Libertas praestantissimum, vaak kortweg Libertas genoemd, is een encycliek van paus Leo XIII, uitgevaardigd op 20 juni 1888 en gewijd aan de aard en de morele betekenis van de menselijke vrijheid. De brief is gericht aan de patriarchen, primaten, aartsbisschoppen en bisschoppen van de Katholieke Kerk die in gemeenschap met de Heilige Stoel staan.

De encycliek behandelt zowel de vrije wil van het individu als burgerlijke en politieke vrijheden. Leo XIII verdedigt het bestaan van menselijke keuzevrijheid, maar stelt dat de morele volmaaktheid van vrijheid bestaat in handelen overeenkomstig de rede, de natuurwet en uiteindelijk de goddelijke wet. Vrijheid betekent in deze opvatting daarom niet dat alle mogelijke keuzes in moreel opzicht gelijkwaardig zijn. Een academisch overzicht in The Oxford Handbook of Catholic Theology plaatst het document binnen een traditionele augustijnse en thomistische opvatting van vrijheid en natuurwet.

Een groot gedeelte van Libertas is gericht tegen vormen van negentiende-eeuws liberalisme die volgens Leo XIII de autonomie van individu of staat losmaken van een objectieve morele en goddelijke orde. Vanuit die premisse bespreekt hij onder meer godsdienstvrijheid, gewetensvrijheid, pers- en meningsvrijheid, onderwijs en de verhouding tussen Kerk en staat. Hij verwerpt deze vrijheden wanneer zij als onvoorwaardelijke natuurlijke rechten worden opgevat, maar aanvaardt dat bepaalde vrijheden om redenen van politieke prudentie en het algemeen welzijn kunnen worden getolereerd.

Historische context Libertas verscheen in een periode waarin de Katholieke Kerk haar verhouding tot de politieke en intellectuele ontwikkelingen van de negentiende eeuw opnieuw trachtte te bepalen. De gevolgen van de Franse Revolutie, de groei van de moderne seculiere staat, industrialisering en de opkomst van liberalisme, nationalisme en socialisme hadden de traditionele verhouding tussen kerkelijke en wereldlijke instellingen ingrijpend veranderd. In verschillende Europese staten stonden kerkelijke autonomie, onderwijs, godsdienstvrijheid en de verhouding tussen Kerk en staat ter discussie.

Volgens politicoloog Robert P. Kraynak werd het pontificaat van Leo XIII gekenmerkt door een poging onderscheid te maken tussen leerstellingen die volgens de Kerk onveranderlijk waren en maatschappelijke of politieke regelingen die aan nieuwe omstandigheden konden worden aangepast. Een belangrijk onderdeel van die benadering was de herwaardering van het thomisme, waaronder een op natuurwet gebaseerde opvatting van moraal en politieke orde.

Libertas sluit in het bijzonder aan bij Leo's eerdere encycliek Immortale Dei uit 1885 over de christelijke inrichting van de staat. Leo verwijst in Libertas zelf naar dat document wanneer hij de verhouding tussen kerkelijke en burgerlijke macht behandelt.

Opbouw en bronnen De argumentatie van de encycliek verloopt van een algemene beschouwing van de menselijke vrije wil naar een behandeling van morele, maatschappelijke en politieke vrijheid. Eerst bespreekt Leo de menselijke persoon als een wezen met verstand en wil. Vervolgens behandelt hij de verhouding tussen vrijheid en wet, waarna hij zijn uitgangspunten toepast op de staat en op concrete negentiende-eeuwse vrijheidsrechten. Het laatste gedeelte onderscheidt verschillende vormen van liberalisme en bespreekt de omstandigheden waaronder politieke tolerantie van opvattingen die de Kerk als dwaling beschouwt volgens Leo geoorloofd kan zijn.

De encycliek gebruikt zowel Bijbelse als patristische en scholastieke bronnen. Onder de aangehaalde Schriftplaatsen bevinden zich Sirach 15:14 over de menselijke keuzevrijheid, Johannes 8:34 over de slavernij van de zonde, Johannes 8:32 over de bevrijdende werking van de waarheid en Romeinen 13 over burgerlijk gezag. Daarnaast beroept Leo zich herhaaldelijk op Augustinus van Hippo, met name diens De libero arbitrio, en op Thomas van Aquino, onder meer diens Summa theologiae en zijn commentaar op het Johannesevangelie. De combinatie van Augustinus en Thomas vormt een reden waarom de filosofische achtergrond van het document in academische literatuur als augustijns-thomistisch wordt omschreven.

