Suzanne Labin (geboren Suzanne Andrée Devoyon; Parijs, 6 mei 1913 – aldaar, 22 januari 2001) was een Franse journaliste, essayiste en politiek activiste. Zij werd vooral bekend als antistalinistische en later anticommunistische publiciste en was gedurende de Koude Oorlog actief in internationale anticommunistische netwerken.

Labin kwam politiek voort uit communistische en vervolgens antistalinistische milieus in Frankrijk. Na de Tweede Wereldoorlog maakte zij de bestrijding van het communisme tot het centrale thema van haar publicaties en internationale activiteiten. Hoewel zij zichzelf als socialiste bleef beschouwen en lid was van de Franse Socialistische Partij, werkte zij vanaf de jaren 1960 tevens samen met conservatieve, nationalistische en rechts-antikommunistische organisaties in de Verenigde Staten en Azië. In 1972 werd zij voorzitter van de Franse afdeling van de World Anti-Communist League (WACL). Volgens historica Agnès Dubler was zij de enige vrouw die binnen deze organisatie een nationale afdeling leidde.

Leven en werk

Jeugd, opleiding en antistalinisme Suzanne Devoyon werd in Parijs geboren in een arbeidersgezin. Zij kreeg een studiebeurs en studeerde scheikunde aan de Sorbonne. Daarna volgde zij studies in filosofie en moderne talen en een opleiding journalistiek aan de École supérieure d'études internationales. Tijdens haar studententijd was zij betrokken bij de communistische studentenbeweging.

Via haar latere echtgenoot Édouard Labin kwam zij in contact met de communistische dissident Boris Souvarine. Diens kritiek op het stalinisme had volgens Dubler grote invloed op de politieke ontwikkeling van het echtpaar. Labin begon zich in de tweede helft van de jaren 1930 van het stalinisme af te keren. In haar vroege publicaties bekritiseerde zij zowel het autoritaire karakter van de Sovjet-Unie onder Jozef Stalin als de volgens haar onvoldoende kritische houding van delen van de Franse socialistische en communistische milieus tegenover het stalinisme.

Historicus Olivier Dard beschouwt de vaak gebruikte kwalificatie van Labin als iemand die eenvoudigweg tot extreemrechts behoorde als onvoldoende om haar politieke ontwikkeling te verklaren. Hij benadrukt haar oorsprong in de socialistische linkerzijde en haar uitgesproken antistalinisme in de jaren 1930.

Tweede Wereldoorlog en verblijf in Argentinië Na de Duitse inval in Frankrijk verlieten Suzanne en Édouard Labin in juni 1940 Parijs en vestigden zij zich in Lyon. Daar waren zij volgens Dubler beiden betrokken bij het Franse verzet. Nadat zij in september 1941 waren gewaarschuwd dat Édouard Labin naar een concentratiekamp dreigde te worden gestuurd, vluchtten zij naar Buenos Aires. In Argentinië sloten zij zich aan bij links-antistalinistische kringen.

Tijdens haar verblijf in Argentinië werkte Labin verder aan een omvangrijk boek over Stalin en de Sovjet-Unie. Na haar terugkeer naar Frankrijk verscheen dit in 1948 als Staline le Terrible. Panorama de la Russie soviétique. Daarin presenteerde zij het stalinisme als een totalitair systeem dat volgens haar een breuk vormde met de socialistische en internationalistische idealen waarop het zich beriep. Een Engelse vertaling, Stalin's Russia, verscheen in 1949 met een voorwoord van Arthur Koestler.

Naoorlogs anticommunisme Na haar terugkeer uit Argentinië werd Labin lid van de Franse Socialistische Partij en hernieuwde zij haar contacten met onder anderen Souvarine, Raymond Aron en Koestler. In 1950 nam zij in Berlijn deel aan de oprichtingsbijeenkomst van het Congress for Cultural Freedom (CCF), een internationaal netwerk van anticommunistische intellectuelen.

