Roelof Blok (Enkhuizen, 24 juni 171224 juni is de datum waarop hij gedoopt is. - Enkhuizen, 20 mei 1776) was een kapitein in dienst van de VOC en de Admiraliteit van het Noorderkwartier. Hij maakte veel reizen naar Indië en was directeur van de VOC-factorij in Kanton en gouverneur van Makassar. Terug in Nederland werd hij lid van de vroedschap van Enkhuizen en werd hij vier keer gekozen als burgemeester.

In dienst van de VOC Blok was een zoon van de glazenmaker Roelof Jansz. Blok en Sara Pieters, die zeven kinderen hadden waarvan Roelof de zesde was. Hij ging al op 11-jarige leeftijd naar zee, toen hij in mei 1723 als scheepsjongen op het fluitschip Petronella Alida van de VOC-Kamer Enkhuizen naar Indië voer. Met dat schip maakte hij vervolgens reizen van Batavia naar de factorij van de VOC in Bengalen en langs de noordkust van Java. In oktober 1725 voer hij voor de VOC-Kamer Amsterdam in een retourvloot van zes schepen weer terug naar de Republiek, en kwam daar in juni 1726 aan.

Hierna maakte hij nog drie reizen naar Indië, waarbij hij in de meritocratische cultuur van de VOC opklom van matroos naar derde waak en onderstuurman. Op 17 februari 1737 trouwde hij in Enkhuizen met Elisabeth van der Hart. In juni vertrok hij weer naar Indië als opperstuurman op de Popkensburg van de Kamer Enkhuizen. Tijdens zijn afwezigheid werd zijn zoon Anthony geboren. Toen hij terugkeerde op het schip Boot verging dat schip op 8 november 1738 toen het in de buurt van Plymouth op de rotsen liep. Driekwart van de bemanning werd gered maar de hele lading van thee, koffie en porselein ging verloren.

Het onderzoek naar de schipbreuk nam meer dan een jaar in beslag terwijl de officieren van de Boot op non-actief waren gesteld. Toen Blok na afloop van het onderzoek in 1740 opnieuw solliciteerde bij de Kamer Enkhuizen werd hij niet aangenomen. Wel kreeg hij een plek als ordinaris kapitein-ter-zee bij de Admiraliteit van het Noorderkwartier. Hoewel hij in vaste dienst was kwam er echter geen schip voor hem beschikbaar. In april 1741 solliciteerde hij daarom opnieuw bij de VOC, en werd nu aangenomen als schipper op het schip Ida met behoud van zijn rang bij de Admiraliteit. Met dit schip maakte hij nogmaals een reis naar Batavia en was in juni 1744 weer terug. Intussen was in december 1741 zijn dochter Maria geboren, die echter maar zes jaar oud zou worden.

Tijdens Bloks verblijf in Batavia was op voorstel van de nieuwe gouverneur-generaal Van Imhoff besloten hem vanwege zijn verdiensten ook bij de VOC als kapitein-ter-zee aan te nemen in plaats van als schipper, de gebruikelijke benaming bij de VOC. Op het schip Waakzaamheid ging hij eind 1745 weer naar Batavia, waar hij overstapte op de Hersteller, een van de Admiraliteit van het Noorderkwartier gekocht schip waarmee Van Imhoff in mei 1743 in Batavia was gekomen als beoogd hersteller van de problemen daar. Met de Hersteller kruiste Blok een poos in de Straat Malakka om schepen te controleren op lading en documenten. In Malakka kreeg hij opdracht goederen voor Batavia op te halen uit Negapatnam aan de oostkust van India. Kort na het vertrek uit Negapatnam in maart 1749 leed de Hersteller bijna schipbreuk in ‘een vreselijke en vliegende orcaan, verselt van zwaare en gestadige blixen met reegen’, waarbij alle masten afbraken maar het schip behouden bleef. Veel andere schepen op de kust vergingen. Na herstel van de Hersteller aan de Coromandelkust voer Blok alsnog naar Batavia, waar hij als beloning op 7 november werd aangesteld als ‘commandeur van de Indische Zee’ en een nieuw contract van drie jaar kreeg.

