De diepe rivieren (Spaans: Los ríos profundos) is de derde roman van de Peruaanse schrijver José María Arguedas, uitgegeven in 1958.

Het boek volgt de volwassenwording van de verteller Ernesto in de jaren 20 in het binnenland van Peru. Door de ogen van deze jongen worden thema's als de Inheemse identiteit van Peru, en de onderdrukking als restant van de koloniale periode bekeken.

In 1959 won het boek de Peruaanse Nationale Cultuurprijs (Premio Nacional de Cultura). Het is in vijftien talen vertaald, en wordt gezien als een van de belangrijkste literaire werken uit Peru.

Verhaal

miniatuur|Brug over de Pachachaca, vlakbij Abancay Het verhaal volgt de jonge Ernesto, die met zijn vader door de bergen en dalen van Peruaanse Andes reist op zoek naar werk, in de jaren '20 van de 20e eeuw.

Het begint in Cuzco, waar zijn vader op zoek gaat naar de "Oude Man", tevens Ernesto's oom, die bekend staat als wreed grootgrondbezitter. Deze ontmoeten mondt nergens uit, waarop ze verder reizen.

In Abancay blijft de 14-jarige Ernesto achter op een kostschool, waar het grootste gedeelte van het verhaal afspeelt. Zijn vader vertrekt.

Op de kostschool moet hij zijn plaats vinden als buitenstaander. Hij verlangt naar bij zijn vader te zijn. Op het schoolplein ontstaan telkens ruzies en vriendschappen, doordat de jongens allen op hun eigen manier volwassen worden.

Op een dag breekt er een opstand uit in het dorp. De eigenaressen van de chicharia's, onder leiding van ene Doña Felipa, breken de zoutvoorraad open, waar de staat een monopolie op heeft. Ze delen het uit, en brengen het ook naar de dorpen en arme bewoners van de haciënda's buiten de stad.

Hierop volgt een strenge aanwezigheid van de politie in het leger in Abancay. Doña Felipa weet te ontkomen.

Aan het eind van het boek gaat het gerucht rond dat de tyfus er aan komt. De stad en de kostschool lopen leeg, en Ernesto moet kiezen of hij zijn eigen pad trekt, de Andes in, of intrekt bij zijn wrede oom.

Thema's Omdat het verhaal verteld word vanuit de ogen van een onvolwassen jongen, wordt de belevingswereld beschreven vanuit een perspectief dat niet alles begrijpt. Speelse en magische gedachten, over insecten, tollen en spelletjes staan in schril contrast met de harde werkelijkheid in wereld om hem heen: de uitbuiting van de inheemse bevolking op de suikerrietplantages of haciënda's, onderlinge ruzies, seksualiteit, onderdrukking vanuit de kerk en de staat.

Alhoewel het verhaal fictief is, heeft het boek wel autobiografische elementen. Arguedas gebruikt zijn achtergrond als antropoloog, en zijn kennis van inheemse talen, om de inheemse elementen extra kracht bij te zetten.

Het onderscheid in afkomst afhankelijke klasse, dan wel Europees, Inheems ("Indiaans"), Mesties, of Colono (Inheemse arbeider op de Haciënda's) speelt een grote rol. De taal Quechua is dan ook volop aanwezig, door de gesprekken heen en soms als huayno's, liederen die volledig uitgeschreven staan, vertaald en onvertaald.

Religie, zowel het katholicisme als het lokale geloof komen zij-aan-zij voor. Op de brug van Abancay bidden de mensen zowel naar het kruis als naar de wak'a van de Pachachaca. Ernesto verbaast zich over hoe de priester de schooljongens zo liefkozend kan toespreken, maar ook de uitgebuite colono's huilend op hun knieën kan krijgen.

Categorie:Literatuur in Peru Categorie:Roman uit 1958