De SMS Ostfriesland was het tweede schip uit een reeks van vier dreadnoughts in de Helgoland-klasse. De Ostfriesland was in dienst bij de Kaiserliche Marine tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het schip werd genoemd naar een Duitse streek, Ostfriesland. De kiel werd in oktober 1908 gelegd en op 30 september 1909 werd het schip te water gelaten. Ze nam dienst bij het 1e slageskader van de Hochseeflotte op 1 augustus 1911. De hoofdbewapening van het schip bestond uit twaalf 305 mm kanonnen in zes dubbele torens en ze kon een snelheid halen van 21 knopen (39 km/h). De Ostfriesland werd ingedeeld bij het 1e slageskader voor het grootste deel van haar carrière, inclusief de Eerste Wereldoorlog. Op 21 juli 1921 werd het door de marine van de Verenigde Staten als eerste slagschip in de wereldgeschiedenis middels luchtaanvallen tot zinken gebracht.
Dienst Op 29 april 1912 stapte eskaderchef viceadmiraal Hugo von Pohl over van de Westfalen naar de Ostfriesland, waarmee het schip eskaderflagschip werd. Op 29 september 1912 droeg von Pohl de eskaderleiding over aan schout-bij-nacht Wilhelm von Lans, die op 27 december 1913 tot viceadmiraal werd bevorderd.
De Ostfriesland nam, ondanks de politieke spanningen, deel aan de lang geplande reis naar Noorwegen van de gehele Hochseeflotte, die op 13 juli 1914 begon. Na de voortijdige afbreking arriveerde het op 29 juli 1914, kort voor het uitbreken van de oorlog, weer in Wilhelmshaven. In oktober 1914 werden er twee luchtafweergeschutten (toen aangeduid als ballonafweergeschut) aan boord geïnstalleerd.
Oorlogsmissies
Met het eskader vormde het op 2 november 1914 een opstelling op de rede van Schillig en op 15 december 1914 een opstelling op de Doggersbank. Op 24 december 1915 voer het uit met het 1e en 2e slageskader om de kruisers op te vangen na de slag op de Doggersbank. De kruisers kwamen om 15.25 uur in zicht en om 19.05 uur ankerde het 1e slageskader zonder vijandelijk contact weer bij Schillig.
Op 16 februari 1915 werd viceadmiraal Richard Eckermann de nieuwe eskaderchef. Op 29 maart, 17 april, 17 mei en 29 mei was het schip opnieuw op zee bij eskaderinzetten. Op 4 augustus 1915 voer het met het 1e slageskader de Oostzee binnen en dekte vervolgens de Duitse doorbraakformatie bij de opmars naar de Golf van Riga. Op 26 augustus was Wilhelmshaven weer bereikt. Diezelfde dag nam viceadmiraal Ehrhard Schmidt het 1e slageskader over.
Slag bij Jutland
Daarop volgden diverse vlootuitvaren en op 31 mei juni 1916 vond de confrontatie met de Royal Navy plaats in de Zeeslag bij Jutland. Tijdens de operatie was de Ostfriesland het leidende schip van het 1e slageskader en het negende schip in de lijn van de 24 grote oorlogsschepen. Het 1e slageskader vormde het centrum van de Duitse linie, achter de acht slagschepen van de König- en Kaiserklasse. De Ostfriesland voerde de vlag van viceadmiraal Ehrhardt Schmidt, de eskadercommandant tijdens de slag en plaatsvervangend bevelhebber van Admiraal Reinhard Scheer. In de loop van de slag was het schip betrokken bij de vernietiging van een Britse torpedobootjager en de pantserkruiser Black Prince.
Op 31 mei om 17.45 uur gaf Scheer het bevel tot een gevechtskeerbeweging naar bakboord om zijn schepen dichter bij de Britse slagkruisers te brengen. Een minuut later werd het vuurbevel gegeven. Terwijl de voorste slagschepen het Britse slagkruisereskader bestookten, vuurden de Ostfriesland en tien andere slagschepen op het Britse 2e Lichte Kruisereskader. De Ostfriesland, Kaiser en Nassau vielen de lichte kruiser HMS Southampton aan, maar alleen de Nassau scoorde een treffer. Na ongeveer 15 minuten verlegde de Ostfriesland het vuur naar de HMS Birmingham en HMS Nottingham, maar raakte opnieuw niet. Kort na 19.15 uur kwam het Britse slagschip HMS Warspite binnen bereik en de Ostfriesland opende om 19.25 uur het vuur met haar hoofdbatterij op afstanden van 9.900 tot 13.700 m. Ze scoorde treffers met haar derde en vierde salvo. De Warspite werd in die periode door in totaal dertien zware granaten getroffen.