Directeur in Kanton miniatuur|320x320px|De factorijen van de VOC en de Britse EIC in Kanton. In april 1750 werd Blok benoemd tot eerste supercarga (opperkoopman) in de Chinahandel. Op het eerste gezicht een vreemde wisseling van loopbaan, maar Blok werd verantwoordelijk voor de in 1744 ingestelde rechtstreekse vaart tussen de factorijen in Kanton en het Indiase Suratte. Op 13 mei vertrok hij op de Geldermalsen uit Batavia naar Kanton, waar specerijen werden gelost en thee werd ingenomen. Vervolgens werd in Malakka vanuit andere schepen suiker, tin, kwikzilver, olifantstanden en sappanhout ingeladen. In december werd koers gezet naar Colombo in Ceylon, waar men echter geen ‘gewilde wahren’ bleek te hebben. Hetzelfde gold voor Cochin aan de Indiase westkust. Verder onderweg naar Suratte werd het schip in de buurt van Goa aangevallen door de Angreaanse zeerovers, zodat ‘de koegels over en voorbij ons heen vlogen’. De volgende dag kon de Geldermarsen de reis echter vervolgen nadat ‘wij eenige tijd op hun gecanoneert hadden’. In Suratte werden specerijen en thee afgeleverd en textiel ingekocht. In juli 1751 terug in Kanton gekomen werd de lading verkocht en ging Blok met zijn scheepsvolk over op de Standvastigheid en ging terug naar Batavia. De bemanning van de Standvastigheid ging in december met de Geldermalsen terug naar Nederland. Het schip verging twee weken later voor de kust van het latere Singapore.

Gouverneur-generaal Van Imhoff was intussen overleden en opgevolgd door Jacob Mossel, net als Blok afkomstig uit Enkhuizen. Hij had Blok bij de Heren XVII aanbevolen als extra-ordinaris lid van de Raad van Indië, als ‘altyd geweest een cieraad van de Indiase zeevaart’, die gezien zijn ervaring kon dienen ‘in twee caracters: namentlijk in de negotie en zeevaart’. De Heren XVII namen dat advies echter niet over. In plaats daarvan werd Blok op 19 mei 1752 benoemd tot directeur van de factorij in Kanton. Die bevond zich in een rij van dertien Europese factorijen aan de kade van de Parelrivier net buiten de stadsmuren. Europese kooplieden mochten er alleen tijdens het handelsseizoen verblijven en woonden de rest van het jaar in Macau. Vanwege de vele mogelijkheden voor privéhandel was een plaatsing hier zeer geliefd. Toch bleef Blok er slechts twee handelsseizoenen en vroeg toen om ontslag. Hij keerde terug naar Batavia en trouwde daar voor de tweede maal op 19 mei 1754 met Jacoba Martha Coop à Groen, weduwe van het lid van de Raad van Indië Hendrik Jacob van Suchtelen. Bloks eerste vrouw Elisabeth was in 1749 overleden, zonder haar man veel gezien te hebben. Een jaar later werd Blok benoemd tot gouverneur en directeur van Makassar.

Gouverneur in Makassar miniatuur|Zuidwest Celebes. Op 19 februari 1756 arriveerden Blok en zijn vrouw in fort Rotterdam in Makassar, op het eiland Celebes. Deze vestiging op de route naar de specerijeilanden was voor de VOC vooral van strategisch belang. Handel werd er niet veel gedreven. Er gold nog steeds het Verdrag van Bongaja dat Cornelis Speelman in 1667 had gesloten met de diverse rijken op het eiland. De belangrijkste waren Goa, vlakbij Makassar gelegen op de zuidelijke punt van het zuidwestelijke schiereiland, en Boni, aan de oostkust daarvan. Blok moest met alle vorsten relaties onderhouden. Naar aanleiding daarvan schreef hij in 1758 een Beknopte geschiedenis van het Makassaarsche Celebes en onderhoorigheeden. Ook schreef hij een nieuwe instructie voor de VOC-medewerkers op Celebes, aangezien hij had geconstateerd dat de richtlijnen van de Heren XVII en de Hoge Regering in Batavia in Makassar door ‘onvergeefflyke sloffigheyd zeer verstroyt en defect ter secretarye te vinden waren’. Tijdens zijn bestuur wist hij Makassar van een ‘jaarlijksche lastpost’ van 150.000 gulden terug te brengen naar een verliespost van minder dan 40.000 gulden. miniatuur|300x300px|Fort Rotterdam en het dorp Vlaardingen in Makassar rond 1750. In januari 1758 overleed ook Jacoba. Tot twee maal toe vroeg hij ontslag om naar de Republiek te mogen terugkeren na vijfendertig jaar bij de VOC in dienst te zijn geweest. De VOC had hem graag nog langer behouden maar verleende het ontslag op 7 december 1759. Vervolgens bracht hij nog enige tijd door in Batavia, waar hij wellicht hoopte alsnog lid van de Raad van Indië te kunnen worden. Na de dood van Mossel in mei 1761 besloot hij te repatriëren, samen met zijn vijfjarig zoontje Bernardus. Op 2 november verliet hij Batavia aan boord van de Lekkerland als admiraal van de retourvloot, die dertien schepen telde. Op 2 juni 1762 kwam hij aan bij Texel. Toen hij op 3 november verslag uitbracht aan de bewindhebbers van de VOC-Kamer Amsterdam werd hij vereerd met de gebruikelijke gouden ketting met penning ter waarde van 600 gulden en nog een premie van 4000 gulden als extra blijk van waardering.

