De haas (Lepus europaeus), ook wel Europese haas genoemd om onderscheid te maken met andere hazensoorten, is een zoogdier, dat net als onder andere het konijn tot de orde van de haasachtigen (Lagomorpha) behoort. De haas komt algemeen voor op de open gras- en landbouwgebieden van Europa en aangrenzende delen van Azië.Het haas komt ook voor, met name in jagerstaal. (Groene Boekje, Trouw (2017).
Uiterlijke kenmerken De haas (bij jagers: het haas) is een grote haasachtige met een langwerpig lichaam, zeer lange oren en lange poten. De achterpoten zijn langer en krachtiger dan de voorpoten. Iedere poot heeft vijf tenen en behaarde zoolkussens.
De Europese haas heeft een grijzig geel- tot roestbruine vacht, die dient als camouflage. De onderzijde is grijzig wit. Er zijn echter veel kleurvarianten bekend, waaronder zandkleurig, albino of geheel zwart. Jonge dieren hebben vaak een witte vlek op de kop. De bovenzijde van het korte staartje ("pluim") is zwart, de onderzijde wit. De lange oren ("lepels") zijn grijs met een zwarte punt. De haas ruit twee keer per jaar, in de lente en in de herfst. De zomervacht is lichter van kleur dan de meer rossige wintervacht. Dieren uit warmere en meer open streken hebben een lichtere vachtkleur dan dieren uit koudere en meer beboste streken.Rollin, S. "N°48 de haas" (1995), Honders J. (red.) Dieren in het wild, Société des Périodiques Larousse. De vacht is dicht en zacht en bestaat uit drie haartypen: een ondervacht met haren van 15 mm, donsharen van 24 tot 27 mm en dekharen van 32 tot 35 mm.MacDonald, D & P. Barrett. (1993) Collins field guide Mammals of Britain & Europe, HarperCollins Publishers. p. 284-287. De ogen zijn groot en goudbruin en worden omringd door lichtere vacht.
Het vrouwtje heeft zes mammae.
thumb|Schedel van de haas
Oppervlakkig lijkt een haas op het konijn, maar hij is groter, met in verhouding grotere oren met zwarte uiteinden en langere ledematen. Ook beweegt een haas zich meer met sprongen voort. Van de sneeuwhaas onderscheidt hij zich door de meer gele vacht, de meer donkere bovenzijde van de staart en de langere oren.
Zintuigen De grote oren, ze worden lepels genoemd, zorgen voor een uitstekend gehoor. Ze kunnen onafhankelijk van elkaar bewegen en kunnen zo van iedere richting geluid opvangen. Een haas kan zijn oren 190° naar buiten draaien. Naast het scherpe gehoor heeft de haas ook een sterk ontwikkelde reukzin om vijanden te kunnen waarnemen en de geur van bronstige vrouwtjes op te pikken. Door voortdurend te snuffelen vangt de haas de gehele tijd geuren op. De zijwaarts geplaatste ogen zorgen voor een blikveld van 360°. Voor en achter hem is er dus overlap, en de haas hoeft zijn kop niet te bewegen om zijn omgeving te kunnen zien. Enkel vlak voor en vlak achter hem bevindt zich een dode hoek. De haas kan echter slecht diepte inschatten. Langs de neus bevinden zich snorharen van zo'n tien centimeter lang.
Afmetingen De haas heeft een kop-romplengte van 48 tot 73 centimeter, een schouderhoogte van 30 centimeter en een lichaamsgewicht van 2500 tot 7000 gram. Het mannetje ("rammelaar" of "ram") is ongeveer vijf procent zwaarder dan het vrouwtje ("moer" of "moerhaas"). De staart is ongeveer 7 tot 13 centimeter lang, de oren 7,9 tot 14 centimeter en de achtervoetlengte bedraagt 11,5 tot 17 centimeter. De afmetingen verschillen per leefgebied: in het mediterrane gebied worden hazen zelden zwaarder dan drie kilogram, terwijl ze in Hongarije regelmatig een gewicht van zo'n zes kilogram bereiken.
