Roger Thoné (Luik, 24 mei 1923 – Vottem, 29 april 2020) was een Belgisch arts en vertegenwoordiger van de Syndicale Kamers van Geneesheren. Hij speelde in het begin van de jaren 1960 een rol bij de landelijke organisatie van deze artsenverenigingen en bij de Belgische artsenstaking van 1964. Thoné stond aan het hoofd van het Nationaal Verbond der Syndicale Kamers, kondigde op 1 april 1964 namens de vijf kamers het begin van de algemene staking aan en behoorde later tot de ondertekenaars van het Sint-Jansakkoord van 25 juni 1964.

Leven Hij werd op 24 mei 1923 geboren in Luik. In historische studies over de organisatie van de Belgische artsen in de jaren 1960 wordt hij beschreven als een jonge arts uit het Luikse en als een van de vertegenwoordigers van een nieuwe generatie artsen die zich verzette tegen een sterkere overheidsregulering van de geneeskunde. Hij overleed op 29 april 2020 in Vottem, op 96-jarige leeftijd.

Syndicale Kamers De verhouding tussen de Belgische overheid en het artsenkorps verscherpte aan het begin van de jaren 1960 door hervormingen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering. In deze periode ontstonden regionale Syndicale Kamers van Geneesheren. De eerste kamer werd in mei 1962 in Luik-Luxemburg officieel opgericht; vervolgens kwamen er kamers in andere delen van het land.

Thoné behoorde samen met onder anderen André Wynen, Toon Malfliet, Alex De Bruyn en Paul Mundeleer tot de artsen die in de geschiedschrijving als vertegenwoordigers van de nieuwe generatie binnen de medische beroepsorganisatie worden genoemd. Schrijvers beschrijft Thoné en Wynen als twee nauw samenwerkende figuren binnen de strijd van de Syndicale Kamers.

Toen de verschillende regionale Syndicale Kamers zich landelijk gingen organiseren, werd het Nationaal Verbond der Syndicale Kamers opgericht om de kamers te coördineren en naar buiten toe te vertegenwoordigen. Thoné kwam aan het hoofd van deze nationale organisatie te staan. Tegen het einde van maart 1964 vertegenwoordigden de vijf Syndicale Kamers volgens historische studies ongeveer 90 procent van het Belgische artsenkorps.

Artsenstaking van 1964

Achtergrond Het conflict met de regering spitste zich toe op de hervorming van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering onder minister van Sociale Voorzorg Edmond Leburton. De wet van 9 augustus 1963 voorzag onder meer in een stelsel van overeenkomsten tussen zorgverleners en verzekeringsinstellingen en in meer controle op de honoraria. Een groot deel van de georganiseerde artsen verzette zich tegen onderdelen van dit stelsel, onder meer vanuit bezorgdheid over hun professionele autonomie en de regeling van de erelonen.

Na maanden van onderhandelingen en acties liepen de besprekingen tussen regering en artsen eind maart 1964 opnieuw vast. De Syndicale Kamers hadden ondertussen een landelijke staking voorbereid.

Afkondiging van de staking In de nacht van 31 maart op 1 april 1964 vonden nog onderhandelingen met de regering plaats. Omstreeks vier uur in de ochtend van 1 april legde Thoné een verklaring af aan de pers. Kort daarna maakte het Nationaal Verbond der Syndicale Kamers bekend dat het de artsen opriep tot een totale en onbeperkte staking.

Tijdens de staking bleven wachtdiensten bestaan voor dringende medische hulp, terwijl veel andere artsen hun gewone werkzaamheden staakten. Het conflict leidde tot grote maatschappelijke en politieke spanningen. Na tussenkomst van de rectoren van de Belgische universiteiten werden de onderhandelingen hervat en op 18 april werd de staking beëindigd.

Thoné maakte tijdens het conflict deel uit van de artsendelegatie die met de regering onderhandelde. In contemporaine beeldverslagen van de onderhandelingen wordt hij samen met André Wynen aan de onderhandelingstafel tegenover onder anderen premier Théo Lefèvre en minister Leburton afgebeeld.

Sint-Jansakkoord Na het beëindigen van de staking gingen de onderhandelingen over de hervorming van de ziekteverzekering verder. Op 25 juni 1964 werd een algemeen akkoord bereikt tussen vertegenwoordigers van de artsen en tandartsen, de verzekeringsinstellingen en de overheid. Dit werd bekend als het Sint-Jansakkoord.

Thoné behoorde tot de officiële ondertekenaars. In de parlementaire stukken worden de artsen Thoné en Van Steenbergen vermeld als ondertekenaars namens de Nationale Federatie van de Syndicale Kamers. Andere ondertekenende artsen vertegenwoordigden afzonderlijke regionale kamers.Kamer van Volksvertegenwoordigers, zitting 1963–1964, nr. 836/5, Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering. Aanvullend verslag, 30 juni 1964, bijlage.

Het Sint-Jansakkoord wijzigde verschillende onderdelen van de regeling van 1963 en vormde een belangrijke stap in de ontwikkeling van het Belgische overlegmodel tussen artsen, ziekenfondsen en overheid. De periodieke onderhandelingen over onder meer de honoraria van artsen werden een structureel onderdeel van de ziekteverzekering.

Betekenis Thonés historische betekenis is voornamelijk verbonden met de syndicale organisatie van de Belgische artsen in de jaren 1960. Zijn leiding van het Nationaal Verbond, zijn optreden bij de afkondiging van de staking en zijn ondertekening van het akkoord van 25 juni plaatsen hem bij de vertegenwoordigers van het artsenkorps tijdens het conflict over de hervorming van de ziekteverzekering.

De artsenstaking zelf had langdurige gevolgen voor de verhouding tussen de georganiseerde medische beroepsgroep, de ziekenfondsen en de overheid. Historisch onderzoek wijst erop dat het Belgische systeem na 1964 het karakter behield van een stelsel waarin artsen grotendeels als zelfstandige beroepsbeoefenaars werkzaam bleven en waarin honoraria via overleg werden geregeld.

Literatuur

Zie ook Belgische artsenstaking van 1964 André Wynen Edmond Leburton Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering

Categorie:Belgisch medicus