De Sikang-den (Pinus densata) is een soort uit de dennenfamilie (Pinaceae), die van nature voorkomt in China in het zuiden van Qinghai, het westen van Sichuan, het noordwesten van Yunnan en het oosten van Tibet. De boom groeit in hooggebergte op hoogtes van 2600 tot 4000 meter, of zelfs tot 4200 meter. Boven de 3000 meter vormt hij open, zuivere bestanden; daaronder groeit hij samen met andere dennensoorten, zoals de Chinese witte den en de Yunnan-den. De Sikang-den onderscheidt zich door het gehalte aan diverse terpenoïden, met name wat betreft sesquiterpenoïden en diterpenoïden.
In Nederland staat de Sikang-den in het Von Gimborn Arboretum in Doorn.
Beschrijving De Sikang-den groeit als een groenblijvende boom die doorgaans een hoogte van 30 meter bereikt en een stamdiameter tot 1,3 meter. De bast is aanvankelijk roodbruin en later donker grijsbruin; hij is schilferig en verdeeld in onregelmatig gevormde platen, gescheiden door verticale groeven. De takken staan wijd uit en vormen een eivormig-kegelvormige kroon, die later breed eivormig of open van structuur wordt. De twijgen zijn stijf; jonge scheuten zijn kaal en ruw door bladkussentjes, en zien er in het eerste jaar glanzend geelbruin uit, en in het tweede en derde jaar roodbruin.
De winterknoppen zijn dofbruin, eivormig-kegelvormig en toegespitst. Eindknoppen zijn ongeveer 15 millimeter lang en hebben een diameter van 6 millimeter. De knopschubben zijn toegespitst en hebben witachtige randen. De naalden staan in bundels van twee (zelden drie) in naaldscheden die aanvankelijk 10 tot 15 millimeter lang zijn, maar na verloop van tijd korter worden. De naalden zijn recht, 8 tot 14 centimeter lang en 1 tot 1,5 millimeter breed, stijf, licht gedraaid, toegespitst en dofgroen. De randen zijn fijn gezaagd. Aan beide zijden van de naald bevinden zich fijne lijnen van huidmondjes. Per naald worden drie of vier harskanalen gevormd. De naalden blijven drie jaar aan de boom zitten.
De mannelijke kegels groeien in spiraalsgewijs gerangschikte trossen aan de basis van nieuwe scheuten. Ze zijn geelbruin, kort-cilindervormig, 10 tot 18 millimeter lang en 3 tot 4,5 millimeter breed. De vrouwelijke kegels groeien solitair of in paren; ze zijn zittend of hebben zeer korte stelen, zijn in gesloten toestand smal eivormig (4 tot 6 centimeter lang) en in geopende toestand 4 tot 7 centimeter breed. De zaadschubben zijn bruin, langwerpig, dun-houtig en stijf. De apofyse is duidelijk verheven, 4 tot 7 millimeter dik, duidelijk dwars gekield, min of meer ruitvormig en glanzend chocoladebruin. De umbo zit dorsaal en heeft een kort stekeltje.
De pitten (vaak zaden genoemd) zijn eivormig tot elliptisch, 4 tot 6 millimeter lang en lichtbruin tot grijsbruin. De vleugel is 15 tot 20 millimeter lang en 6 tot 7 mm breed.
Bestuiving vindt plaats in mei en de vrouwelijke kegels rijpen in oktober van het tweede jaar.
Externe links Illustratie in Flora of China Afbeelding van vrouwelijke kegel en naalden Afbeeldingen op Inaturalist
Categorie:Den Sikang-den