Godert Alexander Gerard Philip baron van der Capellen, heer van Berkenwoude en Achterbroek (Utrecht, 15 december 1778 – De Bilt, 10 april 1848) was een Nederlandse diplomaat, onder meer minister van Binnenlandse Zaken en gouverneur-generaal van Nederlands-Indië.
Familie Van der Capellen was lid van de oud-adellijke familie Van der Capellen. Hij was een zoon van Alexander Philip van der Capellen (1745-1787), kolonel der cavalerie, en Maria Taets van Amerongen (1755-1809) en werd na de dood van zijn vader opgevoed door de Waalse predikant Pierre Chevallier, met wie hij achtereenvolgens te Zwolle, Harderwijk en na 1795 te Amsterdam woonde. Bij KB van 1 mei 1824 werd voor hem en zijn nakomelingen de titel van baron erkend. Hij trouwde in 1803 met Jacoba Elisabeth barones van Tuyll van Serooskerken (1781-1866); dit huwelijk bleef kinderloos.
Napoleontische tijd Van der Capellen studeerde rechten aan de hogeschool van Utrecht en werd bevorderd tot meester in de rechten, terwijl hij aan de hogeschool van Göttingen onder andere de lessen van George Friedrich von Martens en Johann Friedrich Blumenbach bijwoonde, met wie hij tot het laatst van zijn leven in briefwisseling stond. In april 1803 werd hij aangesteld als secretaris der departementale Rekenkamer te Utrecht, in augustus 1805 benoemd tot lid van de Raad van Financiën en op 8 mei 1807 door koning Lodewijk eerst tot assessor van de landdrost en op 10 mei 1807 tot secretaris-generaal van het departement Utrecht bevorderd. In februari 1808 werd hij met Van Hooff en Bangeman Huygens als commissaris naar Oost-Friesland gezonden tot inbezitneming van dat, toen aan het Koninkrijk Holland toegevoegde gewest, alsmede van de heerlijkheden Jever, Varel en Knyphausen. Daarna werd Van der Capellen benoemd tot landdrost over het nieuw gevormde departement Oost-Friesland. Hij wist daar met veel beleid en matigheid de overgang van de oude instellingen van het land tot de nieuwe organisatie, overeenkomstig die van het Koninkrijk Holland, geleidelijk te doen plaatsvinden. Ook was het voornamelijk door zijn toedoen, dat de aanvankelijk van Oost-Friesland gevorderde belasting van twee miljoen gulden tot op de helft verminderd werd. thumb|left|Godert van der Capellen In december 1808 werd Van der Capellen door koning Lodewijk tot Staatsraad en op 27 mei 1809 tot minister van Eredienst en Binnenlandse Zaken benoemd. Hij schreef in zijn Souvenirs biographiques dat hij in die betrekking met de meerderheid der ministers, waaronder Krayenhoff en Appelius, de Koning zou hebben aangeraden, de overgang der rivieren aan het Franse leger met kracht te beletten; hij behoorde tot de ministers die niet voor krachtig optreden tegen de toenemende eisen van Napoleon terugdeinsden. Gedurende de Franse heerschappij wilde hij geen openbare betrekking aannemen; ook verzocht hij gouverneur-generaal Lebrun hem niet in aanmerking te doen komen voor het commandeurskruis van de Reünie, waarop hij aanspraak kon maken. In het midden van 1811 vertrok hij naar Grätz, waar hij gedurende ruim een jaar door zijn gezelschap het leven van de afgetreden koning Lodewijk zo veel mogelijk trachtte te veraangenamen, waarop familiezaken hem terug naar Holland riepen. Van der Capellen was zo verbitterd door de Franse overheersing dat hij zich in september 1813 naar Mannheim begaf, van waar hij evenwel, zodra hij kennisnam van de omwenteling in Holland, direct naar zijn vaderland terugkeerde. Aan het verzoek van Koning Lodewijk om bij hem in Bazel te komen gaf hij geen gehoor, omdat hij vermoedde, dat de Koning hem de behartiging van zijn belangen bij de verbonden mogendheden wilde opdragen, terwijl hij de mening was toegedaan dat bij een volkomen herstel van de onafhankelijkheid van Nederland, het Huis van Oranje aldaar in zijn waardigheden hersteld moest worden.