Burgemeester van Enkhuizen miniatuur|256x256px|Anna Jacoba Bosch. Blok vestigde zich in Enkhuizen als vermogend man. In mei 1763 trouwde hij voor de derde maal, met de twintig jaar jongere Anna Jacoba Bosch uit een vooraanstaande, vermogende familie uit Den Haag, en kreeg met haar twee kinderen, Sara Catharina en Librecht Johan, voordat ook zij in 1765 overleed.Anna Jacoba Bosch was een dochter van Jacob Willem Bosch. Zijn zoon Cornelis Jacob Bosch ging op jonge leeftijd naar Batavia en kreeg daar een dochter die ook Anna Jacoba Bosch heette en in 1784 trouwde met Christiaan Anthonij VerHuell. Bloks vrouw was dus een tante van VerHuells vrouw. Blok werd in 1763 schepen in de vroedschap van Enkhuizen en werd in de periode 1764 tot 1774 vier keer gekozen als burgemeester. Destijds waren er gelijktijdig vier burgemeesters die jaarlijks werden gekozen. Door zijn carrière was hij van scheepsjongen toegetreden tot het patriciaat van Enkhuizen. In 1772 en 1773 was hij ook lid van het Admiraliteitscollege, waartoe hij benoemd was door stadhouder Willem V. Op 20 mei 1776 overleed hij onverwacht, en werd vijf dagen later begraven in de Zuiderkerk. Zijn aanzienlijke erfenis werd verdeeld over zijn vier kinderen. miniatuur|259x259px|Bernardus Blok in 1796. Bloks oudste zoon Anthony werd in 1760 schepen in Enkhuizen en vervulde daarna diverse bestuursfuncties, waaronder tussen 1780 en 1787 vijf keer burgemeester. Ook was hij bewindhebber bij de WIC en de VOC. Hij stierf in 1821. Zijn in Makassar geboren zoon Bernardus Blok studeerde rechten in Leiden en werd in 1777 schepen in Enkhuizen en vervulde diverse andere bestuursfuncties. Hij trouwde in 1781 met Johanna Cornelia Vaillant, een zus van de Enkhuizer kapitein-ter-zee Jan Olphert Vaillant. Ze was eerder getrouwd geweest met Pieter Gerritsz. Buyskes, ook een ex-burgemeester van Enkhuizen en de vader van viceadmiraal Arnold Adriaan Buyskes. De regentenkring van Enkhuizen was niet groot en er werd vaak onderling getrouwd. Bloks dochter Sara Catharina trouwde in 1781 met Vaillants jongere broer Floris Abraham, ook schepen van Enkhuizen. Bernardus Blok week als patriot in het revolutiejaar 1787 uit naar Frankrijk, kwam na de Bataafse Revolutie weer terug en werd in 1796 voorzitter van de Nationale Vergadering en lid van het Comité tot de Zaken van de Marine en andere commissies. Tussen 1808 en 1811 was hij secretaris van gouverneur-generaal Herman Willem Daendels en lid van de Raad van Justitie in Batavia. Na de Britse overname vertrok hij en werd rechter in Alkmaar, waar hij stierf in 1818. Librecht Johan Blok was schepen in Den Haag en vertrok in 1816 met de eerste lichting ambtenaren voor het koloniale bestuur van Nederlands-Indië met de Nassau naar Batavia. Hij werd lid van de Raad van Justitie in Semarang en was van 1824 tot 1828 ontvanger-generaal in Batavia. Hij stierf in 1844 in Den Haag.

Literatuur Yvonne Prins, Van scheepsjongen tot admiraal van de retourvloot. Het leven van VOC-dienaar Roelof Blok (1712-1776), in: Jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie, deel 52, 1998, blz. 157-200.

Categorie:Nederlands marineofficier Categorie:Persoon uit de geschiedenis van de VOC Categorie:Persoon in de Nederlanden in de 18e eeuw