Dei Filius (Latijn voor ‘Zoon van God’, naar de beginwoorden van de constitutie) is de dogmatische constitutie over het katholieke geloof die het Eerste Vaticaans Concilie op 24 april 1870 unaniem aannam en die paus Pius IX diezelfde dag, met goedkeuring van het concilie, afkondigde.Eerste Vaticaans Concilie, Dei Filius, 24 april 1870, officiële Latijnse tekst, Vaticaan.Conor McDonough, O.P., ‘Dei Filius IV: On Theological Method and the Nexus Mysteriorum’, Nova et Vetera, 20 (2022), nr. 3, pp. 891–908, doi:10.1353/nov.2022.0057. Het document behandelt achtereenvolgens God en de schepping, de goddelijke openbaring, het geloof en de verhouding tussen geloof en rede.

Een centrale stelling van Dei Filius is dat het bestaan van God volgens het concilie met zekerheid kenbaar is vanuit de geschapen werkelijkheid door het natuurlijke menselijke verstand, terwijl bovennatuurlijke geloofsmysteries de natuurlijke rede te boven gaan en door goddelijke openbaring bekend worden.Simon Francis Gaine, O.P., ‘Dei Filius II: On Divine Revelation’, Nova et Vetera, 20 (2022), nr. 3, pp. 839–854, doi:10.1353/nov.2022.0054.Cajetan Cuddy, O.P., ‘Dei Filius IV: On Faith and Reason’, Nova et Vetera, 20 (2022), nr. 3, pp. 873–890, doi:10.1353/nov.2022.0056. De constitutie keert zich daarmee zowel tegen rationalistische opvattingen die bovennatuurlijke openbaring aan de natuurlijke rede onderwerpen als tegen opvattingen die de natuurlijke kenvermogens van de mens ten aanzien van God sterk beperken.Patrick Gorevan, ‘Dei Filius in Context’, Nova et Vetera, 20 (2022), nr. 3, pp. 803–822.

Dei Filius was de eerste van de twee dogmatische constituties die Vaticanum I voltooide. Op 18 juli 1870 volgde Pastor aeternus, over het primaat en de onfeilbaarheid van de paus.John W. O’Malley, Vatican I: The Council and the Making of the Ultramontane Church, Cambridge (Massachusetts): Belknap Press of Harvard University Press, 2018, vooral hoofdstukken 4–5, pp. 133–224, ISBN 9780674986121.

Historische achtergrond Het Eerste Vaticaans Concilie vond plaats in een periode waarin de Rooms-Katholieke Kerk zich moest verhouden tot ingrijpende intellectuele en politieke ontwikkelingen. Sinds de Verlichting hadden rationalisme, historisch-kritische benaderingen van religie en uiteenlopende vormen van naturalisme de traditionele verhouding tussen geloof, openbaring en rede ter discussie gesteld. Binnen de katholieke theologie bestond tegelijkertijd discussie over de mate waarin menselijke rede zelfstandig tot kennis van God kon komen en over de rationele kenbaarheid van geopenbaarde mysteries.John W. O’Malley, Vatican I: The Council and the Making of the Ultramontane Church, Cambridge (Massachusetts): Belknap Press of Harvard University Press, 2018, pp. 23–179, ISBN 9780674986121.Hermann Josef Pottmeyer, Der Glaube vor dem Anspruch der Wissenschaft: Die Konstitution über den katholischen Glauben „Dei Filius“ des Ersten Vatikanischen Konzils und die unveröffentlichten theologischen Voten der vorbereitenden Kommission, Freiburg im Breisgau: Herder, 1968 (Freiburger theologische Studien, 87).

Bijzonder relevant waren de debatten over de Duitse katholieke denkers Georg Hermes en Anton Günther. Zij zochten ieder op eigen wijze naar een rationele verantwoording van het katholieke geloof. Critici meenden echter dat in hun systemen de zelfstandigheid van de bovennatuurlijke openbaring onvoldoende werd gewaarborgd. Aan de andere zijde van het spectrum stonden fideïstische en traditionalistische tendensen, waarin de mogelijkheden van de natuurlijke rede om religieuze waarheid te kennen juist sterk werden beperkt.