Haar samenwerking met het CCF verliep niet zonder conflicten. Een meningsverschil met François Bondy over het tijdschrift Preuves, gecombineerd met Labins polemische schrijfstijl, leidde er volgens Dubler toe dat zij in 1952 geen deel meer uitmaakte van de redactie. Zij bleef nog enige tijd met het netwerk verbonden. In 1957 werd zij de eerste ontvanger van de door het CCF ingestelde Prix de Liberté, voor Les Entretiens de Saint-Germain. Liberté aux liberticides?.

Vanaf het midden van de jaren 1950 nam Labin een steeds hardere positie in tegenover de Sovjet-Unie en de politiek van vreedzame co-existentie. Dubler plaatst haar in wat binnen toenmalige anticommunistische netwerken het negatieve anticommunisme werd genoemd, tegenover stromingen die contacten tussen Oost en West juist als een instrument in de ideologische concurrentie beschouwden. Dubler stelt tevens dat Labins redeneringen in deze periode elementen overnamen van het McCarthyisme, waaronder het beeld van het communisme als een wereldwijd georganiseerd netwerk van infiltratie en subversie.

Labin probeerde verschillende anticommunistische stromingen internationaal bijeen te brengen in een door haar bepleite League of Liberty. In 1960 en 1961 organiseerde zij in respectievelijk Parijs en Rome internationale conferenties over wat de organisatoren de politieke oorlogsvoering van de Sovjet-Unie noemden. Aan deze bijeenkomsten namen volgens Dubler meer dan vijfhonderd personen uit vijfentwintig landen deel. De poging om de uiteenlopende politieke stromingen in één blijvende organisatie samen te brengen had echter weinig resultaat; de League of Liberty bleef grotendeels een project op papier.

Verenigde Staten en internationale netwerken In de jaren 1960 verlegde Labin een deel van haar activiteiten naar de Verenigde Staten. Zij vond daar aansluiting bij conservatieve anticommunistische organisaties en personen die betrokken waren bij de zogenoemde China Lobby, een verzameling organisaties die steun verleenden aan de regering van Taiwan en zich tegen diplomatieke erkenning van de Volksrepubliek China keerden.

Deze samenwerking betekende niet dat Labin alle standpunten van Amerikaans rechts deelde. Haar socialistische achtergrond en haar uitgesproken internationalisme bleven volgens Dubler belangrijke onderdelen van haar politieke zelfbeeld. Tegelijkertijd sloten haar afwijzing van de détente en haar opvatting dat communistische subversie alleen door internationale samenwerking kon worden bestreden goed aan bij conservatieve anticommunistische netwerken in de Verenigde Staten.

Labins publicaties werden daar zowel positief als kritisch ontvangen. Haar Engelstalige boek The Secret of Democracy, een vertaling van Le Drame de la démocratie, werd in 1956 onder meer besproken in Time en in The Annals of the American Academy of Political and Social Science. In de jaren 1960 kreeg een deel van haar werk daarentegen kritiek wegens een eenzijdige presentatie van onder meer de oorlog in Vietnam.

World Anti-Communist League Vanaf het begin van de jaren 1960 onderhield Labin contacten met de Asian People's Anti-Communist League (APACL). Nadat in 1967 uit dit netwerk de World Anti-Communist League ontstond, sloot zij zich bij de nieuwe organisatie aan.

Labin had tegelijk bezwaren tegen bepaalde deelnemers aan de WACL. Zij keerde zich tegen organisaties die naar haar oordeel nationalistische doelstellingen boven het anticommunisme plaatsten en vond dat groepen die met fascisme samenwerkten of uitsluitend reactionaire uitgangspunten huldigden niet tot de organisatie zouden moeten worden toegelaten. Desondanks bleef zij aan WACL-congressen deelnemen.

In 1972 werd Labin voorzitter van de Franse WACL-afdeling. Haar publicaties richtten zich in deze periode steeds sterker op China en andere volgens haar mondiale vormen van communistische beïnvloeding. Zij verzette zich tegen de Franse erkenning van de Volksrepubliek China in 1964 en tegen de Amerikaans-Chinese toenadering onder Richard Nixon en Henry Kissinger.