Opvatting van menselijke vrijheid

Vrije wil en rede Leo XIII maakt onderscheid tussen natuurlijke vrijheid, in de zin van vrije wil, en morele vrijheid. De mogelijkheid om te kiezen vloeit volgens de encycliek voort uit de redelijke en geestelijke aard van de mens. Het verstand kan verschillende handelingsmogelijkheden beoordelen en de wil kan vervolgens kiezen.

Dat vermogen om te kiezen betekent volgens Leo echter niet dat goed en kwaad gelijkwaardige uitdrukkingen van vrijheid zijn. Het kunnen kiezen van iets wat als onwaar of moreel verkeerd wordt beschouwd, is in zijn argumentatie een gevolg van de feilbaarheid van menselijk verstand en menselijke wil. Morele vrijheid bereikt volgens deze visie juist haar volmaaktheid wanneer de wil zich richt op wat door de rede als goed wordt gekend.

Daarmee verwerpt de encycliek een begrip van vrijheid als loutere afwezigheid van normen of beperkingen. Leo maakt een principieel onderscheid tussen libertas, vrijheid in positieve morele zin, en wat hij op verschillende plaatsen als ongebonden losbandigheid of misbruik van vrijheid beschouwt. In zijn redenering wordt vrijheid dus teleologisch opgevat: zij is verbonden met het doel waarop het menselijke handelen gericht behoort te zijn.

Natuurwet en eeuwige wet Centraal in de encycliek staat het idee dat wet en vrijheid niet noodzakelijk tegenover elkaar staan. De natuurwet wordt omschreven als de werking van de menselijke rede die het goede voorschrijft en zonde verbiedt. De bindende kracht daarvan berust volgens Leo uiteindelijk op een hogere, eeuwige wet waarvan de menselijke rede afhankelijk is.

Dezelfde structuur past Leo toe op het politieke leven. Positieve wetten van een staat zijn in zijn visie rechtvaardig voor zover zij overeenstemmen met rede en natuurwet en op het algemeen welzijn zijn gericht. De burgerlijke overheid bezit daarom volgens Libertas geen onbeperkte wetgevende autonomie. Een voorschrift dat strijdig is met de fundamentele morele orde mist in de redenering van de encycliek de volwaardige status van een rechtvaardige wet.

Deze argumentatie sluit aan bij de thomistische natuurrechtelijke traditie die tijdens het pontificaat van Leo XIII opnieuw een centrale plaats in de katholieke intellectuele cultuur kreeg.

Genade en vrijheid Naast de filosofische analyse van verstand en wil bevat Libertas een theologische visie op de verhouding tussen natuur en genade. Volgens Leo heft de goddelijke genade de menselijke vrijheid niet op. Omdat natuur en genade volgens zijn theologie dezelfde goddelijke oorsprong hebben, kan genade de menselijke vermogens ondersteunen zonder hun eigen werking te vernietigen.

De uiteindelijke bestemming van de menselijke vrijheid ligt in de encycliek bij God. Vrijheid is daardoor ingebed in een theologisch mensbeeld waarin schepping, morele wet, menselijke verantwoordelijkheid en het bovennatuurlijke doel van de mens met elkaar verbonden zijn. In deze opvatting is gehoorzaamheid aan God niet het tegenovergestelde van vrijheid, maar de voorwaarde voor haar morele vervolmaking.

Liberalisme en politieke orde Leo XIII gebruikt het begrip liberalisme voor verschillende doctrines die volgens hem in meerdere gradaties de autonomie van mens of staat tegenover God benadrukken. Zijn meest fundamentele kritiek richt zich op opvattingen waarin het individuele verstand of de menselijke wil als laatste bron van waarheid en moraal geldt. Op politiek niveau verwerpt hij het idee dat de wil van een meerderheid op zichzelf voldoende is om te bepalen wat rechtvaardig is.

