Pastoralis officii is een encycliek van paus Leo XIII over de moraliteit van het duel, doorgaans gedateerd op 12 september 1891.De huidige Vaticaanse catalogus van encyclieken van Leo XIII en de Engelse en Italiaanse edities dateren Pastoralis officii op 12 september 1891. De Latijnse tekst, die verwijst naar de uitgave in Acta Sanctae Sedis, deel 24 (1891–1892), pp. 203–207, bevat in de slotformule daarentegen de datum die XXII Septembris anno MDCCCXCI, oftewel 22 september 1891. Maurizio P. Faggioni hanteert in zijn wetenschappelijke bespreking eveneens 12 september 1891. De brief was gericht aan de aartsbisschoppen, bisschoppen en andere kerkelijke ordinarissen van het Duitse Keizerrijk en Oostenrijk-Hongarije. Aanleiding was een schrijven dat de betrokken bisschoppen het jaar daarvoor aan de paus hadden gericht over het volgens hen veelvuldig voorkomen van duels, ook onder katholieken.Leo XIII, Pastoralis officii, 1891, in Acta Sanctae Sedis, deel 24 (1891–1892), pp. 203–207; moderne edities bij de Heilige Stoel, §§ 1–9.

Leo XIII stelt in de encycliek dat het duel in strijd is met zowel de natuurlijke rede als de geopenbaarde goddelijke wet. Hij verwerpt de opvatting dat een duel een legitiem middel is om aangetaste eer te herstellen en betoogt dat burgers niet op eigen gezag geweld mogen gebruiken om persoonlijke geschillen te beslechten. Ook voor militairen maakt hij geen uitzondering. De brief sluit af met een oproep aan de bisschoppen om vooral jongeren over de kerkelijke afwijzing van het duel te onderrichten en hen aan te moedigen zich ertoe te verbinden nooit aan een duel deel te nemen.

Historische context Het duel bleef in delen van Centraal-Europa in de late negentiende eeuw verbonden met opvattingen over persoonlijke eer, mannelijkheid en maatschappelijke status. Historicus Kevin McAleer beschrijft het duel in het Duitse Keizerrijk als een bijzonder hardnekkig verschijnsel onder mannen uit de hogere maatschappelijke lagen. Hoewel duels wettelijk waren verboden of strafbaar gesteld, werden de betreffende wetten volgens McAleer niet altijd streng gehandhaafd. Binnen het Duitse officierskorps speelde de bereidheid om zogenoemde satisfactie te geven bovendien een belangrijke rol in de heersende eercultuur. Zie met name de inleiding, pp. 3–10, en hoofdstuk 3, pp. 85–118.

Een vergelijkbare spanning tussen strafrecht en maatschappelijke eer bestond in Oostenrijk-Hongarije. Historicus István Deák wijst erop dat zowel het Oostenrijkse militaire strafrecht van 1855 als het burgerlijke strafrecht bepalingen tegen duelleren bevatte. Tegelijk maakte een eigen erecode deel uit van de cultuur van het Oostenrijks-Hongaarse officierskorps.

Tegen deze achtergrond meldden de Duitse en Oostenrijks-Hongaarse bisschoppen aan Leo XIII dat het duel in hun gebieden nog geregeld voorkwam en ook door katholieken werd beoefend. De paus merkte daarbij op dat het verschijnsel volgens hem niet tot deze landen beperkt was.

Inhoud

Verbod op het duel Het centrale morele argument van Pastoralis officii betreft het recht om een ander of zichzelf aan levensgevaar bloot te stellen. Leo XIII stelt dat zowel de door de natuurlijke rede gekende wet als de in de Schrift geopenbaarde goddelijke wet verbieden om buiten een publieke rechtsgrond een mens te doden of te verwonden, behalve wanneer noodzakelijke zelfverdediging daartoe dwingt. Een duel voldoet volgens hem niet aan die voorwaarde, omdat de deelnemers vrijwillig en zonder dergelijke noodzaak de mogelijkheid aanvaarden de tegenstander te verwonden of te doden.