Loopbaan in Nederlandse dienst Van der Capellen was al voor zijn terugkomst in het vaderland, op 17 december 1813, benoemd tot commissaris-generaal van het Departement der Zuiderzee, en op 6 april 1814 volgde zijn aanstelling tot secretaris van staat voor de zaken van koophandel en koloniën; deze betrekking kon hij slechts kort waarnemen omdat de soevereine vorst hem in mei 1814 naar Brussel zond, om daar als commissaris voor Nederland te functioneren bij gouverneur-generaal De Vincent, die uit naam der verbonden mogendheden het gezag voerde over de Zuid-Nederlandse provincies. 400px|thumb|Het Congres van Wenen, waar Van der Capellen tegenwoordig was. Toen op 1 augustus 1814 het bewind over die gewesten aan Willem I was opgedragen, werd Van der Capellen op 12 augustus met de titel van secretaris van staat aan het hoofd van het bestuur aldaar geplaatst en aan hem een ministerie toegevoegd, maar hij werd al in september, na op 28 augustus 1814 tot lid van de ridderschap in de provincie Utrecht benoemd te zijn, aangesteld tot gouverneur-generaal van Nederlands Indië en, met Cornelis Elout en Arnold Buyskes, tot commissaris-generaal, bestemd om de Oost-Indische bezittingen uit handen van de Engelsen over te nemen. Van der Capellen vertrok in oktober naar Den Haag, vanwaar hij eerst naar Wenen ging in de functie van buitengewoon gevolmachtigde, waar toen een congres werd gehouden, met opdracht, Nederland te doen toetreden tot het geheim verdrag tussen Frankrijk, Engeland en Oostenrijk gesloten, teneinde de intriges van Rusland en Pruisen tegen te gaan. Als doel van zijn zending werd aangegeven, met de aldaar reeds vanwege de Koning aanwezige afgevaardigde Van Spaen en Von Gagern aan het Huis van Oranje-Nassau het behoud der Duitse erfstaten te verzekeren. De geheime zending werd met de gewenste uitslag volbracht maar in de openbare opdracht slaagden de onderhandelaars niet. Tot vergoeding van de Nassausche vorstendommen moest men het Hertogdom Luxemburg aannemen; Van der Capellen wist slechts te bewerkstelligen, dat dit tot een groothertogdom werd verheven. Hij keerde in maart terug en werd op het bericht van Napoleons terugkeer in Frankrijk direct weer in zijn eerdere betrekking naar Brussel gezonden. Hier betoonde hij in de gedenkwaardige dagen van 15-18 juni veel geestkracht en moed, door standvastig op zijn post te blijven, ondanks dat velen uit Brussel vluchtten, en hij ook voorzichtigheidshalve de archieven en de schatkist naar Antwerpen had gezonden Omdat hij gedurende zijn bestuur in België de tegenzin van de grote meerderheid der notabelen tegen de voorgestelde grondwet had leren kennen, stelde hij ijverige, hoewel vruchteloze pogingen in het werk, om Willem I over te halen, de publieke opinie niet te trotseren.
Nederlands-Indië Java Van der Capellen vertrok op 18 oktober 1815 met een eskader onder bevel van schout-bij-nacht Arnold Adriaan Buyskes naar Indië om daar zijn nieuwe functie van gouverneur-generaal te aanvaarden. Hij kwam op 11 mei 1816 in de kolonie aan maar nam pas op 19 augustus 1816 het bestuur over van de Britse gouverneur John Fendall. Op 16 januari 1819 traden de commissarissen-generaal af en bleef Van der Capellen als gouverneur-generaal werkzaam. Om zich meer met land en volk bekend te maken deed hij een reis over Java; op die reis, gedurende welke hij ook de hoven van Solo en Djokja aandeed, kwam hij tot de overtuiging dat bij de Javaanse regenten ontevredenheid bestond en vrees voor intrekking van hun ambt. Hij vaardigde daarom in mei 1820 een resolutie uit waarin hun rechten, verplichtingen en titels als hoofden van de inlandse bevolking werden omschreven. thumb|left|350px|Fort te Sambas, gebouwd in 1823 Behalve enige incidenten (onlusten in Bantam en een handeling van de soesoehoenan van Solo, door het optreden van een roversbende in Kedoe) was het de eerste jaren na het vertrek van de commissarissen-generaal op Java rustig. Alleen een cholera-epidemie teisterde in 1821 geheel Java en eiste dat jaar 110.000 slachtoffers; in 1822 veroorzaakte een uitbarsting van de Galoengoeng enorme verwoestingen. In 1822 ondernam Van der Capellen nogmaals een reis door Java en werd door hem bijzondere aandacht geschonken aan de toename der landverhuren in de Vorstenlanden. Hij keurde deze landverhuringen om verschillende redenen af (vooral wegens het gevaar van onderdrukking der inlandse bevolking) en deed een onderzoek instellen.