Latere jaren Van het midden van de jaren 1970 tot het begin van de jaren 1990 bleef Labin publiceren over onderwerpen die zij met de internationale communistische dreiging in verband bracht. Zij steunde het regime van Augusto Pinochet in Chili, verdedigde Israël en interpreteerde internationaal terrorisme in belangrijke mate als een uitvloeisel van communistische subversie. Deze standpunten brachten haar steeds nauwer in de omgeving van radicaal anticommunistische organisaties, hoewel zij formeel haar socialistische en antinationalistische zelfbeeld behield.

Na het einde van de Koude Oorlog verminderde de politieke belangstelling voor haar werk sterk. Dubler beschrijft de WACL als het voornaamste internationale kader waarbinnen Labin in de laatste fase van haar loopbaan haar politieke ideeën en activiteiten kon voortzetten.

Labin overleed op 22 januari 2001 in het 16e arrondissement van Parijs. Zij was 87 jaar.

Politieke positionering De historiografie over Labin benadrukt de schijnbare tegenstelling tussen haar socialistische achtergrond en haar latere samenwerking met conservatieve en rechtse organisaties. Dard waarschuwt ervoor haar politieke loopbaan uitsluitend met het etiket extreemrechts te beschrijven, omdat daarmee haar oorsprong in de antistalinistische linkerzijde buiten beeld blijft.

Dubler interpreteert die ontwikkeling als een combinatie van twee elementen. Enerzijds bleef Labin vasthouden aan een socialistisch internationalisme en keerde zij zich tegen nationalisme; anderzijds ging zij het communisme steeds meer als een allesomvattende, mondiale vorm van subversie beschouwen. Juist die internationale benadering maakte volgens Dubler samenwerking mogelijk met Amerikaanse conservatieven, Aziatische anticommunistische organisaties en uiteindelijk de WACL.

Labins eigen publicaties waren nadrukkelijk polemisch. Zij presenteerde haar werk als feitelijk onderzoek naar communistische regimes, maar nam tegelijkertijd expliciet politiek stelling. Dit leverde zowel waardering als kritiek op. Bij haar boek La Condition humaine en Chine communiste uit 1959, waarvoor zij 54 uit China gevluchte personen in Hongkong interviewde, oordeelde recensent Jean Némo in de Revue Défense Nationale dat het onderzoek documentaire waarde had maar tegelijk het karakter van een uitgesproken aanklacht tegen het communistische regime droeg.

Selectie uit publicaties Labin publiceerde gedurende ruim vijf decennia boeken, brochures en artikelen, veelal over de Sovjet-Unie, communistische propaganda en internationale politiek. Een selectie van haar boeken:

Staline le Terrible. Panorama de la Russie soviétique. Parijs: Éditions Self, 1948. Le Drame de la démocratie. Parijs: Pierre Horay, 1954. Engelse vertaling: The Secret of Democracy. Les Entretiens de Saint-Germain. Liberté aux liberticides?. Parijs: R. Lefeuvre, 1957. La Condition humaine en Chine communiste. Parijs: La Table Ronde, 1959. Engelse vertaling: The Anthill: The Human Condition in Communist China. Il est moins cinq. Propagande et infiltration soviétiques. Parijs: Berger-Levrault, 1960. De Gaulle ou la France enchaînée. Parijs: Éditions de la Ligue de la Liberté, 1964. Vietnam: An Eye-Witness Account. Springfield: Crestwood Books, 1964. Hippies, drogues et sexe. Parijs: La Table Ronde, 1970. Le Monde des drogués. Parijs: France-Empire, 1975. La violence politique. Parijs: France-Empire, 1978. Chili : le crime de résister. Parijs: Debresse, 1980. Engelse vertaling: Chile, the Crime of Resistance, Richmond: Foreign Affairs Publishing, 1982.

Literatuur

Categorie:Anticommunisme Categorie:Frans journalist