miniatuur|Spandoek met daarop in het Duits 'Joden niet gewenst' (augustus 1935) Dit artikel is een overzicht van de anti-Joodse maatregelen in nazi-Duitsland die werden ingevoerd na de machtsovername van Adolf Hitler op 30 januari 1933.

Op grond van artikel 2 van de wet "om de nood van het volk en het Rijk te verlichten" (Machtigingswet) van 24 maart 1933 kon de regering wetten aannemen die afweken van de Duitse grondwet.

1933

Maart

31 maart: Joodse artsen van de gemeentelijke sociale diensten in Berlijn werden geschorst.

April

7 april: Invoering van de 'Wet tot herstel van het beroepsambtenarenapparaat', waardoor Joodse ambtenaren hun baan verloren. 7 april: Joden werden niet langer toegelaten tot de advocatuur. 22 april: Beroepsverbod voor Joodse artsen om in het -systeem te werken. Hierdoor mochten zij geen ziekenfondsverzekerden meer behandelen. 25 april: Beperking van het aantal Joodse leerlingen aan openbare scholen en universiteiten. Maximum 5% van het totale aantal leerlingen mocht niet-Arisch zijn. Volgens de 'Wet tegen Overbevolking aan Duitse Universiteiten' mocht 1,5% van de nieuw ingeschreven studenten niet-Arisch zijn.

Juli

14 juli: Invoering van de 'Wet ter voorkoming van erfelijke aandoeningen bij nakomelingen'. Deze wet was erop gericht personen met een verstandelijke beperking, schizofrenie, een bipolaire stoornis, genetische epilepsie, de ziekte van Huntington, genetische blindheid, genetische doofheid, een ernstige lichamelijke misvorming en chronisch alcoholisme gedwongen te steriliseren. 14 juli: Het staatsburgerschap van genaturaliseerde Joden en 'ongewensten' werd afgenomen.

September

22 september: Oprichting van de Reichskulturkammer en invoering van de Rijkscultuurkamerwet. Voor werkzaamheden in de culturele sector was lidmaatschap van de betreffende Kammer verplicht. Joden werden van het lidmaatschap uitgesloten, waardoor zij niet langer in veel culturele beroepen konden werken.

Oktober

4 oktober: Joden mochten niet langer als journalist of redacteur werken.

1935 miniatuur|Uitleg van de Rassenwetten van Neurenberg

September

15 september: Invoering van de Rassenwetten van Neurenberg. 15 september: Introductie van de Rijksburgerschapswet waarmee er onderscheid werd gemaakt tussen (staatsburgers) en (rijksburgers). Rijksburgers waren personen van 'Duits of daaraan verwant bloed' en bezaten volledige politieke rechten. 15 september: Introductie van de 'Wet ter bescherming van het Duitse bloed en de Duitse eer' () waarin werd vastgesteld dat huwelijken tussen Joden en niet-Joodse Duitsers werden verboden en ongeldig verklaard, seksuele relaties buiten het huwelijk tussen Joden en niet-Joden werden verboden (rassenschande) en Joden geen Duitse vrouwen jonger dan 45 jaar als huishoudelijk personeel in dienst mochten hebben. 30 september: Joodse rechters en openbare aanklagers werden uit hun functie geschorst.

November

14 november: De eerste verordeningen ter uitvoering van de wetten van Neurenberg. De raciale definitie van 'Jood' werd hiermee juridisch vastgelegd.

December

12 december: Ongecontroleerde individuele acties tegen Joden werden verboden. Hiermee werden anti-Joodse maatregelen alleen toegestaan met uitdrukkelijke toestemming van de regering of onder leiding van de partij.

1936

Januari

11 januari: Joden mochten niet langer als belastingadviseur werken.

April

3 april: Joden mochten niet langer als dierenarts werken.

Juni

26 juni: Joden werden uitgesloten van actieve militaire dienst. Personen van gemengde afkomst ('') mochten niet langer een leidinggevende functie in de Wehrmacht bekleden.

Oktober

4 oktober: Joden die bekeerd waren tot het christendom werden volgens de rassenwetten van Neurenberg beschouwd als Joods. 15 oktober: Joodse leraren mochten niet langer op openbare scholen werken.

