De Mouvement Chrétien des Indépendants et des Cadres (MIC) (Nederlands: Christelijke Beweging van Onafhankelijken en Bestuurders) was een Belgische christendemocratische belangen- en drukkingsgroep die op 17 april 1955 werd opgericht en vooral aan Franstalige zijde van de toenmalige unitaire CVP-PSC actief was.“Les structures catholiques belges. Le Mouvement des indépendants et des cadres (MIC)”, Courrier hebdomadaire du CRISP, nr. 21, 1959, pp. 7–16, online.Jeffrey Obler, “Intraparty Democracy and the Selection of Parliamentary Candidates: the Belgian Case”, British Journal of Political Science, 4(2), 1974, pp. 163–185, doi:10.1017/S0007123400009455. De beweging richtte zich op zelfstandigen, eigenaars van kleine en middelgrote ondernemingen, beoefenaars van vrije beroepen en kaderleden en probeerde hun belangen binnen de christendemocratische politieke familie te bundelen.Dries Goedertier, “Een blinde vlek van de sociale geschiedenis? De strijd van vakbonden en werkgeversorganisaties om de kaders (1945-1974)”, Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, 52(3), 2022, pp. 87–118, met name p. 104 en p. 116, online. Het MIC wordt in de historiografie gesitueerd in de rechtervleugel van de PSC.Cécile Vanderpelen-Diagre en Caroline Sägesser, “La droite catholique belge francophone après 1945 : une minorité en résistance ?”, in Olivier Dard en Bruno Dumons (red.), Droites et catholicisme en France et en Europe des années 1960 à nos jours, Lyon: LARHRA, 2022, pp. 69–90, doi:10.4000/books.larhra.8346. In 1972 werd het MIC opgevolgd door het Centre Politique des Indépendants et Cadres Chrétiens (CEPIC).Peter Heyrman, “De katholieke en christendemocratische partijen”, in Patricia Van den Eeckhout en Guy Vanthemsche (red.), Bronnen voor de studie van het hedendaagse België, 19de-20ste eeuw, Brussel: VUBPress, 1999, pp. 773–774, online.Jacques Moden en Jean Sloover, “Le Centre politique des indépendants et cadres chrétiens (CEPIC)”, Courrier hebdomadaire du CRISP, nr. 787, 1978, 39 p., online.

Ontstaan Bij de oprichting van de CVP-PSC in 1945 was gekozen voor een unitaire ledenpartij waarin de leden individueel waren aangesloten. De vroegere katholieke standen waren formeel niet langer de bouwstenen van de partij, maar maatschappelijke organisaties en belangengroepen bleven in de praktijk invloed uitoefenen op haar werking en op de vertegenwoordiging van verschillende sociaal-economische groepen. Tegen die achtergrond ontstonden binnen en rond de partij verschillende groepen die een bepaalde maatschappelijke of politieke stroming wilden vertegenwoordigen.

Een directe voorgeschiedenis van het MIC lag bij het Rassemblement Social Chrétien de la Liberté (RSCL), een dissidente beweging rond onder anderen het Brusselse Kamerlid André Saint-Rémy. Na een tegenvallend verkiezingsresultaat in 1954 werd het RSCL opgeheven en keerde Saint-Rémy, samen met verschillende medestanders, terug naar de CVP-PSC. Historicus-archivaris Thomas Smets stelt vast dat verscheidene personen die Saint-Rémy tijdens het nationale partijcongres van november 1953 hadden gesteund, vervolgens de kern vormden van het MIC.Thomas Smets, Le Rassemblement Social Chrétien de la Liberté (1953-1955). Histoire d’une dissidence au sein du PSC-CVP, Centre d’Archives et de Documentation du CPCP, 2016, met name pp. 33–35, online.

Het MIC werd op 17 april 1955 opgericht op initiatief van Jean-Pierre de Crayencour, die secretaris-generaal van de beweging werd. Saint-Rémy maakte vanaf de oprichting deel uit van het politieke comité. Tot de personen uit dezelfde politieke omgeving behoorden onder anderen Paul Vanden Boeynants, Eugène Charpentier en Désiré Lamalle. Vanden Boeynants, die zelf uit de georganiseerde middenstand kwam, speelde eveneens een actieve rol in het MIC.Alain Colignon, “Paul Vanden Boeynants, homme politique et administrateur de sociétés”, Bulletin de la Classe des lettres et des sciences morales et politiques, 24, 2013, pp. 187–207, doi:10.3406/barb.2013.24070.