Daar komt volgens de encycliek bij dat de duellant ook het eigen leven zonder voldoende rechtvaardiging aan ernstig gevaar blootstelt. Leo XIII beschouwt het duel daarom als een dubbele morele overtreding: het houdt zowel het opzettelijk in gevaar brengen van een ander als van het eigen leven in.

De encycliek verbindt dit individuele morele argument met de maatschappelijke orde. Wanneer burgers zelf met geweld hun rechten of gekrenkte eer proberen te verdedigen, wordt volgens Leo XIII het recht om geschillen te beslechten aan het wettige openbare gezag onttrokken. Het duel is daardoor volgens de tekst niet alleen een privékwestie, maar ook schadelijk voor de rechtsorde.

Kerkelijke traditie en sancties Leo XIII presenteert zijn veroordeling niet als een nieuwe kerkelijke leer. Hij verwijst naar eerdere maatregelen tegen duelleren van paus Alexander III, het Concilie van Trente, paus Benedictus XIV en paus Pius IX. Benedictus XIV had het duel onder meer behandeld in de constitutie Detestabilem van 10 november 1752. Leo XIII verwijst daarnaast naar de apostolische constitutie Apostolicae Sedis van Pius IX, waarin kerkelijke straffen tegen duelleren werden bevestigd.

Volgens de door Leo XIII aangehaalde kerkelijke discipline konden dergelijke sancties niet alleen de twee duellisten treffen, maar ook personen die als secondant, getuige of anderszins als medeplichtige aan een duel deelnamen.

Eer, wraak en moed Een belangrijk gedeelte van de encycliek is gewijd aan de maatschappelijke rechtvaardiging van het duel als middel om persoonlijke eer te herstellen. Leo XIII verwerpt dit argument. Een overwinning in een duel bewijst volgens hem hoogstens dat iemand lichamelijk sterker is of vaardiger met wapens, maar niet dat die persoon moreel in zijn recht staat of meer eer bezit.

Ook de vrees om als laf te worden beschouwd, geldt volgens hem niet als rechtvaardiging. De beoordeling van goed en kwaad mag volgens de encycliek niet afhankelijk worden gemaakt van de publieke opinie. Leo XIII verbindt ware moed juist met het handelen overeenkomstig de rede en de morele plicht. Iemand die beledigingen verdraagt om een onrechtmatige handeling te vermijden, bezit volgens deze redenering meer werkelijke standvastigheid dan iemand die naar de wapens grijpt.

De tekst behandelt ook wraak als een belangrijke drijfveer achter duels. Daartegenover plaatst Leo XIII de christelijke plicht tot broederlijke liefde en de afwijzing van particuliere vergelding.

Wetgeving en militairen Leo XIII merkt op dat ook wereldlijke wetgevers duelleren strafbaar hadden gesteld, maar klaagt dat deze wetten in de praktijk geregeld werden ontweken of onvoldoende gehandhaafd. Zijn bezwaar tegen het duel is echter niet uitsluitend juridisch: ook wanneer de burgerlijke overheid niet optreedt, blijft de praktijk volgens hem in strijd met de natuurlijke en goddelijke wet.

De encycliek verwerpt uitdrukkelijk een uitzonderingspositie voor militairen. De gedachte dat duelleren bij soldaten of officieren de militaire moed zou bevorderen, verandert volgens Leo XIII niets aan het morele karakter van de handeling. Natuurlijke en goddelijke normen gelden volgens hem onafhankelijk van iemands maatschappelijke of militaire status. Bovendien voert hij een praktisch argument aan: een gewoonte waarbij militairen elkaar wegens persoonlijke conflicten kunnen doden, vermindert juist het aantal personen dat de staat kan verdedigen.

Theologische en filosofische grondslag

Natuurlijke rede en openbaring De argumentatie van Pastoralis officii combineert twee kenbronnen van de moraal. Leo XIII spreekt enerzijds over een wet die door het licht van de natuurlijke rede kenbaar is en anderzijds over de goddelijke wet die in de geïnspireerde Schrift is geopenbaard. Beide leiden volgens hem tot dezelfde afwijzing van particulier dodelijk geweld.

