De status van EU-langdurig ingezetene is een door het recht van de Europese Unie ingestelde rechtspositie voor onderdanen van derde landen die duurzaam in een lidstaat van de Europese Unie zijn gevestigd. De status werd ingevoerd door Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003. De richtlijn beoogt de rechtspositie van langdurig in de Unie verblijvende onderdanen van derde landen dichter bij die van onderdanen van de lidstaten te brengen. Zij moeten volgens de uitgangspunten van de richtlijn een pakket uniforme rechten krijgen dat zo dicht mogelijk ligt bij de rechten van burgers van de Unie.
Ontstaan
De status vindt zijn politieke oorsprong in de bijeenkomst van de Europese Raad in Tampere in oktober 1999. De Europese Raad stelde daar dat de juridische positie van legaal verblijvende onderdanen van derde landen dichter bij die van onderdanen van de lidstaten moest worden gebracht. Voor personen die gedurende langere tijd legaal in een lidstaat hadden gewoond, werd gestreefd naar uniforme rechten die zo dicht mogelijk bij de rechten van burgers van de Europese Unie lagen.
Richtlijn 2003/109/EG gaf hieraan uitvoering door enerzijds een gemeenschappelijke langdurige verblijfsstatus vast te stellen en anderzijds aan de houders ervan rechten toe te kennen op het gebied van gelijke behandeling en verblijf in andere lidstaten. In de juridische literatuur is de richtlijn daarom beschreven als een poging om een bijzondere Europese rechtspositie voor duurzaam gevestigde niet-EU-burgers te vormen, tussen een gewone nationale verblijfsstatus en het volledige burgerschap van de Europese Unie in.
De werkingssfeer van de richtlijn werd in 2011 uitgebreid tot personen die internationale bescherming genieten. De geconsolideerde tekst werd later opnieuw aangepast, onder meer door Verordening (EU) 2024/1347.
Verkrijging van de status
Het belangrijkste criterium voor verkrijging is de duur van het verblijf. Een onderdaan van een derde land moet in beginsel gedurende vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag legaal en ononderbroken op het grondgebied van de betrokken lidstaat hebben verbleven. Volgens de considerans toont deze verblijfsduur aan dat de betrokkene duurzame banden met het land heeft ontwikkeld en er wortel heeft geschoten.
Tijdelijke afwezigheden van minder dan zes opeenvolgende maanden onderbreken de vijfjarige periode in beginsel niet wanneer zij gezamenlijk niet meer dan tien maanden bedragen. Sommige soorten uitsluitend tijdelijk verblijf worden niet meegerekend. Voor verblijf wegens studie of beroepsopleiding kan, wanneer de betrokkene later voor de status in aanmerking komt, in beginsel de helft van de betreffende verblijfsduur worden meegeteld.
Daarnaast moet de aanvrager beschikken over stabiele en regelmatige inkomsten die voldoende zijn voor hemzelf en de afhankelijke gezinsleden, zonder een beroep te hoeven doen op de sociale bijstand van de betrokken lidstaat, en over een ziektekostenverzekering. Lidstaten kunnen overeenkomstig hun nationale recht integratievoorwaarden stellen. De status kan worden geweigerd om redenen van openbare orde of openbare veiligheid.
De status zelf is in beginsel permanent. De verblijfstitel waarmee zij wordt aangetoond heeft een beperkte geldigheidsduur en moet worden vernieuwd, maar het verstrijken van het document leidt op zichzelf niet tot verlies van de onderliggende status.
Gelijke behandeling
Een belangrijk uitgangspunt van de richtlijn is dat de status als daadwerkelijk instrument voor integratie moet functioneren. Langdurig ingezetenen hebben daarom in de lidstaat die hun de status heeft toegekend in een groot aantal economische en sociale aangelegenheden recht op gelijke behandeling met de eigen onderdanen.
Deze gelijkheid omvat onder meer toegang tot arbeid in loondienst en zelfstandige arbeid, arbeidsvoorwaarden en beloning, onderwijs en beroepsopleiding, erkenning van beroepskwalificaties, sociale zekerheid, sociale bijstand en sociale bescherming volgens het nationale recht, belastingvoordelen, toegang tot goederen en diensten en vrijheid van vereniging en vakbondslidmaatschap.
De richtlijn laat bepaalde uitzonderingen toe. Zo kunnen activiteiten die verband houden met de uitoefening van openbaar gezag worden voorbehouden aan eigen onderdanen of burgers van de Unie. Ook kan de gelijke behandeling op sommige gebieden van sociale bijstand worden beperkt tot essentiële prestaties.
Verblijf in andere lidstaten Naast een zekere rechtspositie in de staat van langdurig verblijf creëerde Richtlijn 2003/109/EG een recht om zich onder voorwaarden in andere deelnemende lidstaten te vestigen. Volgens artikel 14 verkrijgt een langdurig ingezetene het recht om langer dan drie maanden te verblijven op het grondgebied van een andere lidstaat dan de lidstaat die de status heeft verleend, mits aan de voorwaarden van hoofdstuk III wordt voldaan.
De richtlijn plaatst dit recht uitdrukkelijk in de context van de interne markt en het vrije verkeer van personen. Volgens de considerans moest het vaststellen van voorwaarden voor verblijf in andere lidstaten bijdragen aan de verwezenlijking van de interne markt en kon het een belangrijke factor zijn voor mobiliteit op de arbeidsmarkt van de Unie. Het verblijf kan plaatsvinden voor arbeid in loondienst, zelfstandige economische activiteit, studie of beroepsopleiding, maar ook voor andere doeleinden zonder economische activiteit.
Categorie:Recht van de Europese Unie Categorie:Migratie en de Europese Unie