thumb|Een sleperswagen met paard aan de Wijnhaven in Rotterdam, 1920. Foto van Wouter Cool jr.

Een sleper, vroeger ook geschreven als sleeper, was een vervoerder van zware goederen over land, die daarvoor paarden met een slee of een lage wagen gebruikte. Het beroep kwam onder meer voor in Amsterdam en Rotterdam. Slepers verzorgden plaatselijk vervoer, bijvoorbeeld tussen havens en pakhuizen.

Werk en vervoermiddelen In het vroegmoderne Amsterdam gebruikten slepers door paarden getrokken sledes. Met een vettige doek, de smeerlap, hielden zij de ijzeren glijders glad, zodat die gemakkelijker over de bestrating gleden. Het vervoer was dus niet afhankelijk van sneeuw of ijs.

In Rotterdam waren dergelijke voertuigen omstreeks 1840 nog in gebruik. In de loop van de negentiende eeuw werden ze geleidelijk vervangen door sleperswagens op wielen. De lage laadvloer vergemakkelijkte het laden en lossen. De beroepsnaam bleef daarbij behouden; ook de benaming voerman werd gebruikt.

Het werk vergde aandacht voor zowel de lading als de paarden. Tijdens het lossen moesten slepers diefstal voorkomen en erop letten dat omstanders de dieren niet lastigvielen. Bestrating met kinderhoofdjes en op- en afritten maakten het vervoer zwaar.

Organisatie en stedelijke voorschriften Slepers werkten zelfstandig, gezamenlijk of als knecht bij een slepersbaas. In Amsterdam was aansluiting bij het slepersgilde verplicht. Dit gilde omvatte ook andere beroepsgroepen die paarden hielden. Slepersbazen hadden doorgaans een sterkere economische positie dan hun knechten.

Het Amsterdamse stadsbestuur schreef voor dat slepers naast hun paard of slede moesten lopen, met het leidsel in de hand. Rond de Dam, waar de waag en de Stadspaardenstal belangrijke bestemmingen waren, golden bovendien voorgeschreven rijroutes. Na de afschaffing van de gilden bleef een fonds voor zieke en bejaarde slepers en hun weduwen bestaan.

Rotterdam thumb|Schaalmodel van een Rotterdamse sleperswagen, met lage laadvloer en verhoogde zitplaats voor de voerman. Gemaakt door Jan van Dijk omstreeks 1910–1920. Collectie Museum Rotterdam.

Rond 1910 reden in Rotterdam ruim tweeduizend sleperswagens. Onder de werknemers van sleperijen bevonden zich voormalige landarbeiders die naar de stad waren verhuisd. Grote bedrijven konden veertig tot vijftig paarden bezitten.

Slepers waren ook zichtbaar in het Rotterdamse verenigingsleven. In de negentiende eeuw vormden zij het gezelschap De Batavieren te Paard, verbonden aan de Koninklijke Handboogschutterij De Batavieren. Dit gezelschap nam geregeld te paard deel aan feestelijke optochten ter gelegenheid van nationale vieringen.Jan van den Noort, Straatnamen rond de Kruiskade, Buurtkrant Oude Westen, april 1991.

Museum Rotterdam bezit een werkend schaalmodel van een sleperswagen, vervaardigd door Jan van Dijk tussen 1910 en 1920. Het model heeft onder meer laadbomen, een dekzeil en een haverzak.

Motorisering Na de Eerste Wereldoorlog nam de concurrentie van vrachtauto's toe. Sommige transportbedrijven gebruikten tijdelijk zowel paardenwagens als motorvoertuigen. De overgang verliep geleidelijk: in Amsterdam bleef paard-en-wagen ook na de Tweede Wereldoorlog een rol spelen in het goederenvervoer.

Categorie:Historisch beroep