De encycliek ontwikkelt daarbij geen uitvoerige exegese van afzonderlijke Bijbelpassages. Het beroep op de Schrift functioneert naast de natuurlijke rede als grondslag voor een reeds als algemeen geldend voorgestelde morele norm. De argumentatie is daardoor niet uitsluitend confessioneel geformuleerd: Leo XIII presenteert de veroordeling van het duel tevens als een conclusie die met natuurlijke redelijkheid overeenstemt.

Moraaltheoloog Maurizio P. Faggioni behandelt Pastoralis officii in een studie over de historische ontwikkeling van de katholieke leer inzake de doodstraf. Hij plaatst de encycliek binnen de toenmalige kerkelijke onderscheiding tussen particulier dodelijk geweld, noodzakelijke zelfverdediging en handelingen die aan het openbare gezag werden toegeschreven. Faggioni citeert daarbij juist de passage waarin Leo XIII het doden of verwonden „buiten een publieke rechtsgrond” afwijst. Zie in het bijzonder pp. 432–433.

Deugd en eer In de filosofische argumentatie maakt Leo XIII onderscheid tussen maatschappelijke reputatie en morele deugd. Het oordeel van de omgeving kan volgens de tekst onjuist zijn en vormt daarom geen voldoende maatstaf voor handelen. Ware fortitudo, of standvastige moed, wordt daarentegen verbonden met het goede voor zover dit met de rede overeenstemt en uiteindelijk aan het oordeel van God kan worden onderworpen.

Daarmee bestrijdt de encycliek een eercultuur waarin de bereidheid tot geweld als bewijs van moed of sociale waardigheid gold. Dat een dergelijke eercultuur in het Duitse Keizerrijk maatschappelijk gewicht had, wordt ook in historisch onderzoek benadrukt. McAleer beschrijft het duel als een middel waarmee deelnemers aanspraak maakten op mannelijke en maatschappelijke status en wijst tevens op de bijzondere betekenis van het officierskorps voor het voortbestaan van de praktijk.

Openbaar gezag en maatschappelijke orde De onderscheiding tussen publieke en private macht vormt eveneens een belangrijk element in de redenering. Het individu bezit volgens de encycliek niet het recht om een ervaren belediging of aantasting van eer door particulier geweld te vergelden. Het zelf beslechten van dergelijke geschillen tast volgens Leo XIII de burgerlijke rechtsorde aan.

Deze redenering maakt de encycliek zowel tot een tekst over individuele moraal als over de verhouding tussen persoonlijke eer en openbaar gezag. Faggioni wijst erop dat de passage tegelijkertijd deel uitmaakt van een oudere katholieke morele traditie waarin aan rechtmatig openbaar gezag bevoegdheden werden toegeschreven die niet aan particuliere personen toekwamen.

Verhouding tot de moderne tijd Leo XIII gebruikt in de slotfase van de encycliek ook het zelfbeeld van de negentiende-eeuwse moderne samenleving als argument tegen het duel. Een tijd die zichzelf beschouwde als beschaafder en verfijnder dan voorgaande eeuwen zou volgens hem inconsequent handelen wanneer zij juist het duel, dat hij als een overblijfsel van een oudere en barbaarse cultuur aanduidt, bleef handhaven.

Die kritiek sloot aan bij een breder maatschappelijk debat. McAleer laat zien dat het duel in het Duitse Keizerrijk bleef voortbestaan in een periode waarin de praktijk in verscheidene andere Europese en Noord-Amerikaanse samenlevingen al sterk was teruggedrongen. Tegelijk bestonden in Duitsland zowel wettelijke verboden als maatschappelijke bewegingen die zich tegen het duel keerden.

Pastorale oproep De encycliek eindigt met concrete aanwijzingen voor de geadresseerde bisschoppen. Zij moesten de gelovigen uitleg geven over de kerkelijke leer over het duel en vooral jongeren leren zich niet te laten leiden door maatschappelijke druk of verkeerde opvattingen over eer.

Leo XIII stelde bovendien voor dat katholieke jongeren onderling een vrijwillige verbintenis zouden aangaan waarbij zij beloofden onder geen enkele omstandigheid aan een duel deel te nemen. Hij vergeleek een dergelijke belofte met bestaande katholieke initiatieven waarbij jongeren zich vrijwillig onthielden van deelname aan verenigingen die de Kerk als moreel schadelijk beschouwde.

Latere context