thumb|Wapensteen met de alliantiewapens De Coninck–Van den Clooster bij het voormalige Huis te Peize, gedateerd 1706
De Coninck was een Utrechts bestuurders- en grondbezittersgeslacht, waarvan verschillende leden tot de ridderschap behoorden. De in 1920 gepubliceerde genealogie begint met Govert de Coninck, die in 1300 en 1310 wordt vermeld. Vanaf de veertiende eeuw was de familie verbonden met Emiclaer en Langenoord bij Amersfoort en vervulden telgen bestuursambten in Amersfoort en Utrecht. In de zestiende en zeventiende eeuw waren familieleden daarnaast actief als militair, marineofficier en gewestelijk bestuurder. Via het huwelijk van Bartholomeus de Coninck met Margaretha Ripperda ontstond in 1652 de Drentse tak De Coninck tot Peize, die het Huis te Peize bewoonde en leden leverde aan de Drentse ridderschap. Het geslacht stierf in 1771 in mannelijke lijn uit.
Geschiedenis
Amersfoort en Utrecht
De vroegst gepubliceerde stamreeks plaatst Govert de Coninck aan het begin van de veertiende eeuw. Zijn zoon Tydeman de Coninck (overleden 1351) was in 1330 schepen van Amersfoort. In de genealogische literatuur wordt Tydeman verbonden met het gerecht Emiclaer en het goed Langenoord, die lenen waren van de Utrechtse Sint-Paulusabdij. Zijn zoon Godart Tydemanszoon de Coninck was in 1351 burgemeester van Amersfoort en werd dat jaar met Emiclaer en Langenoord beleend. Met Johan Godertszoon de Coninck, die tussen 1391 en 1402 als schepen van Utrecht wordt vermeld, verplaatste het bestuurlijke zwaartepunt van de familie zich naar Utrecht.
Godevaert de Coninck (overleden 1454) was tussen 1415 en 1453 schepen en tussen 1417 en 1454 herhaaldelijk burgemeester van Utrecht. In 1419 volgde hij zijn vader op als heer van Emiclaer en Langenoord. Hij trad op als stedelijk bevelhebber, afgevaardigde en bemiddelaar in de conflicten rond het Sticht Utrecht. Zijn zoon Johan de Coninck (overleden 1482) was heer van Emiclaer en Langenoord, schepen van Utrecht en vanaf 1477 lid van de Utrechtse ridderschap. In 1481 werd hij tot schepen-burgemeester gekozen. Hij huwde in 1461 met Johanna van Drakenborch, dochter van de Utrechtse schepen en schout Frederik van Drakenborch en Cornelia Taets van Oudaen.
Hun zoon Godert of Goyert de Coninck was onder meer heer van Emiclaer en Bottestein, baljuw en kastelein van Abcoude en Vreeland, lid van de ridderschap, schepen, burgemeester en schout van Utrecht. Na de onderdrukking van een Utrechtse opstand werd hij op last van bisschop-elect Hendrik van Beieren gevangengenomen en op 15 juli 1525 op de Neude onthoofd. Ook de vroeg-zestiende-eeuwse kroniek van de abdis Henrica van Erp noemt Govaert de Coninck onder de personen die door de bisschop werden gevonnist en onthoofd.
Goderts zoon Alexander, ook Sander of Saris de Coninck genoemd (1504–1574), was burgemeester, schepen en raad van Utrecht en had als bewoner van het door hem gehuurde Kasteel Amerongen zitting in de ridderschap van het Sticht. Hij huwde eerst met Beatrix van Wijck en in 1541 met Anna Occo, dochter van de Amsterdamse bankier Pompejus Occo. Uit het tweede huwelijk stamde Govert of Godert de Coninck (1549–1625), heer van Valthuisch. Deze was kapitein ter zee, trad in 1597 namens Utrecht toe tot de Admiraliteit op de Maze en werd in 1603 schepen van Utrecht. Hij huwde Hermana van Zuylen van Batesteyn en hertrouwde in 1602 met Johanna Splythoff.
Govert en Hermana waren de ouders van Alexander de Coninck (1580–1633), geboren op de ridderhofstad Oudaan bij Breukelen. Hij was kanunnik van Sint-Jan, houtvester van het Sticht Utrecht, rekenmeester in Den Haag, kapitein ter zee en commandeur over de oorlogsschepen die de Neder-Maas en Merwede bewaakten. In 1609 huwde hij Anna van de Wael van Moersbergen, die in 1620 in het kraambed overleed. Hun zoon Godert, ook Goert genoemd, de Coninck (1615–1669) werd kapitein genoemd en huwde Elisabeth van Munster tot Krechting. Diens zoon Alexander de Coninck diende als luitenant te paard en woonde op kasteel Rhodesteijn in Nederlangbroek. Hij huwde Cornelia Verkuijl uit Arnhem, dochter van Gerrit Verkuijl en Margaretha Thomasdr. Een andere zoon van Alexander de Coninck en Anna van de Wael, Bartholomeus, werd de stamvader van de tak te Peize.
Tak De Coninck tot Peize thumb|Het Huis te Peize in 1706, geschilderd door Herman Collenius Bartholomeus de Coninck (1620–1679) huwde in 1652 met Margaretha Ripperda, erfdochter van het Huis te Peize. Op 27 oktober van dat jaar werd hij, na overlegging van een verklaring van de Utrechtse ridderschap over de riddermatige afkomst van zijn voorouders, vanwege het bezit van de havezate toegelaten tot de Drentse ridderschap. Hij was ette van het dingspel Noordenveld en tussen 1667 en 1678 in verschillende perioden gedeputeerde van Drenthe. In 1672 behoorde hij tot de afgevaardigden die tijdens de oorlogsdreiging met de bisschop van Münster overlegden over de brandschattingen van het landschap.
