Jozef Cornelis Marinus Chabot (Breda, 12 oktober 1892 – Den Haag, 9 september 1948) was een Nederlands officier van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL), die de rang van majoor der infanterie bereikte.Nationaal Archief, Den Haag, toegang 2.13.04, Stamboeken Officieren KNIL, inv.nr. 685, fol. 69, Jozef Cornelis Marinus Chabot. Van 1919 tot 1923 was hij gedetacheerd bij de landmacht in Suriname, waar hij onder meer adjunct-opperbrandmeester en adjudant van de gouverneur was. In 1938 werd hij als majoor benoemd tot bataljonscommandant.
Chabot was daarnaast sportbestuurder. Zijn betrokkenheid bij de oprichting van het Surinaamsch Sportcomité in 1920 gaf Chabot een plaats in de vroege geschiedenis van de georganiseerde sport in Suriname. Hij behoorde tot de zes oprichters van het comité en was een van de vier deelnemers aan de voorbereidende bespreking met gouverneur Gerard Johan Staal die rechtstreeks tot de oprichting ervan leidde.
De rol die het comité vervolgens in de Surinaamse sport speelde, is door sporthistoricus Ricky W. Stutgard als van historische waarde beschreven.
Familie en afkomst Chabot werd in Breda geboren als zoon van Lodewijk Chabot en Johanna Judith Gerardina Frens.Stadsarchief Breda, Burgerlijke Stand Breda, geboorteregister 1892, akte 668, Jozef Cornelis Marinus Chabot. Hij stamde uit een familie waarin gedurende meerdere generaties mannen in militaire dienst waren. Zijn achttiende-eeuwse voorouder Jean Baptiste Chabot diende in het Franse koninklijke leger en was met zijn gezin verbonden aan Tarason in de Provence (Frankrijk). Hij was gehuwd met Louise Boyer. Hun zoon Paul François Chabot werd in 1742 in het nabijgelegen Barbentane gedoop.Parochieregister Barbentane (Bouches-du-Rhône), 1742, doopinschrijving Paul François Chabot, zoon van Jean Baptiste Chabot en Louise Boyer. Franciscus Chabot diende bij de Waalse grenadiers van het Staatse leger en staat vermeld in de oorspronkelijke rangeerlijst van het derde bataljon Waalse grenadiers, in de compagnie van kolonel Pineda. Hij overleed op 29 april 1794 in de vestingstad Breda, tijdens de Eerste Coalitieoorlog. Rangeerlijst derde bataljon Waalse grenadiers, compagnie van kolonel Pineda; kerkelijke militaire registratie Franciscus Chabot, Breda, 1794. Jean Joseph Manuel Chabot, zoon van Franciscus Chabot en Barbara van den Broek, bevond zich in de jaren 1790 in Breda en was afkomstig uit Brugge. Hij was gehuwd met Cornelia Offermans en werkte als opperopziener der stedelijke belastingen. Uit dit huwelijk werd in 1817 te Breda Gerardus Josephus Chabot geboren. Diens zoon Lodewijk Chabot was de vader van Jozef Cornelis Marinus Chabot.
Chabot trouwde op 26 september 1918 in Den Haag met Petronella Johanna Weijne, een dochter van gymnastiekonderwijzer en dansinstituut eigenaar Willem Marinus Weijne en Henriette Wilhelmina Johanna Bijnevelt. Zij had twee broers, Johan en Hendrik Jan Weijne, en een zus, Henrietta Wilhelmina Johanna Weijne. Haar oudste broer Johan Weijne was evenals Chabot officier in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger en was later waarnemend districtscommissaris van Marowijne in Suriname. Onder zijn leiding werd vanuit Albina de later naar hem genoemde Luitenant Weyneweg aangelegd. Wijne liep in Suriname malaria op en zijn gezondheid ging achteruit. Hij overleed in oktober 1927 in Magelang. Haar andere broer, Hendrik Jan Weijne, vertrok naar Medan in Deli en werd plantageadministrateur op Noord-Sumatra. Hij kwam op 24 januari 1929 bij Bireuen om het leven toen zijn auto van de weg raakte, nog enige afstand door een bermsloot en over het omliggende terrein reed en uiteindelijk in een rijstveld omsloeg. Weijne was onderweg naar zijn vrouw, die na een operatie in het ziekenhuis van Bireuen verbleef; die dag waren zij precies vier jaar getrouwd.“Het auto-ongeluk van den heer Weijne”, Het Vaderland, 18 februari 1929.