Taxonomie Carl Linnaeus vermeldde de poolhaas in 1758 in zijn Systema Naturae en noemde deze Lepus timidus. Daarmee introduceerde hij ook de geslachtsnaam Lepus. De Pruisische natuuronderzoeker Peter Simon Pallas was de eerste die de haas beschreef, op basis van exemplaren uit zuidwestelijk Polen en hij noemde die in 1778 Lepus (Eulagos) europaeus europaeus. In 1801 beschreef Johann Matthäus Bechstein drie vormen uit zijn thuisland Thuringen en noemde die respectievelijk Lepus timidus albus, Lepus timidus flavus en Lepus timidus niger. De Zweedse zoöloog Sven Nilsson onderscheidde een vorm uit Denemarken die hij in 1820 de naam Lepus medius gaf. In 1822 beschreef Anselme Gaëtan Desmarest hazen uit Rusland en Siberië die hij Lepus hybridus noemde. Friedrich Wilhelm Hemprich en Christian Gottfried Ehrenberg gaven twee vormen uit het Libanongebergte en de Wolgadelta de namen Lepus syriacus en Lepus caspicus in 1832. In 1842 beschreef Johann Heinrich Blasius Lepus aquilonius uit centraal Rusland. Eduard Friedrich Eversmann onderscheidde in 1850 uit de omgeving van de Russische stad Kazan Lepus timidus var. hymenalis tumac. In 1859 publiceerde Paul Gervais de namen Lepus campicola en Lepus meridionalis zonder beschrijving en daarmee zijn dat voorbeelden van een nomen nudum. De Britse zoöloog John Edward Gray beschreef een vorm uit Palestina in 1867 onder de naam Eulagos Judeae. Datzelfde jaar publiceerde Leopold Fitzinger de namen Lepus timidus coronatus, Lepus timidus rufus, Lepus timidus cinereus, Lepus timidus nigricans, en Lepus timidus maculatus zonder beschrijvingen. De Russische zoöloog en kinderboekenschrijver Modest Nikolaevitsj Bogdanov gaf in 1871 de naam Lepus campestris, maar die naam was niet meer beschikbaar omdat John Bachman die in 1837 al had gebruikt voor de oostelijke ondersoort van de prairiehaas waarvoor nu de wetenschappelijke naam Lepus townsendii campanius wordt gebruikt. In 1875 onderscheidde Richard von König-Warthausen een vorm uit de omgeving van Ulm, die hij Lepus timidus var. argenteogrisea noemde. In 1889 stelden Aleksandr Tikhomirov en A.A. Korchagin voor de incorrecte naam van Eversmann uit 1850 te vervangen door Lepus timidus var. tumak. De Duitse zoöloog Paul Matschie beschreef in 1901 een vorm uit Roemenië, die hij Lepus transsylvanicus noemde. In 1903 verhief Gerald Barrett-Hamilton de vormen van Kreta en Cyprus tot soorten, die hij respectievelijk Lepus creticus en Lepus cyprius noemde. Eveneens in 1903 onderscheidde de Amerikaanse bioloog Gerrit Smith Miller Jr. een vorm uit het Parnassusgebergte als Lepus parnassius. Konstantin Satunin beschreef in 1905 een vorm uit Azerbeidzjan, waaraan hij de naam Lepus cyrensis mee gaf. Max Hilzheimer onderscheidde in 1906 ondersoorten uit de Pyreneeën, zuidelijk Frankrijk en Roemenië, die hij respectievelijk Lepus europaeus pyrenaicus, Lepus europaeus meridiei en Lepus europaeus transsylvaticus, waarbij in de laatste naam die overgenomen werd van Matschie een fout is gemaakt. In 1918 beschreef Herbert Christopher Robinson een vorm uit westelijk Iran die hij Lepus dayanus connori noemde. De Russische zoöloog Sergej Ognjov gaf in 1923 de naam Lepus europaeus tesquorum aan een vorm uit oostelijk Oekraïne. De Italiaanse zoöloog Oscar de Beaux meende dat dieren van het Aegeïsche eiland Stampalia voldoende verschillen en creëerde daarom de naam Lepus europaeus ghigi in 1927. In 1929 dacht Ognev dat de hazen uit Noord-Ossetië, uit de streek rond Krasnodar, en uit de Kalmuk Steppe een eigen ondersoort vertegenwoordigen en gaf deze dieren de namen Lepus europaeus caucasicus, Lepus europaeus caucasicus nato ponticus, respectievelijk Lepus europaeus caucasicus nato kalmykorum. Datzelfde jaar onderscheidde De Beaux dieren uit de Karpaten en noemde die Lepus europaeus carpathous. George Gilbert Goodwin beschreef in 1939 uit de omgeving van Teheran en op een hoogte van 1000 m Lepus europaeus iranensis. De Oostenrijkse zoöloog Otto von Wettstein onderscheidde in 1943 dieren uit de bergen van de Peloponnesos als Lepus europaeus niethammeri. In 1944 volgde Boris Aleksandrovich Kuznetsov met Lepus europaeus borealis voor dieren afkomstig uit noordelijk Basjkirostan in Siberië. De eveneens Russische zoöloog Vladimir Geptner stelde in 1948 voor de naam van Kuznetsov te vervangen door Lepus europaeus biarmicus. M.J. Blanchard meende dat hazen uit Savoye van ongeveer 2600 m boven zeeniveau een andere soort vertegenwoordigen en noemde die in 1957 Lepus cyanotus. Tot slot gaf M. Baloutch de naam Lepus capensis astaricus in 1978 aan dieren uit de omgeving van Astara.
