Aurelia Zwartte (Groningen, gedoopt 22 augustus 1682 - aldaar, 20 februari 1768) was een Nederlandse dichteres.

Levensloop Aurelia werd geboren aan de Grote Markt te Groningen als dochter van Hendrik Swartte (1638-1685) en Titia Verrutius. Ze was de één na jongste van negen kinderen. Haar ouders kwamen uit aanzienlijke families: vader Hendrik was secretaris van Groningen en rechter in Bellingwolde, grootvader Gerhard was burgemeester van Groningen en curator van de universiteit, terwijl haar moeder afkomstig was uit het geslacht Verrutius.

Over haar jeugd is niet veel bekend. In ieder geval overleed haar vader toen ze drie jaar oud was. Ze groeide op in Groningen en in het buitenhuis Matenesse in Mensingeweer.

Eerste huwelijk Op november 1705 huwde Aurelia in Mensingeweer - vermoedelijk op de borg Matenesse - met Jacobus van Aelst. Het echtpaar verhuisde naar Amsterdam en kreeg daar op 26 januari 1707 een dochter: Francoisse Harminia. In Amsterdam hielden Jacobus en Aurelia zich bezig met de handel in civetkatten.

In 1708 moest Aurelia's moeder Titia de borg Matenesse verkopen. Jacobus kocht de borg aan en waarschijnlijk hebben Jacobus en Aurelia hierna enkele jaren op Matenesse gewoond, waarna ze het huis verhuurden. Uiteindelijk moesten ze het huis in 1712 verkopen om hun schulden te kunnen voldoen. Twee jaar later overleed Jacobus.

Tweede huwelijk Op 1 december 1715 hertrouwde Aurelia in Abcoude met weduwnaar Justus Johannes Beilanus (1677-1727). Waarschijnlijk hebben ze hierna in Amsterdam gewoond en zijn ze in 1721 naar Leeuwarden verhuisd: het lidmatenboek van de Hervormde Kerk te Leeuwarden vermeldt namelijk dat ze 'echtelieden van Amsterdam' waren.

Ook Justus was actief in de civetkattenhandel, maar het ging hem niet voorspoedig: in december 1720 werd zijn inboedel, mét kooien en katten, publiekelijk geveild.

Gedichten Het eerste gedicht van Aurelia dat werd gepubliceerd, was het treurdicht Lyk-gedicht op het zalig afsterven van den hoog-edelen gestrengen heer, mynheer, Hobbe Baart van Sminia. Dit treurdicht verscheen in 1721 in een bundeltje met vier andere gedichten ter ere van de overleden Hobbe Baerdt van Sminia. Een jaar later werd haar gedicht voor de bruiloft van Arent Aulus van Haarsma en Marta Cicilia van Bouritius afgedrukt. Dit gebeurde in plano, wat voordeliger was. Hetzelfde deed zij in 1725 met een rouwgedicht voor Ulbo baron van Aylva.

De Amsterdamse drukker Willem Barents gaf in 1727 Aurelia's dichtbundel Stichtelyke poëzij van vrouwe Aurelia Zwartte, begrypende eene beschryving van der menschen vremdelingschap op aerde, ’t geluk der stadt Hindeloopen, geboorte- lyk- troost- en mengel-dichten uit. Zij droeg deze bundel op aan Maria Louise van Hessen-Kassel.

Terug in Groningen In 1727 overleed Justus, waarna Aurelia vanuit Leeuwarden terug ging naar Groningen. Zij betrok daar een huis aan het Martinikerkhof. In 1731 verscheen in Groningen de publicatie van het bruilofsgedicht voor haar dochter Francoisse.

Aurelia overleed in 1768.

Werk Aurelia schreef haar gedichten vooral bij speciale gebeurtenissen, zoals overlijdens en huwelijken. Haar gedichten hebben een stichtende boodschap: hoewel haar werk niet echt religieus is te noemen, heeft het wel een duidelijk christelijke ondertoon. Zo maande zij haar naasten om hun maatschappelijke tegenspoed te aanvaarden met christelijke lijdzaamheid. Dit deed ze bijvoorbeeld in het gedicht Troost aan mijn beminden echtgenoot uit 1722, geschreven voor haar man nadat hij was uitgeloot voor magistraatsbenoemingen. Eenzelfde boodschap had ze in een gedicht voor haar moeder toen die tachtig jaar oud werd. Verder schreef ze voor het huwelijk van haar dochter een gedicht van vijftien pagina's lang.

In haar gedichten spreekt Aurelia vaak hooggeplaatste personen aan. Dit kon haar helpen om haar maatschappelijke contacten en positie te verbeteren. Het gedicht dat was opdragen aan Maria Louise van Hessen-Kassel had zelfs een onderdanige toon, een teken dat Aurelia zich niet meer bevond in de hoogste kringen van de Republiek. Die teruggevallen maatschappelijke positie blijkt ook uit het gedicht Troost aan mijn beminden echtgenoot.

Uit haar gedichten wordt duidelijk dat ze belezen was: ze citeerde bijvoorbeeld René Descartes, Christiaan Huygens en Isaac Newton. Ze deed echter bescheiden over haar kennis: ze had deze zaken geleerd tussen alle huishoudelijke taken door. Ook over het uitbrengen van haar (enige) dichtbundel was ze bescheiden: ze had deze naar eigen zeggen slechts uitgebracht op verzoek van haar vrienden.

Aurelia was overigens geen onbekende binnen de literaire wereld. Haar werk werd in 1730 zelfs nog vergeleken met dat van Joost van den Vondel. Regelmatig kreeg ze van andere auteurs werk toegestuurd met het verzoek dit te beoordelen. Een van hen was dichteres Jetske Reinou van der Malen, aan wie Aurelia vier gedichten zou opdragen.

Mogelijk zijn gedichten van Aurelia ook op muziek gezet.

Achternaam De achternaam van Aurelia was eigenlijk Swartte. Vermoedelijk heeft zij dit gewijzigd in Zwartte, aangezien dat chiquer overkwam. Op haar dichtbundel staat dan ook Aurelia Zwartte vermeld.

Categorie:Nederlands dichter