Doelgroep en positie binnen de CVP-PSC Het MIC wilde verschillende groepen samenbrengen die volgens zijn initiatiefnemers onvoldoende als afzonderlijke maatschappelijke kracht in de christendemocratie waren vertegenwoordigd. Goedertier beschrijft het als een erfgenaam van de katholieke opvatting van een maatschappij van het midden. De beweging rekende niet alleen zelfstandigen en eigenaars van kleine en middelgrote ondernemingen tot haar achterban, maar ook beoefenaars van vrije beroepen en kaderleden.

De politicoloog Jeffrey Obler plaatste het MIC in zijn analyse van de Belgische christendemocratische partijstructuren bij de organisaties van de middenklasse. Hij beschreef het MIC voor Wallonië als de tegenhanger van het Nationaal Christelijk Middenstandsverbond (NCMV) in Vlaanderen. Andere maatschappelijke groepen werden binnen dezelfde partijomgeving onder meer vertegenwoordigd door de arbeidersbewegingen ACW en MOC en door landbouworganisaties.

Het MIC probeerde de onvrede onder deze middengroepen te vertalen in politieke invloed binnen de CVP-PSC. Smets karakteriseert het daarom als een interne drukkingsgroep en wijst erop dat de beweging zich verzette tegen wat zij als de groeiende invloed van de vakbonden binnen de CVP-PSC en de Belgische samenleving beschouwde. In de formulering van Goedertier streefde het MIC naar een bundeling van burgerlijke middengroepen binnen de christendemocratische partij.

Wat de politieke positionering betreft, situeren de historici Cécile Vanderpelen-Diagre en Caroline Sägesser de leden van het MIC in de rechtervleugel van de PSC. Een verdergaande kwalificatie van het MIC als bijvoorbeeld extreemrechts is in de gebruikte wetenschappelijke literatuur niet voldoende eenduidig onderbouwd en dient onderscheiden te worden van de latere ontwikkeling en politieke omgeving van het CEPIC.

Omvang en politieke werking Het MIC bleef wat zijn formele ledental betreft een betrekkelijk beperkte organisatie. Historicus Alain Colignon schat dat de beweging maximaal ongeveer 2.000 leden heeft gehad. De betekenis van het MIC lag daardoor minder in een massale ledenorganisatie dan in zijn functie als netwerk en als drukkingsgroep in en rond de christendemocratische partij.

De werking beperkte zich niet uitsluitend tot sociaal-economische vraagstukken. Tijdens de Leuvense kwestie richtte het MIC bijvoorbeeld een Comité national de défense de Louvain op.“Evolution et implications de l'affaire de Louvain”, Courrier hebdomadaire du CRISP, 1967, online. Daarmee mengde de beweging zich ook in een van de belangrijkste communautaire conflicten die de unitaire CVP-PSC in de jaren 1960 onder druk zetten.

Het MIC trad zelf niet op als een zelfstandige electorale partij. Zijn voornaamste politieke strategie bestond uit belangenbehartiging en beïnvloeding binnen de christendemocratische partijstructuren. Die werkwijze sloot aan bij het bredere patroon waarbij sociale organisaties en politieke families, ondanks het formele individuele lidmaatschap van de CVP-PSC, invloed bleven uitoefenen op de selectie en positionering van kandidaten.

Overgang naar het CEPIC Na de opsplitsing van de unitaire CVP-PSC ontwikkelden zich binnen de Franstalige PSC meer expliciete politieke families en drukkingsgroepen. In 1972 werd het Centre Politique des Indépendants et Cadres Chrétiens (CEPIC) opgericht als vertegenwoordiging van zelfstandigen, middenstand en kaderleden. Heyrman omschrijft het CEPIC als in zekere zin de erfgenaam van het MIC, terwijl Goedertier het uitdrukkelijk de opvolger van het MIC noemt.

Het CEPIC zette daarmee de georganiseerde vertegenwoordiging van dezelfde brede middengroepen binnen de Franstalige christendemocratie voort. De geschiedenis van het CEPIC ontwikkelde zich nadien verder binnen de PSC en wordt als een afzonderlijk onderwerp behandeld.

Categorie:Politieke partij in de Franse Gemeenschap Categorie:Christendemocratie in België