Dall'alto dell'Apostolico Seggio is een encycliek van paus Leo XIII, uitgevaardigd op 15 oktober 1890 en gericht aan de bisschoppen, de clerus en het volk van Italië. Het document handelt over de positie van de Rooms-Katholieke Kerk in het Koninkrijk Italië en in het bijzonder over de vrijmetselarij. Leo XIII stelde in de encycliek dat verschillende seculariserende en antiklerikale ontwikkelingen in Italië deel uitmaakten van wat hij als een samenhangend vrijmetselaarsprogramma beschouwde.Leo XIII, "Dall'alto dell'Apostolico Seggio", Heilige Stoel, 15 oktober 1890 (Italiaanse tekst).

De encycliek stond niet op zichzelf. Leo XIII had de vrijmetselarij eerder uitvoerig veroordeeld in Humanum genus uit 1884 en behandelde de verhouding tussen katholiek geloof, burgerlijke samenleving en politieke verantwoordelijkheid in Sapientiae Christianae, die in januari 1890 verscheen.Leo XIII, "Humanum genus", Heilige Stoel, 20 april 1884.Leo XIII, "Sapientiae Christianae", Heilige Stoel, 10 januari 1890. De Amerikaanse theoloog John Courtney Murray rekende Humanum genus en Dall'alto dell'Apostolico Seggio tot de twee encyclieken van Leo XIII die geheel aan de vrijmetselarij waren gewijd.John Courtney Murray, S.J., "Leo XIII on Church and State: The General Structure of the Controversy", Theological Studies, 14 (1953), pp. 1–30, in het bijzonder pp. 3–11.

Historische context De encycliek ontstond tegen de achtergrond van de langdurige tegenstelling tussen de Heilige Stoel en de Italiaanse staat na de inname van Rome in 1870 en het einde van de Kerkelijke Staat. De daaropvolgende Romeinse kwestie betrof onder meer de politieke status en onafhankelijkheid van de paus en de verhouding tussen de nieuwe Italiaanse staat en de Kerk. Historicus Giovanni Vian plaatst de conflicten rond de Italiaanse strafwetgeving van 1889–1890 expliciet binnen deze moeizame betrekkingen tussen de Heilige Stoel en het verenigde Italië.Giovanni Vian, "«Lo stato di lutto o di oppressione della Chiesa in Italia». La Penitenzieria Apostolica di fronte all’introduzione del Codice Penale italiano del 1889 ('Codice Zanardelli')", in Penitenza e Penitenzieria tra rivoluzioni e restaurazioni (1789-1903), Libreria Editrice Vaticana, 2022, pp. 287–309.

In de jaren vóór de encycliek speelde de vrijmetselarij een zichtbare rol binnen delen van het Italiaanse liberale en antiklerikale milieu. Historicus Fulvio Conti heeft onder meer beschreven hoe Italiaanse vrijmetselaars zich bezighielden met onderwijs en met hervorming van het schoolsysteem in laïcistische richting, evenals met de oprichting van pedagogische en recreatieve voorzieningen als alternatief voor katholieke instellingen.Fulvio Conti, "Massoneria, scuola e questione educativa nell'Italia liberale", Annali di storia dell'educazione e delle istituzioni scolastiche, XI (2004), pp. 11–27. Het bestaan van dergelijke politieke en maatschappelijke activiteit betekent echter niet dat alle door Leo XIII bekritiseerde maatregelen zonder meer aan een centraal aangestuurd vrijmetselaarsprogramma kunnen worden toegeschreven.

Als concrete voorbeelden van het conflict wees Leo XIII in Dall'alto op het nieuwe Italiaanse strafwetboek, de wet op de opere pie, liefdadigheidsinstellingen, en het monument voor Giordano Bruno in Rome. Het zogenoemde Codice Zanardelli was in 1889 goedgekeurd en trad begin 1890 in werking. Onderzoek van Vian naar de interne reactie van de Apostolische Penitentiarie laat zien dat de aanvankelijke zorgen van de Heilige Stoel over sommige bepalingen later ten minste gedeeltelijk werden gerelativeerd, hoewel er vanuit kerkelijke kring bezwaren bleven bestaan.