Het Huis te Peize kwam uiteindelijk aan zijn zoon Justus de Coninck (overleden 1724), die vanaf 1685 wegens de havezate in de ridderschap was verschreven. Justus was ette, tussen 1701 en 1719 gedeputeerde en vanaf 1714 assessor van de Etstoel. In 1720 kocht hij de havezate Mensinge in Roden. Het bijbehorende recht van havezate liet hij vervolgens verleggen naar een huis in Roderwolde, dat daarna Mensinga werd genoemd. Zelf bleef hij tot zijn overlijden op het Huis te Peize wonen. Zijn zoon Justus Zeino Abel de Coninck (1698–1742) was militair, ette, gedeputeerde en lid van de ridderschap. Diens zoon Justus Bartholomeus de Coninck (1719–1771), heer van Peize en Mensinge, was kapitein, lid van de Drentse ridderschap en gedeputeerde. Met hem stierf het geslacht in 1771 in mannelijke lijn uit.
In het Drents Archief berusten binnen het archief van Huis Mensinge talrijke stukken uit het vroegere archief van het Huis te Peize. Daartoe behoren onder meer akten over de bezittingen van Bartholomeus, Justus en latere leden van de familie De Coninck. Van het Huis te Peize resteert aan de Brinkweg een als rijksmonument beschermd bouwdeel. In de muur tussen het woonhuis en de schuur bevindt zich een uit de voormalige havezate afkomstige gevelsteen uit 1706 met de alliantiewapens van De Coninck en Van den Clooster.
Familiewapen
Het later gevoerde familiewapen bestaat uit een zilveren schild met drie rode kronen, geplaatst twee boven en één onder. De helm is eveneens met een rode kroon gedekt. Als helmteken worden twee natuurlijke wildemansarmen beschreven, met de ellebogen naar buiten en de opgeheven handen naar elkaar toegewend. In oudere wapenbeschrijvingen komen varianten voor: de kronen werden eerder ook als goud weergegeven en voor het helmteken werden tevens berenpoten of rood geklede armen genoemd. Volgens een door J.A.R. Kymmell aangehaald handschrift wijzigde Godert de Coninck, zoon van Alexander, het voordien gevoerde wapen; Kymmell dateerde die verandering tussen omstreeks 1570 en 1625.
Enkele telgen
Onderstaande genealogische selectie is gebaseerd op de in 1920 door Kymmell gepubliceerde stamreeks. Vanwege de lengte is zij in twee aansluitende delen weergegeven: het eerste deel loopt van Govert de Coninck tot Alexander de Coninck (1580–1633), waarna het tweede deel bij deze Alexander opnieuw begint en zijn nakomelingen weergeeft.
Govert de Coninck, vermeld in 1300 en 1310 Tydeman de Coninck (overleden 1351), schepen van Amersfoort Godart Tydemanszoon de Coninck (overleden 1373), burgemeester van Amersfoort en heer van Emiclaer en Langenoord Johan Godertszoon de Coninck, schepen van Utrecht Godevaert de Coninck (overleden 1454), schepen en burgemeester van Utrecht, heer van Emiclaer en Langenoord Johan de Coninck (overleden 1482), schepen-burgemeester van Utrecht en lid van de ridderschap Godert de Coninck (overleden 1525), heer van Emiclaer en Bottestein, baljuw, kastelein, schepen, burgemeester en schout Alexander de Coninck (1504–1574), burgemeester, schepen en raad van Utrecht Govert de Coninck (1549–1625), heer van Valthuisch, kapitein ter zee, admiraliteitsraad en schepen van Utrecht Alexander de Coninck (1580–1633), kanunnik, houtvester, rekenmeester en kapitein ter zee; huwde Anna van de Wael van Moersbergen
Alexander de Coninck (1580–1633), gehuwd met Anna van de Wael van Moersbergen (overleden 1620) Godert (ook Goert) de Coninck (1615–1669), kapitein; huwde Elisabeth van Munster tot Krechting Alexander de Coninck, luitenant te paard; huwde Cornelia Verkuijl uit Arnhem; kinderen: Elisabeth, Margaretha, Godert Frederik, Catharina, Eva en Sara de Coninck Bartholomeus de Coninck (1620–1679), heer van Peize, ette en gedeputeerde; huwde Margaretha Ripperda Justus de Coninck (overleden 1724), heer van Peize en Mensinge, ette, gedeputeerde en assessor; huwde Abelina van den Clooster Justus Zeino Abel de Coninck (1698–1742), heer van Peize en Mensinge, militair, ette en gedeputeerde; huwde Barbara Elisabeth van Schratenbach Justus Bartholomeus de Coninck (1719–1771), heer van Peize en Mensinge, kapitein en gedeputeerde; huwde Theodarda Suffrida van Unia (1718–1795); laatste mannelijke telg
Literatuur
J.A.R. Kymmell, „Het geslacht De Coninck”, De Navorser, jaargang 69, 1920, p. 17–29, 84–106, 130–139 en 214–223. J. Bos, F.J. Hulst en P. Brood (red.), Huizen van stand. Geschiedenis van de Drentse havezaten en andere herenhuizen en hun bewoners, Meppel/Amsterdam, 1989, p. 384–390. Redmer Alma, Sabine Broekhoven, Saskia van Ginkel-Meester, Chris Kolman en Ronald Stenvert, Monumenten in Nederland. Drenthe, Zeist/Zwolle, 2001, p. 166.
Bronnen
Categorie:Nederlands adellijk geslacht Categorie:Geschiedenis van Utrecht