Er worden momenteel (2020) 16 ondersoorten van Lepus europaeus onderscheiden: L. e. caspicus (inclusief kalmykorum, Kaspische Zeekust van Rusland) L. e. connori (inclusief astaricus en iranensis, Kaspische Zeekust van Iran) L. e. criticus (Kreta) L. e. cyprius (Cyprus) L. e. cyrensis (inclusief caucasicus en ghigi, Kaukasusgebergte) L. e. europaeus (inclusief albus, aregenteogrisea, cyanotus, flavus, niger en pyrenaicus, Midden- en West-Europa) L. e. hybridus (inclusief aquilonius, biarmicus, borealis, campestris, hyemalis, tesquorum en tumac, Rusland en Siberië) L. e. judeae (Israel en Jordanië) L. e. karpathorum (Karpaten) L. e. medius (Deense eilanden) L. e. occidentalis de Winton, 1898 (Engeland) L. e. parnassius (inclusief niethammeri, Parnassosgebergte) L. e. ponticus (Turkije) L. e. rhodius Festa, 1914 (Rhodos) L. e. syriacus (Libanon en Syrië) L. e. transsylvanicus (inclusief campicola, cinereus, coronatus, maculates, meridiei, meridionalis, nigricans, rufus, en transsylvaticus, Roemenië)
Sporen thumb|Sporen van de haas De pootafdrukken van een haas zijn 30 tot 35 millimeter breed. De afdruk van de voorvoet is ongeveer 40 millimeter lang, die van de achtervoet 60 millimeter. Tussen twee afdrukken zit een afstand van enkele decimeters tot zo'n 3,5 meter. De pootafdrukken zijn, door de sterke beharing van de poten, vrij onduidelijk, maar soms zijn de vier tenen zichtbaar. Aan de afstand en het patroon van de sporen kan worden afgeleid wat de loopsnelheid was, zoals rechts is afgebeeld. De sporen van een foeragerende haas (A) staan dichter bij elkaar dan een normaal loopspoor (B) of een vluchtende haas (C).
De keutels (boonsel) van een haas zijn licht- tot geelbruin of donkergroen tot zwart, en rond en licht afgeplat van vorm, soms met een punt. Een keutel heeft een doorsnede van zo'n 20 millimeter. De keutels van een haas zijn over het algemeen lichter van kleur, groter, meer afgeplat en vezelrijker dan die van een konijn.
Een herkenbaar spoor is het "leger", het nest van een haas. Dit is een simpel ondiep kuiltje in het open veld of onder begroeiing. Tijdens de rui, in de lente en de herfst, bevindt zich haar in het leger. Een ander herkenbaar spoor zijn de vaste paden, wissels, die lopen over het platteland en door openingen in hagen.
Verspreiding en leefgebied thumb|Verspreidingsgebied van de haas
De haas kan overal worden aangetroffen, zowel in open als in bosachtige streken en van drassige gebieden tot in halfwoestijnen. Hij wordt voornamelijk aangetroffen in gematigde open en half-open grasvelden als (cultuur)steppen en weilanden, soms ook in lichte loofbossen. Hij heeft een voorkeur voor grotere grasvlakten. Ook beschutte plaatsen, zoals hoog gras, houtwallen, bosschages, bosranden, heggen met ondergroei en ruige oevers, zijn vereist. Hij komt het liefst in laagland of het voorgebergte voor, maar hij kan in de Schotse Hooglanden worden waargenomen op 500 meter, in de Alpen tot 1500 meter hoogte, in de Pyreneeën nog hoger en in de Kaukasus zelfs tot 2000 meter hoogte. De haas mijdt koude en vochtige bossen en naaldwouden.