Het vaal mosklokje (Galerina mniophila) is een schimmel uit de familie Galerinaceae. De soort behoort tot de mosklokjes (Galerina) en groeit tussen levende mossen op overwegend voedselarme, zure bodems. De wetenschappelijke naam werd in 1935 door Robert Kühner in het geslacht Galerina geplaatst; het basioniem is Agaricus mniophilus Lasch uit 1828.

Kenmerken Uiterlijke kenmerken Hoed De hoed heeft een diameter van ongeveer 5–15(–20) mm. Hij is aanvankelijk kegelvormig en spreidt later uit. Het oppervlak is kaal en hygrofaan en bij vocht duidelijk doorschijnend gestreept. De kleur is vaal okerbruin, vaak met een grijzig- of groenachtig tintje. Bij uitdrogen verbleekt de hoed sterk.

Lamellen De lamellen staan tamelijk ver uiteen en zijn aan de steel aangehecht. Ze zijn aanvankelijk bleek en worden later oker- tot geelbruin. De kleur komt ongeveer overeen met die van de hoed. Het sporenpoeder is oker- tot roestbruin.

Steel De steel is ongeveer 30–45 mm lang en 1–2 mm dik. Hij is cilindrisch en bleek geelbruin. De top kan bijna doorschijnend zijn en is fijn bepoederd. Het onderste deel is meestal vrijwel kaal, maar kan verspreide vezelige resten van het velum dragen. Een duidelijke ring ontbreekt.

Geur en smaak De geur en smaak worden als schimmelig beschreven.

Microscopische kenmerken De basidiosporen zijn overwegend amandelvormig en meten volgens Nederlandse bronnen ongeveer 9–11 × 5,5–6 µm. Ze zijn zeer zwak ruw of fijn gemarmerd geornamenteerd en bezitten een plage. De ornamentatie kan zo zwak zijn dat de sporen bij oppervlakkige waarneming vrijwel glad lijken.

De basidia zijn viersporig. Pleurocystiden ontbreken. De cheilocystiden staan talrijk op de lamelsnede. Ze zijn spoelvormig tot buikig-flesvormig (fusiform-ventricose tot lageniform) en lopen uit in een smalle hals met een stompe of slechts zwak knopvormig verbrede top. Ze zijn ongeveer 30–42 µm lang; het verbrede middendeel is ongeveer 6–10 µm breed, de hals 3–4 µm en de top ongeveer 4–6 µm breed. Nederlandse literatuur beschrijft de cystiden als zwak lecithiform en noemt voor G. mniophila sensu stricto een relatief klein eindknopje van ongeveer 3–7 µm.

Caulocystiden komen vooral aan de bovenzijde van de steel voor. In de hyfen zijn gespen aanwezig.

Ecologie Het vaal mosklokje groeit tussen levende bladmossen, meestal op zure en voedselarme grond. In Nederland wordt het onder meer gevonden in naaldbossen en daarnaast in loofbossen, heidevegetaties en schrale graslanden. De bodem kan vochtig tot vrij droog en zandig of venig zijn. De Nederlandse standaardlijst rekent de soort tot de soorten die met mossen geassocieerd zijn en mogelijk zwak parasitisch op mossen leven.

In de kustduinen wordt de soort vooral aangetroffen tussen mossen op relatief droog zand in de grijze duinen.

Gelijkende soorten Het vaal mosklokje behoort tot een groep sterk gelijkende mosklokjes waarbij microscopisch onderzoek meestal noodzakelijk is voor een zekere determinatie.

Vooral het okermosklokje (Galerina cephalotricha) lijkt sterk op deze soort. G. mniophila sensu stricto heeft zeer zwak ruwe sporen en cheilocystiden met een relatief klein eindknopje van ongeveer 3–7 µm. Bij G. cephalotricha zijn de sporen glad en hebben de cystiden doorgaans een grotere kop van ongeveer 5–10 µm. Exemplaren waarbij dit onderscheid niet betrouwbaar gemaakt kan worden, kunnen in Nederland als Galerina mniophila sensu lato worden opgegeven.

Het geelbruin mosklokje (Galerina hypnorum) is doorgaans warmer okerbruin tot okeroranje, heeft een duidelijke melige geur en smaak en bezit iets kleinere sporen van ongeveer 8–10 × 5–5,5 µm.

Verspreiding Galerina mniophila is bekend uit Europa en andere delen van het noordelijk halfrond. In Nederland geldt de soort op basis van gevalideerde waarnemingen uit 2004–2023 als 'vrij zeldzaam'. Langs de Nederlandse kust wordt de soort in geschikte duinhabitats relatief regelmatig aangetroffen.

Externe links Galerina mniophila bij GBIF

Categorie:Galerinaceae Categorie:Schimmelsoort