Militaire opleiding en begin van de loopbaan Ook Jozef Cornelis Marinus Chabot koos voor een militaire loopbaan. In 1910 kwam Chabot in aanmerking voor plaatsing bij de Cadettenschool voor de dienst in Nederlands-Indië.Contemporaine krantenpublicatie, „Cadettenschool”, 1910, via Delpher. In 1912 werd hij als cadet voor het wapen der infanterie overgeplaatst naar de Koninklijke Militaire Academie. Op 3 maart 1916 werd Chabot benoemd tot tweede luitenant bij de infanterie van het leger in Nederlands-Indië. In 1918 werd hij ingedeeld bij de Koloniale Reserve en op 10 januari 1919 volgde zijn bevordering tot eerste luitenant.
Suriname Met ingang van 1 februari 1919 werd Chabot voor ten hoogste drie jaar gedetacheerd bij de landmacht in West-Indië. Op 5 april vertrok hij met het stoomschip Commewijne naar Suriname en op 2 mei kwam hij in Paramaribo aan. De Surinaamse almanak van 1920 vermeldt hem als J.C.M. Chabot, eerste luitenant der infanterie. De landmacht was gelegerd in Paramaribo, met detachementen in Nieuw-Nickerie en Albina.
Naast zijn militaire werkzaamheden vervulde Chabot een functie bij het brandwezen. Hij was adjunct-opperbrandmeester, terwijl kapitein H.L. Bierman als tijdelijk opperbrandmeester en chef van het brandwezen optrad. Het brandwezen was sinds januari 1919 onder militair beheer gebracht. De militaire brandweerafdeling was in Fort Zeelandia gestationeerd en stond rechtstreeks onder bevel van de adjunct-opperbrandmeester.
Tijdens zijn detachering woonde Chabot met zijn gezin aan het Gouvernementsplein 3 in Paramaribo, bij Fort Zeelandia. Ook de dienstbode Antonetta Helstone stond op het adres ingeschreven. Nationaal Archief Suriname, bevolkingsregistratie Paramaribo 1921, registratie Jozef Cornelis Marinus Chabot, Gouvernementsplein 3.
thumb|Chabot met zijn echtgenote Petronella Johanna Weijne en hun dochters Henriette en Irma bij hun woning aan Gouvernementsplein 3 in Paramaribo, ca. 1921
In augustus 1921 werd bekendgemaakt dat Chabot kapitein Vink zou opvolgen als adjudant van gouverneur Aarnoud van Heemstra. De Surinamer: nieuws- en advertentieblad, 25 augustus 1921, „Adjudant”, via Delpher. De gouverneur vormde destijds de eenhoofdige leiding van de uitvoerende macht en gold, ondanks de aansturing vanuit Nederland en de controle door de Koloniale Staten, als de machtigste bestuurder van de kolonie; als zijn adjudant werkte Chabot daardoor rechtstreeks in de nabijheid van het hoogste koloniale gezag. In december 1921 vergezelde Chabot gouverneur Aarnoud van Heemstra als luitenant-adjudant tijdens een officieel bezoek aan Cayenne (stad). Het gezelschap reisde vanuit Suriname over zee met het stoomschip Koningin Wilhelmina, dat op 1 december omstreeks half negen 's morgens op de rede van Cayenne aankwam. In Cayenne werd het gezelschap ontvangen door vertegenwoordigers van het Franse koloniale bestuur en bezocht het onder meer het gouvernementspaleis, het militaire hospitaal en de strafkolonie. Zijn detachering werd in februari 1922 met een jaar verlengd. De West: nieuwsblad uit en voor Suriname, 9 januari 1923, advertentie „Meubelveiling”, via Delpher.
