Gaetano Sanseverino (Napels, 7 augustus 1811 – aldaar, 17 november 1865)Dovere (2017) geeft 17 november 1865 als sterfdatum. Pizzorni (2003, pp. 671–672) en verschillende oudere naslagwerken geven 16 november. Hier wordt de datum uit het recentere gespecialiseerde Dizionario Biografico degli Italiani gevolgd. was een Italiaans rooms-katholiek priester, theoloog en filosoof. Hij was een van de belangrijkste negentiende-eeuwse bevorderaars van de herleving van het thomisme in Italië en vormde in Napels een kring van leerlingen die de scholastieke filosofie opnieuw bestudeerden en verspreidden. Zijn werk behoort tot de vroege ontwikkeling van wat later als neoscholastiek en neothomisme bekend werd.
Sanseverino trachtte de filosofie van Thomas van Aquino en de middeleeuwse scholastiek opnieuw te doordenken in confrontatie met antieke en moderne filosofische systemen. Zijn omvangrijke Philosophia christiana cum antiqua et nova comparata was daarbij zijn belangrijkste filosofische project. In recente geschiedschrijving is dit werk ook genoemd als een vroege, substantiële uitwerking van het begrip "christelijke filosofie".
Leven
Opleiding en priesterschap Sanseverino werd op 7 augustus 1811 in Napels geboren als zoon van de koopman Paolo Sanseverino en Costanza Castellano. Hij studeerde in 1822–1823 aan het seminarie van Nola, dat toen onder leiding stond van zijn oom Girolamo Sanseverino. Vanaf 1829 vervolgde hij zijn opleiding aan het seminarie van Napels, waar hij onder meer theologie studeerde. Vanaf 1831 gaf hij daar zelf elementaire filosofie. Op 20 september 1834 werd hij tot priester gewijd.
Tijdens de cholera-epidemie van 1837 verrichtte Sanseverino priesterlijk werk in Napolitaanse ziekenhuizen. Daarna kampte hij enige jaren met gezondheidsproblemen, waardoor zijn werkzaamheden tijdelijk werden beperkt. Vervolgens hervatte hij zowel zijn pastorale activiteiten als zijn filosofische studie.
Onderwijs en academische activiteiten Sanseverino gaf achtereenvolgens onderwijs in fundamentele theologie, logica en metafysica aan het kerkelijke lyceum van Napels. In 1846 richtte hij bij het Napolitaanse seminarie een academie voor thomistische filosofie op, gericht op het lezen en becommentariëren van de teksten van Thomas van Aquino. Rond zijn onderwijs ontstond een kring van leerlingen die zijn streven naar herstel van de scholastieke filosofie voortzette. Tot deze kring behoorden onder anderen Nunzio Signoriello, Giuseppe Prisco, Gennaro Portanova en Salvatore Talamo.
Daarnaast was Sanseverino werkzaam bij de Koninklijke Bibliotheek van Napels. Hij werd er in 1847 als schrijver in vaste dienst aangesteld en klom later verder op. In het najaar van 1851 werd hij aan de Universiteit van Napels benoemd tot plaatsvervangend docent ethiek. Op 23 maart 1855 behaalde hij aan dezelfde universiteit een doctoraat in de theologie.
Na de val van het Bourbonbewind en de politieke omwentelingen rond de Italiaanse eenwording verloor Sanseverino in oktober 1860 zowel zijn functie bij de Koninklijke Bibliotheek als zijn universitaire onderwijsopdracht. Eerder dat jaar, op 17 februari, was hij benoemd tot kanunnik van de kathedraal van Napels.
Sanseverino overleed in november 1865 in Napels tijdens een cholera-epidemie. Volgens Dovere werd hij begraven op de begraafplaats voor choleraslachtoffers, waarvan de locatie later verloren ging.
La scienza e la fede In 1841 stichtte Sanseverino zowel de uitgeverij Biblioteca cattolica als het tijdschrift La scienza e la fede. Het tijdschrift werd een belangrijk medium voor de kring rond Sanseverino en behandelde vanuit katholiek-apologetisch perspectief onderwerpen op het terrein van filosofie, theologie, recht, politiek, literatuur en de natuurwetenschappen.
Sanseverino publiceerde er studies over de kerkvaders, scholastieke auteurs en moderne filosofie. Daarbij zette hij zich kritisch uiteen met uiteenlopende moderne filosofische stromingen en denkers. Zijn omgang met bijvoorbeeld het denken van Baruch Spinoza is ook in recente filosofiehistorische literatuur onderzocht.
Het tijdschrift bleef na Sanseverino's overlijden bestaan en werd door zijn leerlingen en medewerkers voortgezet. Daarmee droeg zijn Napolitaanse kring ook na 1865 bij aan de verspreiding van scholastieke en thomistische filosofie.
Filosofie
Van cartesianisme naar thomisme Volgens Reginaldo Maria Pizzorni was Sanseverino aanvankelijk gevormd binnen het cartesianisme, dat in de eerste helft van de negentiende eeuw invloedrijk was in verschillende Italiaanse kerkelijke opleidingen. Door zijn vergelijkende studie van filosofische systemen ging hij zich echter steeds sterker op de scholastiek en in het bijzonder op Thomas van Aquino oriënteren.