De politieke achtergrond van het concilie werd onder meer gevormd door de Italiaanse eenwording, het voortgaande verlies van de Kerkelijke Staat en de groei van het ultramontanisme, dat sterk de nadruk legde op het gezag van de paus. Deze ontwikkelingen zijn belangrijk voor de geschiedenis van Vaticanum I als geheel, maar Dei Filius zelf behandelt niet primair de verhouding tussen paus en bisschoppen of tussen Kerk en staat. Die kerkpolitieke vragen kwamen vooral aan de orde bij de latere constitutie Pastor aeternus.

Totstandkoming Aan de uiteindelijke constitutie ging een omvangrijk voorbereidend proces vooraf. De jezuïet en theoloog Johann Baptist Franzelin speelde een belangrijke rol bij de voorbereiding van een eerste ontwerp over de katholieke geloofsleer. Het oorspronkelijke schema werd tijdens het concilie bekritiseerd vanwege zijn omvang, abstracte karakter en theologische formulering en werd vervolgens grondig herwerkt.Klaus Schatz, Vaticanum I 1869–1870. Band II: Von der Eröffnung bis zur Konstitution „Dei Filius“, Paderborn: Ferdinand Schöningh, 1993, ISBN 9783506746948.

Bij de herziening speelde de jezuïet Joseph Kleutgen, een vertegenwoordiger van de negentiende-eeuwse herleving van de scholastieke theologie, een belangrijke rol. Het herziene schema was aanzienlijk korter en systematischer dan het oorspronkelijke ontwerp. Ook wijzigingen die tijdens de beraadslagingen door de concilievaders werden verlangd, werden in de definitieve tekst verwerkt.

Op 24 april 1870 werd de definitieve constitutie unaniem door de aanwezige concilievaders aangenomen en door Pius IX afgekondigd.

Opbouw Dei Filius bestaat uit een voorwoord, vier leerstellige hoofdstukken en vier groepen canones. De hoofdstukken behandelen:

God als schepper van alle dingen; de goddelijke openbaring; het geloof; geloof en rede.

Na de vier hoofdstukken volgen in totaal achttien canones: vijf over God en de schepping, vier over de openbaring, zes over het geloof en drie over geloof en rede. In deze canones worden stellingen die het concilie onverenigbaar achtte met de katholieke leer afgesloten met de traditionele formule anathema sit.

Inhoud

God en schepping Het eerste hoofdstuk belijdt één ware en levende God, onderscheiden van de geschapen wereld en schepper van zowel de zichtbare als de onzichtbare werkelijkheid. De schepping wordt beschreven als een vrije daad van God en niet als een noodzakelijke emanatie uit het goddelijke wezen. Tevens bevestigt de constitutie de goddelijke voorzienigheid.Rudi A. te Velde, ‘Dei Filius I: On God, Creation, and Providence’, Nova et Vetera, 20 (2022), nr. 3, pp. 823–838, doi:10.1353/nov.2022.0053.

De bijbehorende canones verwerpen onder meer het materialisme en verschillende vormen van pantheïsme. Ook wordt de gedachte verworpen dat de wereld noodzakelijk uit het wezen van God zou voortkomen. De tekst bewaakt daarmee een ontologisch onderscheid tussen God en de geschapen werkelijkheid.

Goddelijke openbaring Het tweede hoofdstuk stelt dat God, als oorsprong en doel van alle dingen, volgens de katholieke leer vanuit de geschapen wereld met zekerheid kan worden gekend door het natuurlijke licht van de menselijke rede. Deze uitspraak houdt niet in dat ieder mens feitelijk zonder moeite tot dergelijke kennis komt, maar formuleert een principiële mogelijkheid van natuurlijke Godskennis.

Naast deze natuurlijke Godskennis stelt Dei Filius een bovennatuurlijke openbaring. Die openbaring is volgens het document niet alleen van belang vanwege waarheden die de natuurlijke rede volledig overstijgen. Zij maakt ook religieuze waarheden die in beginsel door de rede kenbaar zijn voor mensen gemakkelijker, met grotere zekerheid en zonder vermenging met dwaling toegankelijk. Bovendien is openbaring noodzakelijk in verband met de bovennatuurlijke bestemming die het christendom aan de mens toekent.

De constitutie behandelt vervolgens Heilige Schrift en Traditie als vormen waarin de geopenbaarde leer wordt overgeleverd. Zij bevestigt de inspiratie van de Schrift en het gezag van de Kerk bij de bepaling van de canon en de uitleg van de Bijbel.

