Jhr. drs. Feyo Willem Joost Sickinghe (Utrecht, 10 maart 1881 – 's-Gravenhage, 7 november 1944) was een Nederlands arts. In 1921 belastte de Nederlandse regering hem met de medische controle van Oostenrijkse en Hongaarse kinderen die na de Eerste Wereldoorlog met zogenoemde kindertreinen tijdelijk naar Nederland kwamen. Hij organiseerde de keuringen in Oostenrijk en Hongarije en ondertekende de gezondheidsbewijzen die voor toelating tot Nederland vereist waren.

Sickinghe werkte eerder als administrateur van een theeonderneming in Nederlands-Indië. Na zijn geneeskundige opleiding werkte hij in Wenen als assistent van de hoogleraren Karel Frederik Wenckebach, Wilhelm Schlesinger en Anton Eiselsberg. Vanaf 1926 voerde hij als internist en huisarts praktijk in 's-Gravenhage.D.W. Sickinghe, Zeven Eeuwen. Der Sickinghe Musiefwerk, z.pl. 1958; F.O.J. Sickinghe, Liefde en leed gedurende zeven eeuwen in Groningen en de Ommelanden en daarbuiten! Het Groninger geslacht Sickinghe, 1284–1984 en later!, Naarden 1999.

Afkomst en loopbaan in Nederlands-Indië

Sickinghe was een telg uit de Tamminga-Sickinghe-tak van het adellijke geslacht Sickinghe. Hij was een zoon van advocaat en koopman Eilko Eger Sickinghe (1855–1924) en Albertine Françoise Frédérique Baud (1857–1925), telg uit de adellijke familie Baud. Bij koninklijk besluit van 28 oktober 1902, nummer 71, werden hij en zijn zuster Otteline Charlotte Emilie Sickinghe (1883–1952) erkend te behoren tot de Nederlandse adel. Voor zijn zuster gold de erkenning alleen persoonlijk; Feyo Willem Joost verkreeg het predicaat jonkheer.Nederland's Adelsboek, 1964, lemma „Sickinghe”, p. 256 en 260–261.

Voordat Sickinghe arts werd, verbleef hij in Nederlands-Indië. Daar was hij administrateur van de theeonderneming Tagokok, in latere bronnen ook Takokak genoemd, bij Soekaboemi op Java. In Buitenzorg trouwde hij op 18 oktober 1911 met Elsa Maria Henriëtta Fock, die in 1892 in Kendal bij Semarang was geboren en afkomstig was uit het patriciërsgeslacht Fock. Het huwelijk werd op 28 februari 1918 door de arrondissementsrechtbank in Utrecht ontbonden.

Geneeskundige opleiding en Wenen miniatuur|258x258px|Professor Karel Frederik Wenckebach (1864–1940), bij wie Sickinghe als assistent werkzaam was Na zijn terugkeer in Nederland ging Sickinghe geneeskunde studeren. In 1918 was hij fiscus van de Medische Faculteit van de Universiteit Utrecht.Utrechtsche Studenten-Almanak voor 1919, 97e jaargang, Utrecht 1918. Hij legde in 1919 het doctoraalexamen geneeskunde af en werd op 6 mei 1920 in Groningen bevorderd tot arts.Vox Medicorum, 26 mei 1920, vermelding onder „Bevorderd tot arts”, via Delpher.

Daarna zette hij zijn medische vorming in Wenen voort. Hij was er assistent van de Nederlandse internist en cardioloog Karel Frederik Wenckebach, de internist Wilhelm Schlesinger en de chirurg Anton Eiselsberg. In deze periode werd hij door de Nederlandse overheid aangezocht voor de medische begeleiding van de hulpacties waarbij kinderen uit Oostenrijk en Hongarije naar Nederlandse pleeggezinnen werden gebracht.

Medische controle van de kindertreinen

Benoeming en werkwijze

Na de Eerste Wereldoorlog organiseerden Nederlandse particuliere en kerkelijke comités tijdelijke verblijven voor ondervoede kinderen uit onder meer Oostenrijk en Hongarije. Tussen 1920 en 1930 kwamen ruim 28.000 Hongaarse kinderen tijdelijk naar Nederland. De medische keuring was aanvankelijk overgelaten aan vrijwillige artsen. Omdat de uitvoering daarvan niet uniform was en de Nederlandse overheid de invoer van besmettelijke ziekten wilde tegengaan, werd Sickinghe aangezocht om de controles te centraliseren. Bij koninklijk besluit van 25 april 1921 werd hij benoemd om de medische controle op zich te nemen; zijn bezoldiging kwam aanvankelijk voor rekening van het Rijk.

