Henri Duval, graaf van Dampierre (Hans, 1580 – Bratislava, 9 oktober 1620) was een generaal in keizerlijk-Oostenrijkse dienst.

Levensloop Hij was een zoon van Jacques Duval, heer van Mondreville, huismeester van Catharina de' Medici en later gouverneur van Sainte-Menehould, en zijn vrouw, Anna de Bossu, gravin van Dampierre, barones van Hans en lid van het huis Hénin-Liétard.Zijn ouders trouwden op 24 juli 1578. Duval dankt zijn grafelijke titel dus aan zijn moeder.Anna de Bossu was een dochter van Nicolas de Bossu, graaf van Dampierre, die het graafschap op zijn beurt erfde van zijn moeder, Agnès de Linange (...-1560). Ook het ouderlijk huis, het kasteel van Hans, was van zijn moeder afkomstig.

In 1601 trad Duval op verzoek van zijn vader in dienst van Rudolf II, keizer van Duitsland en aartshertog van Oostenrijk. Hij streed onder Giorgio Basta in het anti-Habsburgse Transsylvanië en verdedigde de stad Lipova. In 1604 versloeg hij de Transylvaniër Gabriël Bethlen bij Timișoara, maar hij moest in 1605 wijken voor István Bocskai, die in 1606 Transsylvanië innam, waarna het keizerlijk leger zich naar Hongarije terugtrok. In 1605 werd hij aangesteld als commandant van het door de Ottomanen belegerde Esztergom. Zijn troepen begonnen echter te muiten en dwongen hem op 3 oktober 1605 de vestingplaats op te geven, waarbij de Ottomanen hem en zijn troepen de vrije aftocht gunden. Terug in Wenen werd hij gevangengenomen en pas eind april 1606 gerehabiliteerd. In de Uskokoorlog van aartshertog Ferdinand tegen de Republiek Venetië onderscheidde hij zich als overste.

thumb|left|Nieuwsprent uit 1620 naar aanleiding van Duvals overlijden In 1618, kort na het uitbreken van de Boheemse Opstand, werd hij als luitenant-generaal met een haastig samengebracht leger naar Bohemen gestuurd. Hij veroverde Bistritz (Nová Bystřice?) en ontzette České Budějovice, dat door Thurn werd belegerd. Door gebrek aan levensmiddelen moest hij zich echter terugtrekken. Vanaf december 1618 was hij met zijn troepen gelegerd in Krems an der Donau. Op 10 juni 1619 versloeg hij samen met keizerlijk veldmaarschalk Bucquoy het leger van Peter Ernst II van Mansfeld in de Slag bij Záblati. Dit was een gevoelige klap voor de Bohemers en het zorgde ervoor dat Thurn, die inmiddels voor de poorten van Wenen stond, de belegering van deze stad moest opgeven. Na de zege bij Záblati trok Duval naar Moravië om te voorkomen dat dit markgraafschap zich bij Bohemen aansloot. Hij veroverde de burcht Jevišovice en probeerde tevergeefs Mikulov in te nemen. In augustus werd hij door de Moraviërs verslagen in gevechten bij Wistrich.

In 1620 werd Duval met 10.000 man naar Hongarije gestuurd om Gabriël Bethlen te verslaan, die zich inmiddels opgeworpen had als leider van de Hongaarse Opstanden. Na enkele successen besloot hij de stad Bratislava te veroveren. Bij de bestorming van het Kasteel van Bratislava werd hij bij een uitval van de verdedigers dodelijk geraakt. Duvals reputatie was zo groot dat Bethlen hem een eervolle begrafenis gaf. Op verzoek van de Franse ambassadeur droeg hij het lichaam over aan de keizer in Wenen, die hem een tweede begrafenis gaf in de Minorietenkerk. Zijn hart werd begraven in de kerk van Hans. Duval ging de geschiedenis in als een dapper en bekwaam opperbevelhebber, maar meedogenloos tegenover de burgerbevolking.

Categorie:Persoon in de Dertigjarige Oorlog Categorie:17e-eeuws militair