Om 20.15 uur zag de Duitse gevechtslinie zich voor de tweede keer geconfronteerd met de volledig opgestelde Grand Fleet. Scheer beval om 20.17 uur opnieuw een gevechtskeerbeweging, die werd gedekt door een aanval van de slagkruisers van de 1e Verkenningsgroep en een torpedobootaanval. Rond 23.30 uur hervormde de Duitse vloot zich tot de nachtvaartformatie. De Ostfriesland was nu het achtste schip in de linie van 24 schepen. Een uur later stuitten de voorste eenheden van de Duitse linie op Britse kleinere schepen en ontstond er een hevig vuurgevecht van korte afstand. Rond 01.10 uur stuitte de pantserkruiser HMS Black Prince op de Duitse linie. De Thüringen verlichtte het schip met haar zoeklichten en beschoot het met salvo's van 30,5 cm-granaten. De Ostfriesland vuurde met haar 15 cm-kanonnen en de Kaiser vuurde zowel 30,5 cm- als 15 cm-granaten af. Binnen minder dan een minuut verscheurden twee geweldige explosies de Britse pantserkruiser en doodden de volledige bemanning van 857 man. In de loop van de slag vuurde de Ostfriesland 111 granaten af uit haar hoofdbatterij, 101 granaten uit haar 15 cm-kanonnen en één enkele 8,8 cm-granaat. Tijdens de terugtocht liep het om 06.20 uur met stuurboordzijde op een mijn, die waarschijnlijk op 4 mei door de Britse torpedobootjager HMS Abdiel was gelegd, wat leidde tot aanzienlijke waterinsijpeling. De verliezen bedroegen één dode en tien gewonden. De mijnontploffing scheurde een gat van 12,2 m × 4,9 m. Met een anti-onderzeebootescorte van twee torpedobootjagers en een torpedoboot voer het nu langzaam richting Wilhelmshaven. Uiteindelijk werd de escorte versterkt door een watervliegtuig dat om 12.20 uur een vermeende Britse onderzeeboot ontdekte. De Ostfriesland week uit, waardoor het torpedoschot, dat licht beschadigd was door de mijnontploffing, openscheurde. Er stroomde meer water in het schip, waardoor een slagzij van 4,75 graden naar stuurboord ontstond, wat het slagschip dwong opnieuw vaart te minderen. Om 14.20 uur vroeg het schip hulp aan een pompenschip, maar om 14.45 uur was de overstroming onder controle. Het schip kon geleidelijk zijn snelheid opvoeren tot 10 knopen (19 km/u) en bereikte om 18.15 uur de haven van Wilhelmshaven. Tot 25 juli lag het in de Keizerlijke Werf Wilhelmshaven.
Het jaar 1917 verliep relatief rustig met patrouilledienst en oefenvaarten. Met de afsluiting van de gevechten om de Baltische eilanden arriveerde het 1e slageskader op 28 oktober in de Baai van Puck; op 29 voer de Ostfriesland samen met haar zusterschip Thüringen verder naar Arensburg. Op 2 november begon men aan de terugtocht.
Op 22 januari 1918 kwam viceadmiraal Friedrich Boedicker als nieuwe eskaderchef aan boord. Op 23 april nam het deel aan de laatste Noordzee-uitval van de Hochseeflotte. Van maart 1918 tot het einde van de oorlog nam kapitein-ter-zee Hans Herr het commando over het schip over. Op 8 augustus arriveerde het, als onderdeel van een speciaal verband dat was samengesteld voor operatie Schlussstein onder viceadmiraal Boedicker, in de westelijke Oostzee. Op 23 augustus keerde de Ostfriesland terug naar Wilhelmshaven.
Op 3 november, na het opgegeven vlootbevel van 24 oktober 1918, voer het eskader de Elbemonding binnen en legde aan in de sluis van Brunsbüttel. Op 6 november werd het gezag overgenomen door de soldatenraad. Op 9 november voer het eskader weer Wilhelmshaven binnen. In de periode van 21 tot 25 november werd de Ostfriesland ontwapend. Het eskadercommando werd op 30 november ontbonden. Het schip diende als moederschip voor de bemanningen van het eskader en werd op 16 december 1918 buiten dienst gesteld.
Lot Volgens de wapenstilstandsakkoorden zou het grote linieschip niet geïnterneerd worden in Scapa Flow. Op 5 november 1919 werd de Ostfriesland uit de lijst van oorlogsschepen geschrapt. Extra eisen van de geallieerden leidden tot uitlevering van het schip aan de Verenigde Staten. Op 7 april 1920 voer het met Duitse bemanning uit Wilhelmshaven en arriveerde op 9 april in Rosyth, waar het als herstelingsschip 'H' werd overgenomen door de United States Navy. Voor de overtocht naar de VS stelde de US Navy het schip op 7 april 1920 in dienst. Na aankomst in New York werd het op 20 september 1920 buiten dienst gesteld.
Op 4 januari 1921 verliet het New York voor zijn laatste reis om voor Virginia Beach bij Cape Henry te dienen als doelschip voor het testen van vliegtuigbommen. Op 20 juli 1921 vond de eerste aanval plaats met Martin-bommenwerpers. Daarbij werden 69 bommen afgeworpen met een gewicht variërend van 115 tot ruim 900 kilogram. Het schip, dat op zee dobberde en voorzien was van opvallende markeringen, kreeg 13 treffers. Bij de tweede aanval op 21 juli troffen drie van de elf bommen. Door lekken zakte het wrak binnen vier uur vooraan één meter en achteraan 0,30 meter dieper weg.
Bij de derde aanval met vliegtuigen van het type Handley Page HP.16 vielen zes bommen van maximaal 906 kilogram. Nabij-inslagen zorgden ervoor dat het schip op zijn zij draaide en binnen tien minuten zonk. Het wrak ligt nog steeds op ongeveer 125 meter diepte.
De Ostfriesland was het eerste slagschip dat door luchtaanvallen werd gezonken. De door generaal Billy Mitchell uitgevoerde test bewees de kwetsbaarheid van grote oorlogsschepen voor luchtaanvallen. De US Navy trok destijds echter geen conclusies uit de test.
Zie ook
Lijst van schepen van de Kaiserliche Marine
Categorie:Schip op naam Categorie:Slagschip