De Bond in de kleedingindustrie, officieel Nederlandsche Bond van Mannelijke en Vrouwelijke Arbeiders in de Kleedingindustrie en aanverwante vakken, en ook wel de Bond van Arbeiders in de Kleedingindustrie genoemd, was een vakbond die in 1901 werd opgericht om zowel mannen als vrouwen te vertegenwoordigen in de kledingindustrie in Nederland.
Kledingindustrie in Nederland Tot ver in de negentiende eeuw werd kleding voornamelijk gemaakt als onbetaalde arbeid binnen het gezin en vervaardigd door betaalde, thuiswerkende naaisters en door kleermakers. De kledingindustrie ontwikkelde zich in de negentiende eeuw ingrijpend door toenemende mechanisatie en daarmee grootschalige productie van vooral wollen en katoenen stoffen. Deze ontwikkeling werd gestimuleerd door de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) die de Nederlandse regering na de afscheiding van België in 1830 ertoe opriep om de eigen katoennijverheid te ontwikkelen.Website BOEI. Geraadpleegd 12 september 2026. Vanaf 1880 stijgt de vraag naar confectiekleding, als gevolg van toegenomen welvaart en dalende prijzen. Het aanbod bestond uit import en in toenemende mate Nederlands fabricaat. Voor het vestigen van een kledingbedrijf waren echter goedkope arbeidskrachten van belang, en die rol werd veelal vervuld door jonge vrouwen. Een belangrijke ontwikkeling was ook de uitvinding en doorontwikkeling van de naaimachine. Vanaf 1900 groeide de bedrijfstak gestaag, onder andere in Amsterdam, Utrecht, Groningen en Twente, dat al sinds de achttiende eeuw een centrum van textielnijverheid was.
Groningse bond Vooruitgang door Broederschap De bond kwam voort uit verschillende organisaties van kleermakers en naaisters. In 1883 werd in Groningen de kleermakersvereniging Vooruitgang door Broederschap opgericht. In die stad steeg het aantal thuiswerkende kleermakers en naaisters tussen 1880 en 1900 van 530 naar 1.410 en daarmee was de Groningse kledingindustrie de enige bedrijfstak van nationale betekenis. In 1903 werd een staking georganiseerd omdat de lonen van de confectiewerkers door de confectionairs, de ondernemers in confectiekleding die het werk uitbesteden aan de kleermakers, verlaagd werden. De staking, waarbij zo'n 300 kleermakers een maand staakten, had succes en resulteerde in een hoger loon en in het eerste looncontract in de Nederlandse textielindustrie.Website VHV: https://vakbondshistorie.nl/dossiers/kleermakersbond-vooruitgang-door-broederschap/.Geraadpleegd 12 september 2026.
Bond in de Kleedingindustrie In 1895 neemt Vooruitgang door Broederschap het initiatief tot oprichting van een landelijke organisatie. Rond dezelfde tijd, in 1897, werden pogingen ondernomen tot het vormen van een bond voor naaisters, lingerie- en confectie-werksters, waarbij het vormen van een vakvereniging werd gezien als enige remedie tegen wantoestanden in de sector. De oprichting van deze vrouwenvakvereniging werd aangemoedigd door de voorzitter (C.A. Becker) van de 'Kleedersmakersbond', aldus een ingezonden brief in Het Volksdagblad en kracht bijgezet door een oproep van de secretaris van de Algemeene Nederlandse Kleermaakersbond aan de linnenwerksters. . Uiteindelijk resulteerden de inspanningen daadwerkelijk tot oprichting van de Amsterdamse Naaistersvereniging Allen Een op 4 augustus 1897, waarna rond 1900 voorstellen komen tot samensmelting van de verschillende naaisters- en kleermakersorganisaties. Weerstand daartegen van enkele leden van de Vrije Vrouwen Vereniging werd gepareerd door de secretaris van Allen Een, Sientje Prijes, die als voorstander van een sterke en centralistische organisatie, pleitbezorger was van een fusie met de Kleermakersbond. Na een stemming op het congres wordt besloten tot een fusie en zo ontstond in 1901 de Algemeene Nederlandsche Bond voor Arbeiders en Arbeidster in het Kleedingbedrijf en Aanverwante Vakken. Prijes werd ook in deze organisatie secretaris en verzorgde de redactie van het tweewekelijkse bondsorgaan "De Naaisters- en Kleermakersbode", waarmee "De Naaistersbode", met dezelfde redactieleden, in 1901 ophield te bestaan. De 'vrouwelijke identiteit' in de organisatie had te lijden onder een gebrek een continuïteit; wanneer de ongehuwde bestuursleden in het huwelijk traden stopten zij veelal met hun activiteiten voor de organisatie. Ook speelden de naaisters in de ogen van veel mannelijke leden een te grote rol en werden vrouwen door veel mannen minder geschikt geacht voor bestuursfunctie dan mannen. Toch was Allen Een een aantal jaren de grootste en belangrijkste afdeling in de organisatie.
Amsterdam In 1906 verhuisde de Bond in de Kleedingindustrie van Groningen naar Amsterdam en kwam er behoefte aan een betaalde medewerker. Evert Kupers, vanaf 1907 secretaris, penningmeester en redacteur, krijgt de functie, ondanks enige bezwaren van bestuurslid Alida de Jong. In 1908 werd Tonnis van der Heeg, die aan de wieg had gestaan van de Groningse bond Vooruitgang door Broederschap, bezoldigd afdelingsbestuurder voor de afdeling Amsterdam. In 1913 was het Van der Heeg die de Amsterdamse kleermakersstaking met succes leidde. Nadat Kupers in 1915 de overstap maakte naar het NVV, volgde Van der Heeg hem op en werd hij bezoldigd voorzitter van de Bond in de Kleedingindustrie, naast Alida de Jong, die sinds 1912 de tweede betaalde medewerker van de bond was. In 1914 verzorgde Van der Heeg een vrouwenrubriek in het bondsblad, inmiddels "Het Kleedingbedrijf" geheten, waarin hij zich opwierp als voorvechter van de 'maatschappelijke en politieke gelijkstelling van man en vrouw'.Peter-Paul de Baar, Tonnis van der Heeg, in het BWSA. Geraadpleegd 12 september 2026.
Opheffing De bond bleef tot aan de opheffing tijdens de Tweede Wereldoorlog zelfstandig bestaan. Na eerdere voorstellen om de bond te fuseren met de textielarbeidersbond werden de na de oorlog heropgerichte bonden in 1945 samengevoegd en ontstond de Algemene Nederlandse Bond van Arbeiders en Arbeidsters in de Textiel- en Kledingbedrijven ‘De Eendracht’ , welke in 1972 opging in de Industriebond NVV.
Categorie:Nederlandse vakbond