Maarten van Rhijn (Groningen, 29 april 1888 – Bilthoven, 3 oktober 1966) was een Nederlands theoloog, kerkhistoricus, hervormd predikant en hoogleraar aan de Universiteit Utrecht. Zijn wetenschappelijke belangstelling richtte zich vooral op de kerk- en dogmengeschiedenis en het Nieuwe Testament. Hij publiceerde onder meer over Wessel Gansfort, Maarten Luther, de negentiende-eeuwse Nederlandse theologie en Johannes Jacobus van Oosterzee. Van 1926 tot 1934 was hij hoogleraar vanwege de Nederlandse Hervormde Kerk in Utrecht en van 1934 tot zijn emeritaat in 1958 gewoon hoogleraar kerk- en dogmengeschiedenis.P.L. Schram, “Rhijn, Maarten van”, in: Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands Protestantisme, deel 1, Kampen: Kok, 1978, p. 278–280.

Leven en loopbaan Van Rhijn was een zoon van de theoloog en hoogleraar Cornelis Hendrikus van Rhijn en Aletta Kruyt. Hij groeide op in Groningen, waar zijn vader hoogleraar in de theologie was. Tijdens zijn studie hielp hij zijn vader bij het optekenen van grafschriften in de Martinikerk. Het daar aanwezige gedenkteken voor de laatmiddeleeuwse theoloog Wessel Gansfort wekte zijn belangstelling voor deze Groningse geleerde.Universiteitsbibliotheek Groningen, Archief Maarten van Rhijn, collectie UBG087, geraadpleegd 6 september 2026.

Van Rhijn studeerde theologie aan de Rijksuniversiteit Groningen en legde zijn examens volgens zijn biograaf G.P. van Itterzon cum laude af. Op 22 juni 1917 promoveerde hij eveneens cum laude op het proefschrift Wessel Gansfort. Gansfort bleef ook daarna een belangrijk onderwerp in zijn wetenschappelijke werk.

In 1915 werd Van Rhijn benoemd tot studiesecretaris van de Nederlandse Christen-Studenten Vereniging (NCSV). Samen met H.C. Rutgers betrok hij in 1916 voor deze organisatie het centrum Bloemenheuvel in Zeist, waarna de activiteiten later werden voortgezet op kasteel Hardenbroek en het conferentieoord Woudschoten. Binnen de NCSV hield Van Rhijn zich vooral bezig met bijbelstudie, studentenkringen en conferenties.

In 1919 huwde hij Louise Wilhelmina Wolterbeek. Het echtpaar vestigde zich op De Leemkolk in Werkhoven. Van Rhijn bleef tot 1926 voor de NCSV werkzaam.

Op 25 juni 1926 werd hij bevestigd als predikant van de hervormde gemeente te Groesbeek. Zijn predikantschap duurde slechts enkele weken. Nog datzelfde jaar werd hij benoemd tot hoogleraar vanwege de Nederlandse Hervormde Kerk aan de Rijksuniversiteit Utrecht, als opvolger van Jan Rudolph Slotemaker de Bruïne, die minister was geworden. In november 1926 aanvaardde hij zijn Utrechtse hoogleraarschap.

In 1934 volgde zijn benoeming tot gewoon hoogleraar kerk- en dogmengeschiedenis. Hij volgde daarmee Johan Adam Cramer op. Van Rhijn bleef deze leerstoel tot zijn emeritaat in 1958 bekleden. Op 22 mei van dat jaar hield hij zijn afscheidscollege in een volle Domkerk.Aart de Groot, “M. van Rhijn als kerkelijk hoogleraar”, in: Vier eeuwen theologie in Utrecht. Bijdragen tot de geschiedenis van de theologische faculteit aan de Universiteit Utrecht, Zoetermeer, 2001, p. 245–253.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Van Rhijn gedurende enkele maanden als gijzelaar vastgehouden in Haren. In deze periode schreef hij over onder meer het leven uit de Geest en het gebed. Na de oorlog was hij niet rechtstreeks betrokken bij de totstandkoming van de nieuwe kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk. Zijn belangstelling lag volgens Van Itterzon meer bij persoonlijke en geestelijke vernieuwing dan bij kerkrechtelijke en organisatorische vraagstukken.

