Aart de Groot (Den Dolder, 4 oktober 1929 – Oosterbeek, 6 november 2022) was een Nederlands kerkhistoricus en theoloog. Hij was vanaf 1967 verbonden aan de theologische faculteit van de Universiteit Utrecht en werd de drijvende kracht achter de eerste vier delen van het Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme. Daarnaast specialiseerde hij zich in het socinianisme en de Radicale Reformatie en publiceerde hij over onder meer Gisbertus Voetius, de Nederlandse kerkgeschiedenis rond 1800 en de geschiedenis van de Evangelische Broedergemeente.

Leven en opleiding De Groot werd geboren als tweede kind van Arjen Rinze de Groot en Hermina Helena Wilhelmina Lasterie. Zijn vader was tekenleraar. Het gezin woonde achtereenvolgens in Den Dolder, Amersfoort en vanaf 1941 in Arnhem, waar De Groot het Christelijk Lyceum bezocht. Al tijdens zijn schooltijd ontwikkelde hij een sterke belangstelling voor algemene en Nederlandse geschiedenis en hield hij zich bezig met genealogisch onderzoek.

Aanvankelijk wilde hij geschiedenis studeren, maar in 1947 koos hij voor een studie theologie aan de Universiteit Utrecht. Tijdens zijn studie raakte hij in het bijzonder geïnteresseerd in de kerkgeschiedenis. Hij volgde onder meer onderwijs bij A.A. van Ruler en nam van 1948 tot 1950 deel aan een privatissimum van kerkhistoricus Maarten van Rhijn. Daar werd het leven en werk van Jodocus Heringa bestudeerd, een theoloog naar wie De Groot later zelf uitvoerig onderzoek zou verrichten.

Op 14 juni 1950 legde hij het kandidaatsexamen theologie af. Na zijn kerkelijk examen verbleef hij in het kader van een studieprogramma van de Wereldraad van Kerken enige tijd aan de Kirchliche Hochschule in Berlijn. Later werkte hij daar als vicaris bij de Nederlandse oecumenische gemeente. Ook volgde hij een opleiding aan de Graduate School for Ecumenical Studies in Bossey bij Genève.

In 1955 werd De Groot toegelaten als kandidaat tot de Heilige Dienst in de Nederlandse Hervormde Kerk, maar hij stelde zich niet als predikant beroepbaar. Zijn belangstelling verschoof steeds sterker naar de kerkgeschiedenis.

Onder invloed van Van Rhijn koos hij Johannes Henricus van der Palm als onderwerp van zijn verdere onderzoek. In 1957 behaalde hij zijn doctoraalexamen met een studie over Van der Palm als homileet. Op 20 september 1960 promoveerde hij aan de Universiteit Utrecht cum laude op Leven en arbeid van J.H. van der Palm. Het proefschrift behandelde Van der Palm als theoloog, letterkundige, bestuurder en politicus in de overgangstijd rond de Bataafse Republiek.

Loopbaan thumb|260px|Het Academiegebouw van de Universiteit Utrecht. De Groot was vanaf 1967 verbonden aan de Utrechtse theologische faculteit.

Vanaf 1956 werkte De Groot als godsdienstleraar aan het Koninklijk Athenaeum in Kapellen bij Antwerpen. Daarnaast werd hij omstreeks 1960 lector aan de Protestantse Theologische Faculteit in Brussel.

Op 21 december 1960 trouwde hij met de theologe Hetty Johanna Dorlas. Het echtpaar vestigde zich in Brasschaat en kreeg twee zonen. Dorlas werd later predikant en was onder meer van 1980 tot 1990 verbonden aan de Evangelische Broedergemeente in Zeist.

In de jaren zestig keerde De Groot terug naar Nederland. Hij werkte ruim drie jaar als vakreferent theologie bij de Universiteitsbibliotheek Leiden. Eind 1966 werd hem door zijn voormalige docent S. van der Linde een functie aangeboden aan de theologische faculteit van de Universiteit Utrecht. In 1967 werd De Groot daar wetenschappelijk ambtenaar bij de leerstoel geschiedenis van het gereformeerd protestantisme. Het gezin vestigde zich in Groenekan.

De Groot bleef tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd in 1994 aan de Utrechtse faculteit verbonden. Hij verrichtte er onderzoek, begeleidde studenten en onderzoekers en trad onder meer op als copromotor.

