De Gustaaf-Adolf-Vereniging, officieel de Nederlandse Gustaaf Adolf Vereniging en oorspronkelijk geschreven als Nederlandsche Gustaaf-Adolf-Vereeniging, was een Nederlandse protestantse hulpvereniging. Zij werd in 1853 opgericht om kleine en financieel zwakke protestantse gemeenten en instellingen in Nederland en daarbuiten te ondersteunen. De vereniging was geïnspireerd op de Duitse Gustav-Adolf-Stiftung, maar koos al bij haar oprichting voor een zelfstandige koers. Een belangrijk twistpunt was dat de Nederlandse vereniging ook remonstranten en doopsgezinden wilde steunen, terwijl de Duitse organisatie deze geloofsgemeenschappen uitsloot.
Achtergrond
De eerste Gustav-Adolf-Stiftung werd in 1832 in Leipzig opgericht. Aanleiding was de herdenking van de tweehonderdste sterfdag van koning Gustaaf II Adolf van Zweden. De Zweedse koning was in 1632 tijdens de Slag bij Lützen omgekomen. Omdat hij in de Dertigjarige Oorlog aan protestantse zijde had gestreden, groeide hij in verschillende protestantse landen uit tot een symbool van de verdediging van het protestantisme.
De Duitse stichting zamelde geld in voor protestantse gemeenten die als minderheid in overwegend rooms-katholieke gebieden leefden. Het eerste steunbedrag, vijftig daalders, ging in januari 1833 naar de protestantse gemeente van Karlshuld in Beieren. In de daaropvolgende jaren ontstonden afdelingen en verwante verenigingen buiten Duitsland.
Oprichting in Nederland In 1852 werden de eerste voorbereidingen getroffen voor een Nederlandse afdeling. In het voorjaar van 1853 bezochten twee Duitse vertegenwoordigers Nederland om belangstelling voor de organisatie te wekken. Vervolgens ontstonden plaatselijke afdelingen, onder meer in Leiden, Haarlem, Amsterdam en Den Haag.
Op 23 september 1853 vond in Leiden een algemene vergadering plaats. De statuten werden op 11 oktober vastgesteld en op 1 november volgde de eerste openbare bijeenkomst. Tot de initiatiefnemers behoorden de Leidse predikant Christiaan Krabbe en de oudheidkundige Leonhardt Johannes Friedrich Janssen. Krabbe werd een van de eerste bestuurders; het hoofdbestuur van de vereniging was aanvankelijk in Leiden gevestigd.
De oprichting vond plaats in een periode van versterkt protestants zelfbewustzijn. In 1853 had het herstel van de rooms-katholieke bisschoppelijke hiërarchie de Aprilbeweging uitgelokt. Zowel de Gustaaf-Adolf-Vereniging als de ongeveer gelijktijdig opgerichte Evangelische Maatschappij profiteerde van de behoefte aan protestantse samenwerking. Rond Hervormingsdag werden bijeenkomsten gehouden en inzamelingen georganiseerd voor protestantse minderheden.
Zelfstandige koers Aanvankelijk was het de bedoeling dat de Nederlandse organisatie onderdeel zou worden van het Duitse verband. Bij de vaststelling van de statuten ontstond echter een principieel verschil. De Duitse stichting verleende alleen steun aan lutherse, hervormde en verenigde protestantse gemeenten. Het Nederlandse bestuur wilde de vereniging openstellen voor protestanten van alle kerkelijke richtingen, waaronder remonstranten en doopsgezinden.
Het Duitse hoofdbestuur weigerde de Nederlandse afdeling te erkennen zolang deze ruimere bepaling in de statuten bleef staan. De Nederlandse initiatiefnemers wilden de twee kleinere kerkgenootschappen niet uitsluiten en besloten daarom als zelfstandige vereniging verder te gaan. De vereniging bleef de naam van Gustaaf Adolf gebruiken, maar maakte organisatorisch geen deel uit van de Duitse stichting.