Geloof Het derde hoofdstuk omschrijft geloof als een bovennatuurlijke deugd waardoor de mens instemt met wat God heeft geopenbaard. Volgens de constitutie berust deze geloofsinstemming uiteindelijk op het gezag van de openbarende God en niet op het feit dat de inhoud van het geloof door de natuurlijke rede zelfstandig bewezen zou zijn.Gaven Kerr, ‘Dei Filius III: On Faith’, Nova et Vetera, 20 (2022), nr. 3, pp. 855–872, doi:10.1353/nov.2022.0055.

Tegelijkertijd presenteert de constitutie geloof niet als een uitsluitend irrationele of blinde keuze. Zij spreekt over uiterlijke tekenen van geloofwaardigheid, waaronder wonderen en profetieën, die volgens de katholieke opvatting de geloofwaardigheid van de openbaring ondersteunen. Voor de geloofsdaad zelf acht de tekst goddelijke genade noodzakelijk.

Hiermee probeert het document een onderscheid te handhaven tussen enerzijds de rationele beoordeling van de geloofwaardigheid van openbaring en anderzijds de bovennatuurlijke geloofsinstemming zelf.

Geloof en rede Het vierde hoofdstuk bevat de bekendste systematische uiteenzetting van de verhouding tussen geloof en rede in Dei Filius. De constitutie maakt onderscheid tussen twee orden van kennis, die zowel in kenprincipe als in kenobject verschillen: kennis door natuurlijke rede en kennis door goddelijk geloof. Er bestaan volgens deze opvatting geopenbaarde mysteries die de menselijke rede zonder openbaring niet kan ontdekken.

Dat onderscheid betekent volgens de constitutie niet dat geloof en rede elkaar werkelijk kunnen tegenspreken. Omdat beide uiteindelijk hun oorsprong in God hebben, kan volgens het concilie geen werkelijke tegenstelling bestaan tussen een geloofswaarheid en een waarheid die door correct gebruik van de rede is vastgesteld. Wat als conflict verschijnt, wordt in de tekst toegeschreven aan een verkeerde interpretatie van een geloofsinhoud of aan een redenering die ten onrechte als wetenschappelijke conclusie wordt voorgesteld.

De constitutie erkent tegelijkertijd een eigen terrein voor rationeel en wetenschappelijk onderzoek. De verschillende wetenschappen kunnen volgens de tekst hun eigen principes en methoden toepassen. De Kerk claimt echter het recht om stellingen af te wijzen die zij als strijdig met geopenbaarde leer beschouwt.

Voor de theologie kent Dei Filius een positieve functie toe aan de rede. De door geloof verlichte rede kan volgens het document een zekere kennis van geloofsmysteries verkrijgen door analogie met natuurlijk gekende zaken, door de samenhang tussen geloofsmysteries onderling en door hun relatie tot het uiteindelijke doel van de mens te onderzoeken. De mysteries worden daardoor volgens de constitutie echter niet volledig herleid tot voor de natuurlijke rede bewijsbare waarheden.

Aan het slot van het vierde hoofdstuk wordt tevens gesteld dat de betekenis van eenmaal door de Kerk geformuleerde dogma's niet door wetenschappelijke of filosofische ontwikkeling in een tegengestelde betekenis mag worden veranderd. Tegelijk spreekt de tekst, met een verwijzing naar Vincentius van Lérins, over groei in begrip, kennis en wijsheid. De theoloog Andrew Meszaros interpreteert deze passage daarom niet als een uitsluiting van iedere ontwikkeling van de leer, maar als een formulering van grenzen waarbinnen ontwikkeling volgens de constitutie in continuïteit met de ontvangen geloofsinhoud dient te blijven.Andrew Meszaros, ‘Dei Filius IV: On the Development of Dogma’, Nova et Vetera, 20 (2022), nr. 3, pp. 909–938, doi:10.1353/nov.2022.0058.

Filosofische en theologische context Een belangrijk kenmerk van Dei Filius is dat het document twee tegengestelde reducties van de verhouding tussen geloof en rede probeert te vermijden. Tegen rationalistische en semirationalistische benaderingen wordt gesteld dat bovennatuurlijke mysteries niet tot natuurlijke filosofische kennis kunnen worden gereduceerd. Tegen fideïstische en sterk traditionalistische posities wordt de natuurlijke mogelijkheid van zekere kennis van God bevestigd.