Biografisch Lexicon Een belangrijk deel van De Groots werkzaamheden stond in het teken van de protestantse biografische geschiedschrijving. Kerkhistorici hadden sinds het begin van de twintigste eeuw gewerkt aan het Biographisch Woordenboek van Protestantsche Godgeleerden in Nederland. Na het overlijden van de drijvende kracht Jan Pieter de Bie in 1959 kwam deze reeks tot stilstand.

Vanuit het Utrechtse Kerkhistorisch Gezelschap ontstond het plan het project in een nieuwe vorm voort te zetten. De Groot werd hiervoor als redactiesecretaris aangesteld. Onder zijn leiding kreeg het nieuwe Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme een andere opzet. In plaats van één doorlopend alfabet bevatte ieder deel een eigen selectie personen. De lemma's moesten naast biografische gegevens ook aandacht besteden aan de theologische positie en kerkhistorische betekenis van de beschreven personen.

Onder De Groots leiding verschenen de eerste vier delen in 1978, 1983, 1988 en 1994. Hij verzorgde een groot deel van de redactionele en bibliografische werkzaamheden, begeleidde auteurs en leverde zelf biografische bijdragen. Volgens zijn biograaf Fred van Lieburg was de kwaliteit van het lexicon in belangrijke mate te danken aan De Groots nauwkeurigheid, professionaliteit en vasthoudendheid.

De reeks werd na zijn pensionering voortgezet. Een vijfde deel verscheen in 2001 onder leiding van Jacob van Sluis en het zesde deel in 2006 onder leiding van Jan Wim Buisman.

Onderzoek Socinianisme en radicale Reformatie thumb|260px|Fausto Sozzini, naar wie het socinianisme is genoemd. De Groot ontwikkelde zich tot een specialist in de geschiedenis van deze stroming.

Vanaf het einde van de jaren zestig ontwikkelde De Groot een bijzondere belangstelling voor het socinianisme. De aanleiding was een bijdrage die hij in 1968 voor de Grote Nederlandse Larousse Encyclopedie schreef over de Engelse unitarische theoloog John Biddle. Hierdoor raakte hij geïnteresseerd in de religieuze beweging die haar naam ontleende aan de Italiaanse theoloog Fausto Sozzini.

De Groot bestudeerde vooral de verspreiding van het socinianisme in Polen, Zevenburgen en de Nederlanden. Hij maakte verschillende studiereizen naar Oost-Europa, bezocht internationale wetenschappelijke congressen en publiceerde meer dan twintig artikelen over sociniaanse onderwerpen. Tijdens een internationale Socinus-herdenking in Leiden in 2004 werd hij door historicus Piet Visser aangeduid als de grand old man van het Nederlandse onderzoek naar het socinianisme.

Zijn belangstelling voor deze stroming bracht hem ook bij de bredere geschiedenis van de Radicale Reformatie. Tegelijkertijd hield hij zich bezig met vertegenwoordigers van de gereformeerde orthodoxie. Zo onderzocht hij het werk van Gisbertus Voetius, gaf hij colleges over hem en werkte hij mee aan de bundel De onbekende Voetius, die in 1989 verscheen naar aanleiding van een wetenschappelijk symposium in Utrecht.

Nederlandse kerkgeschiedenis De Groot verrichtte daarnaast uitgebreid onderzoek naar de Nederlandse kerk- en theologiegeschiedenis van de achttiende en negentiende eeuw. Na zijn promotie richtte hij zich onder meer op het leven en werk van Jodocus Heringa. Hij kon daarbij gebruikmaken van onderzoeksmateriaal van zijn leermeester Maarten van Rhijn en kreeg toegang tot het familiearchief van Heringa. Hoewel een geplande monografie niet tot stand kwam, resulteerde het onderzoek in verschillende artikelen.

Ook schreef De Groot over tijdgenoten van Heringa, waaronder David Kleman, Elias Annes Borger en Willem Broes. Hij publiceerde studies over de Utrechtse coetus van 1797 en over het Algemeen Reglement voor het Bestuur van de Hervormde Kerk van 1816. Voor de Algemene Geschiedenis der Nederlanden behandelde hij kerk en theologie in de periode 1795–1841.

Daarnaast hield De Groot zich bezig met de geschiedenis van de Herrnhutters in Nederland. Samen met historicus Paul Peucker redigeerde hij in 1996 de bundel De Zeister Broedergemeente 1746–1996. Bijdragen tot de geschiedenis van de Herrnhutters in Nederland.