De kritiek is daarmee gericht op een specifieke, negentiende-eeuwse katholieke conceptualisering van liberalisme en kan niet zonder meer worden gelijkgesteld met een verwerping van iedere democratische regeringsvorm. In het slotgedeelte schrijft Leo expliciet dat een democratische regeringsvorm op zichzelf niet ongeoorloofd is en dat de Kerk geen bepaalde regeringsvorm afwijst zolang deze het welzijn van de bevolking dient en volgens de door hem aanvaarde morele beginselen is ingericht. Kraynak plaatst dit aspect van Leo's politieke denken binnen een bredere natuurrechtelijke theorie die ruimte liet voor verschillende legitieme regeringsvormen.

Burgerlijke vrijheden

Godsdienstvrijheid In de paragrafen over wat Leo de vrijheid van godsdienst noemt, verwerpt hij het uitgangspunt dat de staat alle religieuze overtuigingen principieel als gelijkwaardig zou moeten behandelen omdat iedere burger een natuurlijk recht zou bezitten om naar eigen keuze elke godsdienst of geen godsdienst te belijden. Zijn argument berust op de premisse dat zowel individuen als politieke gemeenschappen verplichtingen tegenover God hebben en dat religieuze waarheid objectief kenbaar is.

Daaruit volgt in Libertas een opvatting van Kerk en staat die afwijkt van een stelsel van principiële religieuze neutraliteit. Leo verzet zich tegen een volledige institutionele scheiding waarbij de staat religie uitsluitend als privézaak behandelt. Tegelijk maakt de encycliek onderscheid tussen de morele beoordeling van een overtuiging en de vraag of de overheid die overtuiging in de praktijk moet onderdrukken.

Meningsuiting, pers en onderwijs Ook vrijheid van meningsuiting en persvrijheid behandelt Leo niet als onbeperkte rechten. Volgens de encycliek bestaat er wel vrijheid om waarheid en moreel geoorloofde ideeën te verspreiden, maar bezit onwaarheid volgens hem niet alleen omdat zij een mening is hetzelfde morele recht op verspreiding. Hij meent daarom dat de overheid onder bepaalde omstandigheden uitingen die volgens de geldende morele maatstaf ernstig schadelijk zijn mag beperken.

Daar staat tegenover dat de encycliek uitdrukkelijk ruimte laat voor vrije discussie over onderwerpen die niet noodzakelijk met geloof en moraal verbonden zijn. Leo stelt tevens dat onderzoek en intellectuele activiteit een breed terrein hebben waarop het kerkelijk gezag geen oordeel oplegt.

Gewetensvrijheid Het begrip gewetensvrijheid krijgt in Libertas een dubbelzinniger behandeling dan een eenvoudige afwijzing. Leo verwerpt het wanneer daarmee een moreel onbeperkte keuze wordt bedoeld om God naar willekeur wel of niet te vereren. Hij erkent echter een andere betekenis: de vrijheid van een persoon om zijn plicht tegenover God te volgen zonder door anderen daarvan te worden weerhouden. Die tweede betekenis beschouwt hij juist als authentieke vrijheid.

Dit onderscheid is relevant voor de interpretatie van de encycliek: de tekst verwerpt niet iedere bescherming van het geweten, maar verbindt gewetensvrijheid aan een objectieve plicht tegenover wat volgens de katholieke leer waar en goed is.

Tolerantie In het gedeelte over tolerantie erkent Leo dat een staat niet ieder handelen dat hij als moreel verkeerd beschouwt hoeft of kan verbieden. Volgens de encycliek kan de overheid om een groter kwaad te vermijden of een groter goed te behouden gedragingen en overtuigingen tolereren die zij niet als waar of goed beschouwt. Het algemeen welzijn is daarbij het criterium voor politieke prudentie.

Leo maakt daarmee onderscheid tussen tolereren en als recht erkennen. Bepaalde moderne vrijheden kunnen volgens hem in concrete historische omstandigheden politiek worden toegestaan zonder dat de onderliggende filosofische opvatting van een onbeperkt recht op iedere keuze wordt aanvaard.

Receptie en latere ontwikkeling