Van Rhijn overleed op 3 oktober 1966 in Bilthoven, 78 jaar oud.

Wetenschappelijk werk thumb|260px|Het epitaaf van Wessel Gansfort in de Martinikerk in Groningen. Van Rhijns belangstelling voor Gansfort ontstond in zijn studententijd; in 1917 promoveerde hij op hem.

Van Rhijns wetenschappelijke werk bewoog zich hoofdzakelijk op twee terreinen: de kerk- en dogmengeschiedenis en de studie van het Nieuwe Testament. Binnen de kerkgeschiedenis behandelde hij zowel de late middeleeuwen en de Reformatie als de negentiende- en twintigste-eeuwse theologie.

Een belangrijk thema gedurende zijn gehele loopbaan was Wessel Gansfort. Na zijn proefschrift uit 1917 publiceerde Van Rhijn verschillende artikelen over Gansforts theologie en invloed. In 1933 verscheen zijn Studiën over Wessel Gansfort en zijn tijd.

Ook Maarten Luther nam een centrale plaats in zijn onderzoek en onderwijs in. Van Rhijn besteedde bijzondere aandacht aan Luthers leer van de rechtvaardiging, die hij als een kernpunt van de reformatorische en Bijbelse theologie beschouwde. Hij vergeleek Luthers denken onder meer met dat van Thomas van Aquino, Desiderius Erasmus, Albrecht Ritschl en Karl Barth.

Daarnaast behandelde hij in zijn colleges en publicaties uiteenlopende figuren uit de geschiedenis van het christendom, waaronder Augustinus van Hippo, Franciscus van Assisi, Thomas van Aquino, Blaise Pascal, Søren Kierkegaard en Barth. Een bijzondere belangstelling had hij voor de Nederlandse protestantse theologie van de negentiende eeuw. Hij schreef onder meer over Isaäc van Dijk, Aart Jan Theodorus Jonker en Johannes Jacobus van Oosterzee.

Zijn uitvoerigste studie over Van Oosterzee verscheen in 1940 onder de titel Gemeenschap en vereenzaming. Een studie over J.J. van Oosterzee. Daarin onderzocht Van Rhijn de theologische en kerkelijke plaats van Van Oosterzee binnen het Nederlandse protestantisme van de negentiende eeuw.

Naast de kerkgeschiedenis bleef Van Rhijn zich bezighouden met het Nieuwe Testament. Uit zijn werkzaamheden binnen de NCSV ontstonden onder meer publicaties over de synoptische evangeliën, zoals Een blik in het onderwijs van Jezus, Het Nieuwe Testament in het licht der nieuwere opgravingen en een Handboek voor Bijbelstudie. Zijn driedelige Gedachten en gestalten uit de Evangeliën kreeg een brede verspreiding.

Theologische positie Van Rhijn stond in de traditie van de ethische theologie binnen de Nederlandse Hervormde Kerk. Zijn onderwijs verbond historische studie met persoonlijke geloofs- en levensvragen. De Universiteitsbibliotheek Groningen typeert hem als een late vertegenwoordiger van de ethische zijde van het negentiende-eeuwse Réveil.

Van Rhijn voelde zich enige tijd aangetrokken tot de zogenoemde Oxfordbeweging rond de Amerikaanse evangelist Frank Buchman. Hij zag in de nadruk op persoonlijke bekering en geestelijke vernieuwing aanvankelijk een mogelijkheid tot kerkelijke herleving. Later werd hij kritischer toen de beweging volgens hem sterker de nadruk ging leggen op maatschappelijke en internationale verandering dan op persoonlijke bekering en het kerkelijk leven.

Hij had tevens belangstelling voor de ontwikkeling van de oecumene. In zijn colleges behandelde hij de Rooms-Katholieke Kerk en rooms-katholieke spiritualiteit met een voor zijn protestantse omgeving betrekkelijk open houding, hoewel hij het pauselijk gezag theologisch bleef afwijzen. De Universiteitsbibliotheek Groningen karakteriseert hem daarom als een voorloper van de latere oecumenische toenadering tussen Rome en de Reformatie.

Ook de houding van Karl Barth tijdens de Duitse Kirchenkampf, de theologie van Emil Brunner, liturgische vernieuwing, het kerkelijke jeugdwerk en de opkomende oecumenische beweging hadden zijn belangstelling en sympathie.