1937

April

9 april: Joodse leerlingen in Berlijn mochten niet meer toegelaten worden tot het openbaar onderwijs.

1938

Januari

5 januari: Het werd voor Joden verboden hun naam te veranderen.

Februari

5 februari: Joden mochten niet langer als veilingmeester werken.

Maart

18 maart: Joden mochten niet meer als wapenhandelaren werken. 28 maart: Joodse religieuze verenigingen en hun koepelorganisaties verloren hun positie als publiekrechtelijke rechtspersonen.

April

22 april: Joodse bedrijven mochten geen naamsveranderingen meer doorvoeren. 23 april: Inschrijving voor het hoger onderwijs werd afhankelijk gemaakt van het bewijs van 'Arische afkomst', waardoor Joden niet langer aan Duitse universiteiten en hogescholen konden worden ingeschreven. Veel Joden die reeds een opleiding volgden, konden deze hierdoor niet afronden. 26 april: Meldingsplicht van Joods bezit met een waarde hoger dan 5.000 Reichsmark.

Juni

22 juni: Joden moesten in ziekenhuizen apart worden verpleegd.

Juli

11 juli: Verbod voor Joden op het bezoeken van kuuroorden. miniatuur|Paspoort gestempeld met een 'J'.

Oktober

5 oktober: De paspoorten van Duitse Joden werden ongeldig verklaard en konden pas opnieuw geldig worden gemaakt nadat ze met een 'J' waren gemarkeerd. miniatuur|Schade aan een Joodse winkel in Berlijn na de Kristallnacht (1938).

November

11 november: Joden mochten geen vuurwapens, munitie, steek- en slagwapens verwerven, gebruiken of bezitten. 12 november: Joden met de Duitse nationaliteit werden gedwongen om mee te betalen aan een boete van 1.000.000.000 Reichsmark als schadevergoeding van de moord op legatiesecretaris Ernst vom Rath. 12 november: Joodse eigenaren van winkels en bedrijven werden gedwongen de schade aan hun winkels ten gevolge van de Kristallnacht op eigen kosten te herstellen. 12 november: Het zelfstandig besturen van een vaartuig werd voor Joden verboden. 15 november: Joodse leerlingen werden uitgesloten van het openbaar onderwijs. 19 november: Joden mochten voor hulp enkel nog beroep doen op Joodse welzijnsorganisaties. 29 november: Het werd voor Joden verboden bepaalde gebieden, parken, pleinen of wijken te betreden, evenals buiten bepaalde uren in het openbaar te zijn. 29 november: Joden mochten geen postduiven meer bezitten.

December

3 december: Middels het decreet 'Verordening inzake het gebruik van het joodse vermogen' werd de overname en liquidatie van bedrijven en eigendommen in Joods bezit geregeld. Hierdoor werd het mogelijk Joodse bedrijven, grondbezit en andere vermogensbestanddelen gedwongen te verkopen of af te wikkelen. 3 december: Rijbewijzen en kentekenbewijzen van Joden werden ongeldig verklaard. 5 december: De invoering van preventieve maatregelen die een kapitaalvlucht naar het buitenland moest voorkomen. 14 december: Staatscontracten met bedrijven in Joods bezit werden opgeheven. 21 december: Joden mochten het beroep van verloskundige niet meer uitvoeren.

1939

Januari

1 januari: Invoering van de : Joden in nazi-Duitsland met een naam die niet op de door de autoriteiten vastgestelde namenlijst stond werden verplicht 'Sara' (voor vrouwen) of "Israël' (voor mannen) aan hun naam toe te voegen. De maatregel was op 17 augustus 1938 uitgevaardigd, en trad op 1 januari 1939 in werking. Joden die een kind kregen, mochten enkel namen kiezen van een door de overheid goedgekeurde lijst. 1 januari: Invoering van het decreet betreffende de uitsluiting van Joden uit het economische leven. Hierdoor werd het voor Joden verboden handel te drijven, handelszaken en postorderbedrijven te exploiteren, en goederen of diensten te kopen op markten, tentoonstellingen en handelsbeurzen. 17 januari: Joden mochten niet meer werken als verpleegkundigen, holistische behandelaars en tandartsen. 28 januari: Joden mochten niet meer op markten verkopen.

