Het strooiselmosklokje (Galerina cinctula) is een schimmel uit de familie Galerinaceae. De soort werd in 1960 beschreven door de Britse mycoloog P.D. Orton. Galerina cinctula P.D. Orton, Index Fungorum. Het is een saprotrofe soort die groeit op strooisel en dood plantaardig materiaal, waaronder twijgen, takken en afgestorven stengels en bladeren.Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe, hoofdstuk 24b, Paddenstoelenwerkgroep Drenthe.

Kenmerken Uiterlijke kenmerken Hoed De hoed is ongeveer 5–15 mm breed. Aanvankelijk is hij kegelvormig tot gewelfd en later meer uitgespreid, vaak met een stompe verhoging in het midden. Het oppervlak is glad en bij vocht geelbruin tot honingkleurig en doorschijnend gestreept. Bij opdrogen wordt de hoed bleker. A.H. Smith & R. Singer (1964), A Monograph on the Genus Galerina Earle, Hafner Publishing Company, New York.

Lamellen De lamellen zijn aangehecht aan de steel. Ze zijn aanvankelijk bleek en worden bij het rijpen van de sporen oker- tot bruinachtig.

Steel De steel is ongeveer 8–25 mm lang en 0,5–1,25 mm dik. Hij is slank, bovenaan bleker en naar de basis donkerder geel- tot honingbruin. Het witachtige, zijdeachtige velum kan vooral op het onderste deel van de steel opvallend zijn en een gordel- of ringachtige zone vormen. Een duidelijke vliezige ring ontbreekt.

Geur en smaak De geur en smaak worden als meelachtig beschreven, maar kunnen zwak zijn. Galerina cinctula (Čepičatka páskatá), Mykologie.net; gegevens naar De Haan & Walleyn (2006).

Microscopische kenmerken De basidia zijn 2-sporig. De basidiosporen zijn amandelvormig en fijn geornamenteerd. Volgens De Haan & Walleyn meten ze ongeveer 9–11 × 4,5–5,5 µm. Ze zijn zwak dextrinoïde en bezitten een weinig opvallende plage. De buitenste laag van de sporenwand, het perisporium laat niet los. In andere literatuur worden iets grotere sporenmaten, tot ongeveer 13 × 6 µm, opgegeven.

De cheilocystidia zijn flesvormig en eindigen in een duidelijk verbrede tot kopvormige top. Ze meten volgens Smith & Singer ongeveer 30–50 × 5–11(–14) µm, waarbij de verbrede top ongeveer 3–8 µm breed is. Pleurocystidia ontbreken. Gespen zijn aanwezig.

Ecologie Het strooiselmosklokje leeft saprotroof op dood plantaardig materiaal. In Drenthe is de soort vooral aangetroffen op dode twijgen (35%), strooisel en humus (25%), dode takken (14%), ander dood hout (11%) en dode stengels en bladeren (10%). Als substraat worden vooral resten van loofbomen vermeld, waaronder wilg en els.

De soort komt in uiteenlopende bostypen voor. In Drenthe is hij vooral gevonden in droog, voedselarm naaldbos en wilgenbroekstruweel, maar ook in droog voedselarm gemengd bos, loofbos en elzenbroekbos. Britse gegevens vermelden de soort op dood plantaardig materiaal van onder andere struikhei (Calluna vulgaris) en adelaarsvaren (Pteridium aquilinum). Galerina cinctula, BioImages – Checklist of the British and Irish Basidiomycota.

Verspreiding In Nederland geldt het strooiselmosklokje als vrij zeldzaam.NDFF Verspreidingsatlas – Strooiselmosklokje (Galerina cinctula) In de Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe wordt de soort voor die provincie als matig algemeen beschouwd. De soort is daar sinds 1974 waargenomen en stond ten tijde van de atlas te boek als niet bedreigd.

Categorie:Galerinaceae Categorie:Schimmelsoort