Invloed en nalatenschap Van Rhijn combineerde zijn wetenschappelijke werkzaamheden met een sterke betrokkenheid bij de opleiding en geestelijke vorming van studenten. Zowel tijdens zijn jaren bij de NCSV als gedurende zijn Utrechtse hoogleraarschap oefende hij invloed uit op verschillende generaties theologiestudenten en predikanten. Zijn biograaf Van Itterzon benadrukte vooral zijn vermogen historische theologen voor studenten als levende personen en hun theologische vragen als actuele vraagstukken te presenteren.

Ter gelegenheid van zijn academische loopbaan werd hem in 1951 de feestbundel Ernst en vrede. Opstellen rondom de ethische theologie aangeboden. De bundel bevatte onder meer studies over de ethische theologie, een levensbeschrijving van Van Rhijn, een beschouwing over hem als docent en een uitvoerige bibliografie van zijn geschriften.C.H. van Rhijn A.A.zn. e.a., Ernst en vrede. Opstellen rondom de ethische theologie, aangeboden aan Prof. Dr. M. van Rhijn op 15 November 1951, 's-Gravenhage, 1951.

Na zijn overlijden werd zijn betekenis voor de Nederlandse kerkgeschiedenis en de Utrechtse theologie onder meer behandeld door P.L. Schram in het Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands Protestantisme en door kerkhistoricus Aart de Groot in Vier eeuwen theologie in Utrecht.

Van Rhijn schonk tijdens zijn leven verschillende boeken, handschriften en collegedictaten aan de Universiteitsbibliotheek Utrecht. Zijn boeken en archiefstukken worden bewaard in collecties van de universiteitsbibliotheken van Utrecht en Groningen.Universiteitsbibliotheek Utrecht, Collectie Maarten van Rhijn, geraadpleegd 6 september 2026.

Selectie uit de publicaties 1917 – Wessel Gansfort. Proefschrift, Rijksuniversiteit Groningen. 1921 – Studiën over Luther's rechtvaardigingsleer. Met een nawoord over nieuwere Erasmus-waardeering. 1926 – Modern Christendom. Inaugurele rede, Rijksuniversiteit Utrecht. 1926 – Het Nieuwe Testament in het licht der nieuwere opgravingen. 1933 – Studiën over Wessel Gansfort en zijn tijd. 1940 – Gemeenschap en vereenzaming. Een studie over J.J. van Oosterzee. 1953–1958 – Gedachten en gestalten uit de Evangeliën, drie delen. 1959 – “Kerk en genade. Middeleeuwen en Reformatie”, in: Ecclesia. Een bundel opstellen aangeboden aan prof. dr. J.N. Bakhuizen van den Brink, p. 82–97. 1960 – “Voorlopers der hervorming. Wessel Gansfort”, in: Documenta Reformatoria, deel 1, p. 1–12. 1962 – “Ethische Theologie”, in: Documenta Reformatoria, deel 2, p. 256–298.

Literatuur C.H. van Rhijn A.A.zn., “Levensbeschrijving van Professor van Rhijn”, in: Ernst en vrede. Opstellen rondom de ethische theologie, 's-Gravenhage, 1951, p. 3–24. E.L. Ruitenberg, “Professor van Rhijn als docent”, in: Ernst en vrede. Opstellen rondom de ethische theologie, 's-Gravenhage, 1951, p. 25–31. G.P. van Itterzon, “Maarten van Rhijn. Groningen 29 april 1888 – Bilthoven 3 oktober 1966”, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1972, p. 259–263. P.L. Schram, “Rhijn, Maarten van”, in: Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands Protestantisme, deel 1, Kampen: Kok, 1978, p. 278–280. Aart de Groot, “M. van Rhijn als kerkelijk hoogleraar”, in: Vier eeuwen theologie in Utrecht. Bijdragen tot de geschiedenis van de theologische faculteit aan de Universiteit Utrecht, Zoetermeer, 2001, p. 245–253.

Externe link

Categorie:Nederlands theoloog Categorie:Nederlands kerkhistoricus Categorie:Nederlands predikant Categorie:Hoogleraar aan de Universiteit Utrecht