Als adjudant verzorgde Chabot officiële en ceremoniële bekendmakingen namens de gouverneur. Zo kondigde hij in april 1922 ter gelegenheid van de verjaardag van prinses Juliana een middagfeest voor kinderen aan.„De Adjudant v.d. Gouverneur van Suriname”, De West: nieuwsblad uit en voor Suriname, 28 april 1922, via Delpher. In mei maakte hij een tuinreceptie in het Gouvernementshuis bekend, die gouverneur Aarnoud van Heemstra en zijn echtgenote Elbrig Willemine Henriette barones van Heemstra-van Asbeck hielden vanwege het bezoek van het Britse oorlogsschip Wistaria. De ontvangst bood de gasten van de gouverneur gelegenheid kennis te maken met de officieren van het schip.„Tuin receptie ten Gouvernementshuize”, De Surinamer: nieuws- en advertentieblad, mei 1922; bekendmaking gedateerd Paramaribo, 3 mei 1922, via Delpher.
Ook Chabots echtgenote, Petronella Johanna Weijne, nam deel aan het representatieve leven rond het Gouvernementshuis. In mei 1922 woonde zij samen met het gouverneursgezin en andere genodigden een officieel diner bij, waarbij Van Heemstra een tafelrede hield. Deze werd beantwoord door Simon Daniël de Vries, voorzitter van de Koloniale Staten.Verslag van het officiële diner, De Surinamer: nieuws- en advertentieblad, mei 1922, via Delpher.
Chabot vergezelde de gouverneur tevens tijdens dienstreizen. In juni 1922 nam hij deel aan een driedaagse inspectiereis langs de Surinaamse spoorweg, waarbij het gezelschap per trein naar Kabelstation en Dam reisde.„Gouverneurs reis”, De Surinamer: nieuws- en advertentieblad, 11 juni 1922, via Delpher; „De gouverneur op spoorweg-inspectie”, De Telegraaf, 8 juli 1922, onder verwijzing naar De West van 20 juni 1922, via Delpher.
In december 1922 vergezelde Chabot Van Heemstra naar een liefdadigheidswedstrijd op het Patronaatsterrein, waarvan de opbrengst bestemd was voor het Groene Kruis. Ook Van Heemstra’s dochter Marianne Jacqueline barones van Heemstra en zijn schoonzoon, de jurist Otto Ernst Gelder graaf van Limburg Stirum, maakten deel uit van het gezelschap. De gasten werden ontvangen door het bestuur van het rooms-katholieke sportcomité.„Groene Kruis match”, De Surinamer: nieuws- en advertentieblad, 31 december 1922, via Delpher. Deze aanwezigheid sloot aan bij Chabots eerdere betrokkenheid bij de organisatie van de Surinaamse sport, die in 1920 had geleid tot de oprichting van het Surinaamsch Sportcomité.
Surinaamsch Sportcomité De betrokkenheid van militairen bij de ontwikkeling van de Surinaamse sport kende al een voorgeschiedenis. In 1909 kreeg de troepencommandant toestemming om militairen een deel van het Gouvernementsplein voor voetbal te laten gebruiken. De sport ontwikkelde zich vervolgens verder, waardoor de behoefte aan een behoorlijk ingericht sportterrein in Paramaribo toenam. Tijdens Chabots detachering kreeg deze ontwikkeling een meer institutioneel karakter. Gouverneur Gerard Johan Staal wilde in Paramaribo een geschikt sportterrein tot stand brengen en was van oordeel dat de exploitatie daarvan niet aan een particulier, maar aan een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie van sportbeoefenaars moest worden toevertrouwd. Op 25 augustus 1920 kwamen op uitnodiging van Staal kapitein H.L. Bierman, R.D. Simons, luitenant J.C.M. Chabot en E. de Vries bijeen. Volgens de historische beschrijving van Philip Abraham Samson werd als gevolg van deze bespreking het Surinaamsch Sportcomité opgericht. Het comité werd op 5 september 1920 opgericht met als doel de beoefening van openluchtsporten in Suriname te bevorderen. Chabot behoorde tot de zes oprichters, naast H.E. Aletrino, C.J. Booms, W. Heshusius, R.D. Simons en E. de Vries. Chabots betrokkenheid beperkte zich daarmee niet tot het formele oprichterschap: hij behoorde ook tot de vier personen die op uitnodiging van de gouverneur aan de voorbereidende bespreking deelnamen.
Stutgard omschreef de rol die het Surinaamsch Sportcomité vervolgens in de Surinaamse sport speelde als van „historische waarde”.