De wet van 17 juli 1890 op de opere pie bracht liefdadigheidsinstellingen verder binnen het publiekrechtelijke bestel en onder bestuurlijk toezicht.Legge 17 luglio 1890, n. 6972, Sulle Opere Pie, Normattiva, Italiaanse overheid. Historische documentatie van de Italiaanse staatsarchieven beschrijft deze wet als een hervorming waarbij opere pie tot publieke liefdadigheidsinstellingen werden gemaakt en het overheidstoezicht werd uitgebreid."Congregazione di carità di Rovigo", Sistema informativo degli Archivi di Stato, Ministero della Cultura. Leo XIII interpreteerde de hervorming daarentegen als een middel om de maatschappelijke invloed en de zeggenschap van de Kerk over liefdadigheidsinstellingen terug te dringen.

Ook de oprichting van het monument voor Giordano Bruno op Campo de' Fiori werd in de encycliek als teken van de antiklerikale ontwikkeling aangehaald. Het monument, ontworpen door Ettore Ferrari, werd op 9 juni 1889 onthuld. Volgens de kunsthistorische documentatie van de gemeente Rome kreeg het initiatief een uitgesproken politiek en antiklerikaal karakter; aan het organiserende comité namen ook vrijmetselaars deel."Monumento a Giordano Bruno", Sovrintendenza Capitolina ai Beni Culturali, Comune di Roma.

Inhoud

Doel en opbouw Leo XIII verklaart aan het begin van de encycliek dat hij eerdere gebeurtenissen opnieuw wil samenvatten en als één geheel wil presenteren om daaruit conclusies te trekken. De tekst combineert daardoor een beschrijving van recente politieke en maatschappelijke ontwikkelingen met doctrinaire kritiek, pastorale aansporingen en een bredere beschouwing over de verhouding tussen religie, samenleving en staat.

De paus presenteert de situatie in sterk polemische en religieuze termen. Hij beschrijft de vrijmetselarij als vijandig tegenover Christus en de Kerk en verbindt haar activiteiten met een geestelijke strijd. Zulke uitspraken geven het standpunt en het theologische taalgebruik van Leo XIII weer en vormen op zichzelf geen onafhankelijk historisch bewijs voor de politieke bedoelingen van alle Italiaanse vrijmetselaars of overheidsfunctionarissen.

Vrijmetselarij en Italiaanse politiek Een centrale stelling van de encycliek is dat het Italiaanse openbare leven op religieus gebied volgens Leo XIII steeds meer uitvoering gaf aan een "vrijmetselaarsprogramma". Hij rekende daartoe onder meer secularisering van het onderwijs, vermindering van kerkelijke invloed op het openbare leven, onderdrukking van religieuze orden, grotere staatscontrole op kerkelijk bezit en uitsluiting van katholieke of clericale invloed uit publieke instellingen.

Bijzondere aandacht krijgt het onderwijs. Leo XIII verzette zich tegen de verwijdering van godsdienstonderwijs en tegen het ideaal van een staat die de vorming van burgers geheel onafhankelijk van kerkelijke invloed zou organiseren. Dat de onderwijssector daadwerkelijk een belangrijk terrein van vrijmetselaarsactiviteit in het liberale Italië was, wordt door Conti bevestigd. Zijn onderzoek beschrijft zowel pogingen tot laïcisering van het bestaande onderwijs als de ontwikkeling van niet-katholieke alternatieve instellingen.

De encycliek behandelt ook de verhouding tussen Kerk en staat. Leo XIII verwierp een maatschappelijke ordening waarin religie uitsluitend naar de privésfeer werd verwezen. Murray heeft erop gewezen dat voor Leo XIII het centrale probleem niet slechts een juridisch-institutionele scheiding van Kerk en staat was, maar vooral wat hij zag als de verwijdering van religie uit de samenleving als geheel.

Oproep aan Italiaanse katholieken Als antwoord op de geschetste situatie riep Leo XIII de Italiaanse bisschoppen op aandacht te besteden aan de opleiding van de clerus, de christelijke opvoeding van jongeren, de verdediging van de katholieke leer en het religieuze karakter van het gezin. De gelovigen moesten volgens hem openlijk voor hun geloof uitkomen en trouw blijven aan de bisschoppen en de paus.

