meritis, met werk van Antonio Boggia Antonio onderhield langdurige contacten met de Academie van Beeldende Kunsten in Rotterdam en met de Amsterdamse sociëteit Felix Meritis.
In de periode 1806–1810 was Lodewijk Napoleon koning van het Koninkrijk Holland. Voor de verfraaiing van zijn Paleis op de Dam liet de koning bijvoorbeeld een keer 193 beelden en vazen vervaardigen. Antonio Boggia werd hofleverancier.
In 1814 werd het negende en laatste kind, Bartholomeo Francisco, geboren. Voor de Sint-Willibrorduskerk in Esch in Noord-Brabant leverde Antonio drie engelenbeelden voor het orgel.
Firma Antonio Boggia & Zoon 1821–1844 Toen de oudste zoon Bondius op 15 augustus 1821 trouwde, werd de naam van het bedrijf gewijzigd in Antonio Boggia & Zoon.
In datzelfde jaar verscheen het eerste Nederlandse vrouwentijdschrift, Penélopé. In een van de eerste uitgaven werd vermeld dat “de vormen voor vruchten van was in alle soorten te bekomen zijn bij den Heer Boggia, in de Kalverstraat”.Google Books 1822 Dit laat zien dat het bedrijf zich niet uitsluitend bezighield met beelden, maar ook andere producten en vormen vervaardigde. Antonio was een goed Nederlands onderdaan. Koning Willem I investeerde veel in het land en maakte daarvoor grote schulden, ook bij het bedrijfsleven en de burgerij. Tot de personen die geld aan de overheid hadden uitgeleend behoorde ook Antonio. In 1822 kon hij in Den Haag een bewijs van verevening ophalen in het kader van de regeling die bekendstond als de “Nederlandschen Achterstand”.
Wanneer er een landelijke tentoonstelling werd georganiseerd, was ook Antonio Boggia regelmatig vertegenwoordigd met een inzending.
Op 3 januari 1829 overleed een van de grootste acteurs van Nederland toendertijd, Andries Snoek. Antonio was er snel bij: op 28 maart stond volgens een advertentie in de Opregte Haarlemsche Courant al een buste van de overleden acteur in zijn etalage te koop.Buste Andries Snoek, Opregte Haarlemsche Courant 1829
thumb|Dodenmasker van Bilderdijk (1831) door Boggia Op 18 december 1831 overleed de op dat moment bekendste dichter van Nederland, Willem Bilderdijk. Antonio kreeg de eervolle opdracht om van het doodsgelaat van Bilderdijk een gipsen afgietsel te maken. Hij was de eerste die een dergelijk afgietsel in Nederland vervaardigde. Naast het gelaat maakte Antonio ook een afgietsel van Bilderdijks rechterhand, de hand waarmee hij schreef.
thumb|Afgietsel van de hand van Bilderdijk De afgietsels van het gezicht en de hand zijn nog steeds te zien in het Bilderdijkmuseum van de Universiteit Leiden. Daarnaast werd een buste van Bilderdijk vervaardigd en te koop aangeboden.Buste Bilderdijk, Opregte Haarlemsche Courant, 1834
In 1835 maakte Antonio een afgietsel van het hoofd van Bacchus. Dit hoofd bevindt zich in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden en was bestemd voor een museum in Berlijn. In 1840 leverde Antonio meer dan manshoge beelden van de apostelen Petrus en Paulus voor de nieuwe katholieke Waterstaatskerk in Den Helder.
Dat jaar trad koning Willem I af en werd hij opgevolgd door zijn zoon Willem II. Op 28 november werd Willem II in Amsterdam ingehuldigd in de Nieuwe Kerk. De koninklijke koets reed door de Kalverstraat. Op de hoek van de Taksteeg zag de nieuwe koning in de etalage van Antonio een ‘welgelijkend borstbeeld’ van zichzelf. Dit nieuws werd prominent vermeld op de voorpagina van het Algemeen Handelsblad.Intocht Willem II, Algemeen Handelsblad 1840
Het overlijden van Antonio in 1844 Op dinsdag 8 oktober 1844 overleed de inmiddels 75-jarige Antonio Boggia.Overlijdensacte 1844, Stadsarchief Amsterdam Rond zijn sterfbed zal een groot deel van zijn familie aanwezig zijn geweest. Dat waren zijn vrouw, vijf van zijn negen kinderen, drie schoondochters en dertien kleinkinderen. In totaal bestond deze familiekring uit 22 personen.
Antonio had op verschillende manieren actief deel uitgemaakt van de samenleving van zijn tijd. Hij was maatschappelijk actief en speelde ook binnen zijn familie een belangrijke rol. Zo trad hij bij verschillende gelegenheden op als doopgetuige en als executeur-testamentair. Uit zijn testament blijkt bovendien dat al zijn kinderen geld van hem hadden geleend. Van eenvoudige boerenzoon was Antonio een gewaardeerd lid van de gegoede burgerij geworden.
Voortzetting van de firma door oudste zoon Bondius Na het overlijden van Antonio werd de onderneming voortgezet door zijn oudste zoon Bondius. Bij de intocht van prins Willem III in 1849 stonden, net als bij de intocht van prins Willem II in 1840, opnieuw beelden van de Oranjekoningen in de etalage van de winkel aan de Kalverstraat.
Bondius overleefde zijn vader echter niet lang. Hij overleed in 1856 op relatief jonge leeftijd en liet geen opvolger na. De firma werd daarop verkocht aan de bekende concurrent Grisanti.
Betekenis van de naam Boggia De naam Boggia komt oorspronkelijk veel voor in Noord-Italië, met name in het gebied rond het Comomeer en in Ticino, het Italiaanstalige kanton van Zwitserland. In Ticino wordt onderzoek gedaan naar dialecten.Vocabolario dei Dialetti della Svizzera Italiana. Lugano, 1963. In deze dialecten komen de namen Boggia en Bogia voor. De naam heeft daar de betekenis van de persoon die verantwoordelijk is voor een juiste verdeling van de opbrengsten van melk en kaas wanneer de koeien in de zomer op de Alpenhellingen worden geweid.
Publicaties over Antonio Boggia M.M.J. Hoogenbosch: Twaalf eeuwen katholicisme aan het Marsdiep. Den Helder, 1966 Wilma van Giersbergen: 'De gipscollectie van de Academie van Beeldende Kunsten te Rotterdam'. In: Rotterdams Jaarboekje, 2004 F.T.J. Godin: Antiquity in plaster. Amsterdam, Universiteit van Amsterdam, 2009. (Digitale tekst) Jeroen Boggia: 'Een Italiaanse stamvader'. In: Gens Nostra, 2021, nr 6 Maarten Hell: 'Boggia's beeldenparadijs'. In: Ons Amsterdam, 2026, nr. 2
Externe link Website over Antonio Boggia en zijn afstammelingen Bericht van Orgelnieuws.nl, 1814
Categorie:Italiaans ondernemer