Werkzaamheden De vereniging verzamelde contributies, giften en opbrengsten van bijeenkomsten en publicaties. Het geld werd gebruikt voor de bouw en het herstel van kerken en scholen, de inrichting van kerkzalen en de ondersteuning van kleine protestantse gemeenten. Vooral gemeenten in overwegend rooms-katholieke streken deden een beroep op de vereniging. Daarnaast werden protestantse gemeenschappen in andere Europese landen geholpen.
Aanvragen werden behandeld door het hoofdbestuur en de plaatselijke afdelingen. Uit het bewaard gebleven archief blijkt dat steunverzoeken afkomstig waren uit plaatsen verspreid over heel Nederland, van Aalst en Bergeijk tot Waalwijk en Zwijndrecht. Daarnaast bestond een afzonderlijke administratie voor buitenlandse hulpverlening.
De vereniging groeide in haar eerste decennia betrekkelijk snel. In 1863 werd tijdens een algemene vergadering gemeld dat zij in heel Nederland 4.370 leden telde. Plaatselijke afdelingen organiseerden lezingen, kerkdiensten en collecten. Gemeenten die steun ontvingen, probeerden soms uit dankbaarheid zelf leden voor de vereniging te werven.
De Leidse hoogleraar en predikant Lodewijk Willem Ernst Rauwenhoff trad op 5 september 1859 toe tot het hoofdbestuur. Hij bleef daar bijna dertig jaar deel van uit en was ongeveer veertien jaar voorzitter.
Vrouwenafdelingen Na de viering van het 25-jarig bestaan in 1878 werden in verschillende plaatsen afzonderlijke vrouwenafdelingen opgericht. Deze afdelingen zamelden geld in, organiseerden bijeenkomsten en ondersteunden de plaatselijke afdelingsbesturen. In het archief zijn stukken van vrouwenafdelingen uit de periode 1879–1943 bewaard gebleven.
De vorming van vrouwenafdelingen bood protestantse vrouwen een eigen organisatorische rol binnen het verenigingswerk. In Leiden ontstond een dergelijke afdeling kort na de jubileumviering van 1878.
Publicaties Vanaf 1857 gaf de vereniging de reeks Tafereelen en berigten uit de geschiedenis der Protestantsche Kerk in onze dagen uit. Daarin verschenen berichten over kleine protestantse gemeenten, kerkbouw, geloofsvervolging en hulpacties in binnen- en buitenland. De verhalen maakten voor de leden zichtbaar waaraan hun bijdragen werden besteed en dienden tevens om nieuwe giften te verzamelen. Exemplaren en administratieve stukken van deze reeks zijn tot 1911 in het verenigingsarchief bewaard gebleven.
De Utrechtse predikant en hoogleraar Johannes Jacobus van Oosterzee beval het werk van de vereniging in 1857 aan in de brochure Een papieren noodmunt. De Gustaaf-Adolf-Vereeniging aanbevolen. De titel verwees naar het idee dat een geschrift, hoewel zelf slechts papier, door de verkoopopbrengst in daadwerkelijke financiële steun kon worden omgezet.
In de twintigste eeuw verscheen enige tijd het kwartaalblad Gustaaf Adolf. De vereniging werkte daarnaast samen met de Evangelische Maatschappij aan De Protestant, een periodiek dat van 1896 tot 1968 verscheen.
Laatste periode Ook in de twintigste eeuw bleef de vereniging steun verlenen aan protestantse gemeenten en instellingen. Door ontkerkelijking, veranderende kerkelijke verhoudingen en de ontwikkeling van landelijke kerkelijke organisaties nam de betekenis van particuliere confessionele hulpverenigingen geleidelijk af.
Het archief bevat binnenlandse en buitenlandse subsidiedossiers tot 1975. Een werkgroep voor de Liemers bleef tot 1978 actief. Het Nationaal Archief en Het Utrechts Archief hanteren 1978 als eindjaar van de organisatie en haar archiefvorming. Een afzonderlijk besluit waarbij de vereniging formeel werd ontbonden, is in de beschikbare beschrijvingen niet vermeld.
Externe link Inventaris van het archief van de Nederlandse Gustaaf Adolf Vereniging bij Het Utrechts Archief
Categorie:Protestantisme in Nederland Categorie:Nederlandse vereniging