Daarnaast kende hij een belangrijke rol toe aan katholieke verenigingen, instellingen en de pers. De katholieke pers moest naar zijn opvatting de kerkelijke leer verdedigen, de bisschoppen ondersteunen en katholieke maatschappelijke initiatieven bevorderen. Aan het einde van dit pastorale gedeelte verwees Leo XIII expliciet terug naar Humanum genus en Sapientiae Christianae, waarvan de beginselen volgens hem in Italië in praktijk moesten worden gebracht.

Religie en maatschappelijke orde In het tweede deel verbindt Leo XIII de religieuze kwestie met een sociale en politieke analyse. Hij stelt dat religie noodzakelijk is voor zowel de publieke als de persoonlijke moraal en kent het gezin een fundamentele plaats in de maatschappij toe. Godsdienst zou volgens hem het plichtsbesef van bestuurders en burgers versterken en de onderlinge rechten en verplichtingen binnen het gezin en de samenleving ondersteunen.

De paus verbond deze visie tevens met zijn bezorgdheid over het opkomende socialisme. Hij zag religie en de Kerk als krachten die maatschappelijke ontwrichting konden tegengaan. De tegenstelling met de vrijmetselarij wordt daardoor in de encycliek niet alleen als kerkelijk of leerstellig conflict voorgesteld, maar ook als een strijd om de grondslagen van de maatschappelijke orde.

De tekst keert ten slotte terug naar de Romeinse kwestie. Leo XIII stelde dat verzoening tussen Italië en de Heilige Stoel zowel de religieuze als de burgerlijke eenheid zou bevorderen. Hij bleef daarbij aanspraak maken op een positie van daadwerkelijke soevereine onafhankelijkheid voor de paus en sprak de wens uit dat Rome opnieuw onder pauselijk gezag zou komen.

Theologische en filosofische uitgangspunten

Geloof, Schrift en kerkelijk leergezag De Bijbelse argumentatie van Dall'alto heeft vooral een aansporend karakter. De encycliek gebruikt formuleringen over geloof en heil, het laatste oordeel, navolging van Christus en het "rijk der hemelen" om de verplichtingen van katholieken te onderbouwen. De tekst bevat geen uitgebreide systematische Schriftuitleg; de nadruk ligt op de toepassing van geloofswaarheden op het handelen van de Italiaanse katholieken.

Binnen het kerkelijke leergezag sluit de encycliek rechtstreeks aan bij Humanum genus en Sapientiae Christianae. In Humanum genus had Leo XIII het door hem aan de vrijmetselarij verbonden naturalisme omschreven als de opvatting dat de menselijke natuur en de menselijke rede uiteindelijk zelf de hoogste maatstaf zijn, zonder normerende goddelijke openbaring. In Sapientiae Christianae werkte hij zijn visie uit op de plichten van christenen in de burgerlijke samenleving en op de onderscheiden bevoegdheden van Kerk en staat.

Mensbeeld, waarheid en rede Murray interpreteerde het bredere conflict in het politieke denken van Leo XIII als een confrontatie tussen "naturalistisch rationalisme" en een christelijke metafysica. Daarbij ging het volgens Murray om fundamentele vragen over waarheid, moraal, de mogelijkheden van de rede, vrijheid en gezag, en uiteindelijk om de aard en bestemming van de mens. Hij beschreef Leo's positie in termen van het onderscheid én de samenhang tussen natuur en genade en tussen rede en openbaring.

Vanuit die achtergrond moet de tegenstelling die Dall'alto maakt tussen geloof en een politiek beroep op "vrije gedachte" en "rede" worden gelezen. De encycliek verwerpt de rede niet als zodanig; het bezwaar richt zich binnen Leo's bredere leer tegen een opvatting waarin menselijke rede als volledig zelfstandig en voldoende wordt beschouwd en goddelijke openbaring of kerkelijk gezag uit het openbare leven wordt geweerd.

Kerk, staat en samenleving Ook de politieke filosofie van de encycliek sluit aan bij Leo's eerdere geschriften. In Sapientiae Christianae stelde hij dat Kerk en staat ieder een eigen gezagsgebied bezitten, maar daaruit volgens hem niet volgde dat beide volledig van elkaar afgesneden of noodzakelijk vijandig moesten zijn. De burgerlijke wetgever moest volgens deze visie rekening houden met zowel de morele als de religieuze dimensie van de mens.