Nadat het verhuren van landen voorlopig verboden was werd op 6 mei 1823 het besluit uitgevaardigd, waarin niet alleen alle verhuringen voor langer dan drie jaar en met meer dan zes maanden voorschot werden verboden, maar ook reeds bestaande. Dit besluit bracht grote ontstemming teweeg, niet alleen bij de huurders maar ook bij de vorsten en rijksgroten, die nu genoodzaakt waren voorschotten, veelal reeds verteerd, terug te geven. Het is zeer waarschijnlijk dat deze kwestie een paar jaar later mee heeft gewerkt aan het uitbreken van de Java-Oorlog 1825-1830.
Er werden daarnaast bepalingen gemaakt (1820, 1821 en 1823), waardoor het verkeer van Europeanen en Chinezen in de binnenlanden zeer werd bemoeilijkt. Deze maatregelen hadden ten doel de opkopers der door de bevolking geteelde koffie - door wie, naar het oordeel van Van der Capellen, de inlander op slinkse wijze benadeeld werd - in hun pogingen te belemmeren en daardoor tevens de inkoop van koffie door het gouvernement te begunstigen.
Sumatra Niet lang nadat Van der Capellen het bestuur had aanvaard had hij in Palembang met ernstige moeilijkheden te kampen. Aldaar deed sultan Mahmoed Badroedin, die in 1818 voor de derde keer de troon beklommen had, na een vordering van commissaris Muntinghe om zijn gedrag te verklaren, omdat er gebleken was dat er een opstand broeide, in juni het garnizoen aanvallen. De aanval werd afgeslagen, maar te vergeefs een poging gedaan om de Kraton te bemachtigen. Palembang werd daarop door de Nederlanders verlaten en op Banka werd versterking afgewacht. Nadat deze was aangekomen, werd door een eskader met landingstroepen vergeefs getracht tot Palembang door te dringen. Toen op Banka, waar eveneens voortdurend gisting bestond, in november 1819 de resident werd vermoord, werd in 1820 eerst op dat eiland de rust gewapenderhand hersteld, daarna (1821) een sterke expeditie onder legercommandant De Kock naar Palembang gezonden. 400px|thumb|Rede van Muntok en strand tussen Banka en Palembang. Na een hevige strijd werden in juni de versterkingen aan de rivier van Palembang bij het eiland Kembaro genomen. Palembang werd nu bezet, de sultan afgezet, naar Ternate verbannen en door zijn neef vervangen. Intussen was daardoor de rust slechts tijdelijk hersteld. Nadat uit een door commissaris van Sevenhoven ingesteld onderzoek gebleken was, dat de toestand, vooral in de Bovenlanden, veel te wensen overliet, werd in juni 1823 met de sultan een nieuw contract gesloten, waarbij deze, tegen toekenning van een jaargeld, bestuur en rechtspleging grotendeels aan het gouvernement overliet, en waarbij gunstiger bepalingen voor de bevolking, wat betreft belastingen en herendiensten, werden gemaakt.
Zowel door weerstand bij het innen der belastingen, als door een poging tot vergiftiging van het garnizoen (november 1824) was reeds gebleken, dat de toestand niet te vertrouwen was, toen door de sultan een aanval op de Nederlandse troepen werd gedaan. De aanval werd afgeslagen en in 1825 het sultansbestuur afgeschaft; de sultan, die gevlucht was, werd gevangengenomen en naar Banka verbannen.