Kerkhistorische organisaties In 1977 trad De Groot toe tot de redactie van het Documentatieblad voor de Nederlandse kerkgeschiedenis van de negentiende eeuw, dat later werd voortgezet als het Documentatieblad voor de Nederlandse Kerkgeschiedenis na 1800. Hij leverde tientallen bijdragen en boekbesprekingen aan het tijdschrift.

In 1989 was hij nauw betrokken bij de oprichting van de Vereniging voor Nederlandse Kerkgeschiedenis. Hij werd voorzitter van de redactie van het verenigingsorgaan en bedacht voor het blad de naam Kerktijd. Het blad werd in 1998 voortgezet als het Tijdschrift voor Nederlandse Kerkgeschiedenis.

De Groot was tevens langdurig lid van het Utrechtse Kerkhistorisch Gezelschap. In januari 2014 beëindigde hij na vijftig jaar zijn actieve deelname aan dit gezelschap.

Vanaf 1975 was hij lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.

Levensbeschouwing De Groot was vanuit zijn opleiding aanvankelijk gericht op het predikantschap binnen de Nederlandse Hervormde Kerk. In de jaren zestig nam hij geleidelijk afstand van het christelijk geloof. Vanaf de zomer van 1963 hield hij geen preekbeurten meer. Later omschreef hij zichzelf als agnost.

Deze persoonlijke ontwikkeling maakte geen einde aan zijn betrokkenheid bij kerkgeschiedenis en theologie. Hij bleef werkzaam binnen de theologische faculteit en was als echtgenoot van een predikante nauw betrokken bij het kerkelijke leven. Zijn wetenschappelijke belangstelling voor het christendom benaderde hij in toenemende mate vanuit historisch perspectief.

Latere jaren en nalatenschap Na zijn pensionering bleef De Groot onderzoek doen en publiceren. In 1998 nam hij het initiatief tot een geschiedenis van de Utrechtse theologische faculteit. Samen met Otto J. de Jong redigeerde hij Vier eeuwen theologie in Utrecht, dat in 2001 verscheen en voor een belangrijk deel bijdragen van De Groot zelf bevatte.

In 2005 verhuisde hij met zijn echtgenote naar de omgeving van Doorwerth. In zijn latere jaren schreef hij een omvangrijke autobiografische terugblik en bleef hij betrokken bij historische en kerkelijke onderwerpen. In 2021 besloten De Groot en zijn vrouw te verhuizen naar een zorgvoorziening in Oosterbeek.

De Groot had zijn persoonlijke archief al eerder bestemd voor het HDC Centre for Religious History van de Vrije Universiteit Amsterdam. In mei 2022 werd het grootste gedeelte van zijn wetenschappelijke documentatie en andere archivalia daarheen overgebracht.

Hij overleed op 6 november 2022 in Oosterbeek op 93-jarige leeftijd.

Selectie uit de publicaties 1960 – Gestalten uit de kerkgeschiedenis, 2 delen. 1960 – Leven en arbeid van J.H. van der Palm. Proefschrift, Universiteit Utrecht. 1964 – Repetitie 1864–1964. Indrukken uit het verleden van het eerste christelijke gymnasium/lyceum te Zetten-Arnhem. 1978–1994 – Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme, delen 1–4 (redactie met anderen). 1989 – De onbekende Voetius. Voordrachten wetenschappelijk symposium Utrecht 3 maart 1989 (redactie met J. van Oort, C. Graafland en O.J. de Jong). 1996 – De Zeister Broedergemeente 1746–1996. Bijdragen tot de geschiedenis van de Herrnhutters in Nederland (redactie met Paul Peucker). 2001 – Vier eeuwen theologie in Utrecht. Bijdragen tot de geschiedenis van de theologische faculteit aan de Universiteit Utrecht (redactie met Otto J. de Jong).

Literatuur Fred van Lieburg, “Aart de Groot. Den Dolder 4 oktober 1929 – Oosterbeek 6 november 2022”, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 2021–2022, Leiden, 2023, p. 115–127. Frits G.M. Broeyer, “In memoriam Aart de Groot (Den Dolder, 4 oktober 1929 – Oosterbeek, 6 november 2022)”, Documentatieblad voor de Nederlandse Kerkgeschiedenis na 1800, 46 (2023), nr. 99, p. 135–137.

Externe links

Levensbericht van Aart de Groot bij de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren

Categorie:Nederlands kerkhistoricus