In juni 1921 werd in de Nederlandse pers een brief van Sickinghe aangehaald waarin hij de wijdverbreide ondervoeding in Oostenrijk beschreef en erop wees dat nog vele duizenden kinderen op uitzending wachtten. Hij benadrukte daarbij de betekenis van een verblijf in Nederland voor hun lichamelijk herstel. miniatuur|Hongaarse pleegkinderen maken zich in 1922 gereed voor vertrek naar Nederland Formeel mocht geen kind Nederland binnenkomen zonder een door Sickinghe ondertekend bewijs van goedkeuring. Daarnaast moest kort voor het vertrek een plaatselijke arts verklaren dat het kind niet aan een besmettelijke ziekte leed. In de beginperiode reisden nog kinderen met onvolledig of niet door Sickinghe ondertekend papierwerk. Dat werd tijdelijk gedoogd, maar vanaf medio 1922 werd de vereiste procedure strikt toegepast.

Sickinghe hield toezicht op keuringen in onder meer Wenen, Graz, Bruck an der Mur en Boedapest. Een verslaggever van De Standaard woonde in 1923 een keuring in het Augartenpaleis in Wenen bij. Oostenrijkse artsen en medewerkers onderzochten daar onder verantwoordelijkheid van Sickinghe de kinderen op hun algemene gezondheid en op besmettelijke aandoeningen. De kinderen werden zo nodig ingeënt. Ook de volwassen begeleiders moesten aan vaccinatie-eisen voldoen. Na goedkeuring kregen de reizigers een door Sickinghe ondertekend certificaat dat bij binnenkomst in Nederland moest worden getoond. miniatuur|Het Augartenpaleis in Wenen, Oostenrijk Sickinghe verrichtte al keuringen vóór zijn formele benoeming. Een verslag van 22 maart 1921 noemde hem de „controleerende geneeskundige” en vermeldde dat het onderzoek uitging van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid. Goedgekeurde kinderen kregen een Nederlandstalige kaart waarop werd verklaard dat hun gezondheidstoestand geen belemmering vormde voor toelating tot Nederland. In diezelfde maand onderzocht hij samen met arts Hanrath een transport van 512 Hongaarse kinderen. Volgens het gedenkboek van het Nederlandsch R.K. Huisvestings-Comité had Sickinghe voor dat comité de meeste kindertransporten gekeurd. Het boek beschrijft eveneens hoe hij samen met graaf Wolff Metternich een vermoeden van tyfus onderzocht; zij stelden vast dat van een epidemie geen sprake was.

De historicus Maarten Aalders concludeerde dat het controlesysteem in het algemeen goed functioneerde: ernstige ziektegevallen onder de naar Nederland gebrachte kinderen waren schaars en de sterfte bleef volgens zijn onderzoek onder één promille. Vanaf 1 februari 1924 werd Sickinghe niet langer door de Nederlandse regering betaald. De betrokken hulpcomités namen de kosten van de keuringen over; aanvankelijk bleef Sickinghe de controles uitvoeren.

In juli 1924 meldden Het Vaderland en De Standaard dat Sickinghe bij het vertrek van een Hongaars kindertransport samen met de directeur van de Kinderactie in de trein stapte. Nog in juli 1926 berichtte Het Vaderland dat hij als Nederlandse geneesheer in Boedapest namens de Nederlandse regering vertrekkende kinderen onderzocht.

Onderscheiding miniatuur|Het Kruis van Verdienste van het Hongaarse Rode Kruis Voor zijn werk bij de kinderhulp ontving Sickinghe in 1925 het Kruis van Verdienste van het Hongaarse Rode Kruis. De onderscheiding werd toegekend op voorstel van de Hongaarse minister-president István Bethlen.„Telegrammen. Hongaarsche onderscheidingen (Budapest, 3 maart)”, Delftsche Courant, 3 maart 1925, via DelpherZie Budapesti Közlöny, maart 1925, waarin „Jonkheer Sickinghe Feo, orvos” onder de onderscheidenen is vermeld.

Arts in 's-Gravenhage

In 1926 vestigde Sickinghe zich als arts in 's-Gravenhage.Vox Medicorum, 25 augustus 1926, vermelding onder „Gevestigd”, via Delpher. Hij werkte er als internist en huisarts. In hetzelfde jaar hield hij voor de Haagse afdeling van de Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst een voordracht over bloedtransfusie.

Persoonlijk leven en overlijden

Sickinghe hertrouwde op 2 juli 1922 in Wenen met Bertha Eva Johanna Reuser, die in 1879 was geboren in Breitenstein am Semmering. Zij was een dochter van Johann Reuser en Katharina Anna Schmolck en weduwe van Henri Sillem.

Hij overleed op 7 november 1944 in 's-Gravenhage, 63 jaar oud. Met zijn overlijden stierf de in 1902 erkende Tamminga-Sickinghe-tak in mannelijke lijn uit.

Feyo Willem Joost Categorie:Nederlands medicus Categorie:Nederlandse adel Categorie:Nederlands hulpverlener