Herman-Jean Robiliart (Sint-Joost-ten-Node, 11 juli 1895 – Brussel, 17 oktober 1963) was een Belgisch mijningenieur en industrieel. Hij bracht het grootste deel van zijn loopbaan door bij de Union Minière du Haut-Katanga (UMHK), een van de belangrijkste mijnbouwondernemingen in Belgisch-Congo. In de jaren 1930 klom hij op binnen de Brusselse leiding van het bedrijf en in het begin van de jaren 1950 werd hij afgevaardigd bestuurder. In mei 1963 werd hij vicevoorzitter van de raad van bestuur en voorzitter van het permanent comité van de UMHK. Daarnaast was hij directeur van de Société Générale de Belgique.
Robiliart speelde tevens een rol in de ontwikkeling van de Belgische nucleaire sector in de jaren 1950. Historisch onderzoek naar de Koude Oorlog in België bracht daarnaast zijn betrokkenheid aan het licht bij de financiering en informatie-uitwisseling van Milpol, het private anticommunistische netwerk rond André Moyen. Dat netwerk werd in later historisch onderzoek verantwoordelijk gehouden voor de moord op communistisch politicus Julien Lahaut in 1950. Een persoonlijke opdracht van Robiliart tot die moord is echter niet aangetoond.
Levensloop
Opleiding en begin van de loopbaan Robiliart werd op 11 juli 1895 geboren in Sint-Joost-ten-Node. Hij studeerde aan de faculteit toegepaste wetenschappen van de Université libre de Bruxelles. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog onderbrak hij zijn opleiding en trad hij in dienst van het Belgische leger. Hij diende eerst bij de genie aan het IJzerfront en vervolgens bij de militaire luchtvaart. Na de oorlog hervatte hij zijn studie en behaalde hij in juli 1920 het diploma van mijningenieur.
Kort daarop trad Robiliart in dienst van de Union Minière du Haut-Katanga. Hij werkte aanvankelijk onder Edgar Sengier en verbleef tijdens de jaren 1920 en het begin van de jaren 1930 gedurende langere perioden in Katanga. In 1928 werd hij adjunct-directeur. Vanaf het midden van de jaren 1930 verplaatste het zwaartepunt van zijn werkzaamheden zich naar Brussel: in 1936 werd hij directeur en het daaropvolgende jaar directeur-generaal.
Union Minière en Société Générale In 1947 werd Robiliart beheerder-directeur van de Union Minière. Rond 1950–1951 kwam hij als afgevaardigd bestuurder aan de top van de onderneming te staan. In 1950 werd hij tevens directeur bij de Société Générale de Belgique, de holding die een centrale positie innam in de Belgische koloniale economie en nauw met Union Minière was verbonden. Op 22 mei 1963 werd hij vicevoorzitter van de raad van bestuur van Union Minière en voorzitter van het permanent comité.
Historicus Jeroen Laporte beschrijft Robiliart en Jules Cousin, die vanuit Elisabethstad opereerde, als twee centrale figuren in de leiding van Union Minière in de jaren 1950. Robiliart vertegenwoordigde daarbij de Brusselse bedrijfsleiding. De onderneming beperkte zich in de aanloop naar de Congolese onafhankelijkheid niet tot economische activiteiten, maar probeerde volgens Laporte via anticommunistische initiatieven, contacten met politieke actoren en beïnvloeding van de publieke opinie haar belangen in Katanga te beschermen. Laporte benadrukt daarbij de centrale positie van de tandem Cousin-Robiliart bij het uitwerken van deze bedrijfsstrategie.
Kernenergie Robiliart was vanaf de jaren 1950 actief in verschillende instellingen die betrokken waren bij de ontwikkeling van kernenergie in België. Hij was onder meer bestuurder van de Nucleaire Stichting, vicevoorzitter van organen van het toenmalige Centrum voor Kernenergie en voorzitter van Belgonucléaire. Zijn benoeming als bestuurder van de Nucleaire Stichting werd in 1957 ook in de statuten van de stichting vastgelegd.Belgisch Staatsblad, 19 september 1957, statuten van de Nucleaire Stichting, art. 5–6.
Wetenschapshistoricus Dennis Pohl beschrijft Robiliart als een belangrijke bemiddelaar bij de onderhandelingen over een eerste Amerikaanse kernreactor voor België in het kader van het programma Atoms for Peace. Robiliart was tevens betrokken bij de organisatie van de tentoonstelling over vreedzame toepassingen van kernenergie in het Atomium tijdens Expo 58. Een aanvankelijk plan om de latere BR3-reactor nabij het tentoonstellingsterrein te bouwen werd niet uitgevoerd; de reactor werd uiteindelijk bij het nucleaire onderzoekscentrum in Mol gebouwd. Pohl verbindt Robiliarts rol daarbij met de positie van Union Minière als leverancier van Congolees uranium.
Anticommunistische activiteiten Robiliart was na de Tweede Wereldoorlog betrokken bij private anticommunistische initiatieven. Laporte beschrijft hem als een sleutelfiguur in de steun vanuit de omgeving van Union Minière en Société Générale aan anticommunistische organisaties.
Uit het onderzoek van Emmanuel Gerard, Widukind De Ridder en Françoise Muller naar de naoorlogse anticommunistische netwerken blijkt dat de Société Générale en de financiële groep Brufina het private inlichtingennetwerk van André Moyen financierden. Robiliart fungeerde daarbij als tussenpersoon voor de Société Générale en Union Minière en ontving rapporten en nota's van Moyen. Een deel daarvan werd via hem doorgegeven aan de hoogste leiding van de Société Générale. Moyen beschouwde Robiliart en bankier Marcel De Roover als leidinggevende contacten van zijn netwerk.
Het netwerk breidde zijn activiteiten ook uit naar Belgisch-Congo. In de conclusie van het onderzoek stellen Gerard, De Ridder en Muller dat dit op verzoek van Robiliart gebeurde; de Congolese tak kreeg de codenaam Crocodile.Emmanuel Gerard, Widukind De Ridder en Françoise Muller, Wie heeft Lahaut vermoord? De geheime Koude Oorlog in België, samenvatting en besluit van het CegeSoma-onderzoek, 2015, pp. 10–14.
Moord op Julien Lahaut Op 18 augustus 1950 werd de communistische politicus Julien Lahaut voor zijn woning in Seraing doodgeschoten. Een in opdracht van de Belgische Senaat uitgevoerd historisch onderzoek door CegeSoma concludeerde in 2015 dat het anticommunistische netwerk van André Moyen verantwoordelijk was voor de aanslag. Een van de geïdentificeerde uitvoerders, François Goossens, maakte deel uit van dat netwerk.
Robiliart was geen lid van het uitvoerende commando, maar behoorde tot de zakelijke contacten en financiers rond Moyen. De onderzoekers stelden tevens vast dat Robiliart rapporten van Moyen ontving. Zij konden evenwel niet vaststellen of de leidinggevende contacten van Moyen hem opdracht hadden gegeven Lahaut te vermoorden, een moordplan expliciet of impliciet hadden goedgekeurd, dan wel of Moyen op eigen initiatief handelde. Een rol van Robiliart als opdrachtgever van de moord is daarmee niet bewezen.
Overlijden Robiliart overleed op 17 oktober 1963 onverwacht in Brussel aan een hartaanval. Hij was 68 jaar oud. Enkele maanden voor zijn overlijden was hij vicevoorzitter van de raad van bestuur en voorzitter van het permanent comité van Union Minière geworden.
Literatuur
Externe link
Herman-Jean Robiliart
Categorie:Belgisch industrieel Categorie:Belgisch ingenieur