Februari

21 februari: Joden werden verplicht om hun waardevolle spullen, waaronder hun goud, zilver en diamanten, zonder vergoeding over te dragen aan de staat.

Maart

15 maart: Illegale emigratie van Joden moest worden verhinderd. Vluchtelingen en helpers van vluchtelingen werden gearresteerd en overgebracht naar concentratiekampen.

April

30 april: Joden verloren hun bescherming als huurder als zij een niet-Joodse huisbaas hadden. Hierdoor konden zij gemakkelijker uit de woning gezet worden.

Juli

4 juli: Oprichting van de , een overkoepelende organisatie met als doel de Joodse bevolking te vertegenwoordigen.

Augustus

1 augustus: Joden mochten niet meer meespelen met de loterij.

September

25 september: Instelling van een avondklok voor Joden, na acht uur 's avonds mochten zij het huis niet meer verlaten.

Oktober

Oktober: Joden die 'staatsvijandelijk gedrag' vertoonden mochten direct opgepakt en gedeporteerd worden naar concentratiekampen.

1940

Juli

4 juli: Joden mochten enkel tussen 16.00 en 17.00 uur winkelen. 29 juli: Joden mochten geen telefoon meer bezitten.

1941

Maart

4 maart: Joden werden verplicht tot dwangarbeid in voor Joden bestemde werkkampen. miniatuur|Een Joodse vrouw in Berlijn met een Jodenster op haar jas (september 1941).

September

19 september: Joden werden verplicht een Jodenster te dragen. 19 september: Joden mochten niet zonder toestemming hun woonplaats verlaten. 19 september: Joden mochten geen onderscheidingen, medailles of andere insignes dragen.

Oktober

23 oktober: Een uitreisverbod werd ingesteld voor Joden, waardoor zij niet meer konden emigreren. 24 oktober: Openlijk vriendschappelijk contact tussen Joden en niet-Joden werden verboden. Bij overtreding konden personen in preventieve hechtenis worden geplaatst.

November

4 november: Joden die niet werkzaam waren in bedrijven met een economisch belang, moesten op transport naar oostelijke gebieden. Hun bezittingen werden eigendom van de Duitse staat. 13 november: Joden werden verplicht typemachines, rekenmachines, duplicators, fietsen, fototoestellen en verrekijkers in te leveren. 25 november: Middels het 'Elfde Decreet op de Rijksburgerschapswet' verloren Duitse Joden in het buitenland hun Duitse staatsburgerschap en werden hierdoor stateloos. Hun bezittingen werden eigendom van de Duitse staat.

1942

Februari

17 februari: Joden mochten geen kranten en tijdschriften meer ontvangen. Ook officiële publicaties, zoals wet- en verordeningsbladen, mochten niet meer aan hen worden geleverd.

Maart

13 maart: Woningen waar Joden woonden moesten gemarkeerd worden met een zwarte Jodenster.

Juli

10 juli: Het werd verboden geld, pakketten en geschenken te versturen aan gedeporteerden.

September

18 september: Vlees, vleesproducten, eieren, melk en andere toegewezen levensmiddelen werden niet meer aan Joden verstrekt. Voedselrantsoenen voor Joodse kinderen werden verminderd.

November

November 1942: Alle Joden in concentratiekampen in nazi-Duitsland moesten gedeporteerd worden naar Auschwitz of de regio Lublin. In deze regio lagen vernietigingskamp Sobibór en het concentratie- en vernietigingskamp Majdanek.

1943

April

25 april: Joden, Sinti en Roma konden geen Duits Rijksburger worden.

Juli

1 juli: Joden werden volledig onttrokken aan de bescherming van de Duitse wet. Zij kwamen onder de jurisdictie te staan van de . 1 juli: Na het overlijden van een Joods persoon werd diens nalatenschap eigendom van de staat.

Zie ook

Lijst van anti-Joodse maatregelen in België Lijst van anti-Joodse maatregelen in Nederland Boycot van Joodse ondernemingen Reichsfluchtsteuer Boekverbranding in nazi-Duitsland Entartete Kunst

Categorie:Holocaust in Duitsland Anti-Joodse maatregelen in nazi-Duitsland Categorie:Geschiedenislijsten