Sanseverino beschouwde de scholastieke traditie niet alleen als een historisch studieobject. Hij wilde haar gebruiken voor de behandeling van eigentijdse filosofische problemen. Zijn publicaties waren daarom vaak opgezet als confrontaties tussen de kerkvaders en middeleeuwse scholastici enerzijds en moderne filosofen anderzijds. In zijn polemische werken keerde hij zich onder meer tegen vormen van rationalisme en tegen filosofische posities die hij onverenigbaar achtte met de katholieke leer.
Christelijke filosofie Het meest ambitieuze voorbeeld van deze methode was Philosophia christiana cum antiqua et nova comparata, waarvan vanaf 1862 delen verschenen. Het project was opgezet als een omvangrijke vergelijking van de christelijke filosofische traditie met zowel de antieke als de moderne wijsbegeerte. Het bleef bij Sanseverino's overlijden onvoltooid; verdere delen en bewerkingen verschenen postuum onder verantwoordelijkheid van zijn leerlingen.
Filosoof Fabrizio Amerini heeft erop gewezen dat Sanseverino in dit werk al vóór de twintigste-eeuwse debatten over het begrip een substantiële uitwerking gaf van het idee van een "christelijke filosofie". Bij Sanseverino ontstond deze filosofie volgens Amerini uit de verwerking van de Griekse wijsbegeerte door de Latijnse christelijke en scholastieke traditie.
Betekenis voor de thomistische herleving Sanseverino wordt in het Dizionario di filosofia van Treccani gerekend tot de belangrijkste bevorderaars van de thomistische herleving in de tweede helft van de negentiende eeuw. De school die rond hem in Napels ontstond, werd mede door zijn leerlingen voortgezet. Zijn onderwijs en publicaties droegen eraan bij dat het thomisme al vóór het pontificaat van Leo XIII opnieuw een georganiseerde plaats kreeg binnen het Italiaanse katholieke intellectuele leven.
Er zijn aanwijzingen voor een intellectuele verbinding tussen deze Napolitaanse herleving en de latere kerkelijke bevordering van het thomisme. Abelardo Lobato schrijft in zijn geschiedenis van de Pauselijke Academie van Sint-Thomas van Aquino dat Gioacchino Pecci, de latere Leo XIII, tijdens zijn periode als bisschop van Perugia de ontwikkeling volgde van de Napolitaanse school, waarvan Sanseverino volgens Lobato de leidende figuur was.
In 1879, veertien jaar na Sanseverino's overlijden, publiceerde Leo XIII de encycliek Aeterni Patris, waarin hij opriep tot herstel en verdere bestudering van de scholastieke filosofie, met een bijzondere plaats voor Thomas van Aquino.Leo XIII, Aeterni Patris, encycliek van 4 augustus 1879, met name nrs. 25–31. De encycliek gaf de reeds bestaande thomistische herleving een krachtige officiële kerkelijke impuls.
Sanseverino's in 1846 gestichte Napolitaanse academie moet daarbij niet worden vereenzelvigd met de Pauselijke Academie van Sint-Thomas van Aquino in Rome. Die laatste instelling werd door Leo XIII op 15 oktober 1879, kort na Aeterni Patris, opgericht.Johannes Paulus II, Inter munera academiarum, apostolische brief van 28 januari 1999, nr. 1.
Werken Tot Sanseverino's voornaamste publicaties behoren:
Institutiones logicae et metaphysicae (Napels, 1851; latere uitgaven); La dottrina di s. Tommaso sull'origine del potere e sul preteso diritto di resistenza (Napels, 1853); I principali sistemi della filosofia sul criterio discussi con le dottrine dei SS. Padri e dei Dottori del medio evo (in afleveringen gepubliceerd in 1850–1853; boekuitgave 1858); Elementa philosophiae theoreticae ad usum cleri Neapolitani (Napels, 1858); Philosophia christiana cum antiqua et nova comparata (Napels, vanaf 1862; deels postuum voltooid); Philosophia christiana cum antiqua et nova comparata in compendium redacta (Napels, 1866, postuum); Elementa en latere uitgaven onder de titel Institutiones seu Elementa philosophiae christianae cum antiqua et nova comparata, deels postuum uitgegeven.
Een aantal van Sanseverino's handboeken werd na zijn dood ook buiten Italië gebruikt en verscheen in vertaling. Zijn werken vonden volgens Dovere onder meer ingang in Italiaanse, Franse en Spaanse seminaries.
Zie ook
Thomas van Aquino Thomisme Neoscholastiek Aeterni Patris Leo XIII
Literatuur
Ugo Dovere, "Gaetano Sanseverino filosofo tomista. Tentativo di ricostruzione", Doctor Communis, 31 (1978), pp. 72–97. Pasquale Orlando, "L'Accademia tomista a Napoli", in Saggi sulla rinascita del tomismo nel secolo XIX, Rome, 1974, pp. 141–219. Pasquale Orlando, "Napoli nella storia del neotomismo del secolo XIX", in Tommaso d'Aquino nella storia del pensiero, deel II, Napels, 1976, pp. 159–169. Pasquale Orlando, "Gaetano Sanseverino", Campania sacra, 15–17 (1984–1986), pp. 319–326. Hermann M. Schmidinger, "Der Streit um die Anfänge der italienischen Neuscholastik", in Emerich Coreth e.a. (red.), Christliche Philosophie im katholischen Denken des 19. und 20. Jahrhunderts, deel II, Graz, 1988, pp. 72–82.
Bronnen
Categorie:Italiaans filosoof Categorie:Italiaans theoloog Categorie:Italiaans rooms-katholiek priester Categorie:19e-eeuws filosoof