Op 9 juli 1937 brak er in de Verenigde Staten een grote brand uit in een filmdepot van 20th Century-Fox in Little Ferry. Brandbare nitraatfilm had eerder al bijgedragen aan diverse branden in laboratoria, studio's en kluizen van de filmindustrie, hoewel de precieze oorzaken vaak onbekend waren. In Little Ferry leidden gassen die vrijkwamen door het verouderen van de film, in combinatie met hoge temperaturen en onvoldoende ventilatie, tot zelfontbranding.
Bij de brand viel één dode en raakten twee mensen gewond. Ook alle films die in de kluizen bewaard werden gingen in vlammen op, waardoor de meeste stomme films die de Fox Film Corporation vóór 1932 had geproduceerd verloren gingen. Daarnaast werden negatieven van diverse andere studio's vernietigd. De brand vestigde de aandacht op het risico dat verouderde nitraatfilm spontaan vlam vat en zorgde ervoor dat er bij het bewaren van films meer aandacht werd besteed aan brandveiligheid.
Achtergrond Nitraatfilm De vroege filmindustrie gebruikte voornamelijk filmmateriaal van nitrocellulose, beter bekend als nitraatfilm. Deze film is brandbaar en produceert zijn eigen zuurstof tijdens het branden. Nitraatbranden ontwikkelen zich razendsnel en kunnen niet worden geblust, omdat ze zelfs onder water kunnen branden. Nitrocellulose is ook onderhevig aan thermolyse en hydrolyse, waardoor het in de loop der tijd degradeert bij hoge temperaturen en vocht. Dit ontbindende filmmateriaal geeft stikstofoxiden af, die het verval versnellen en ervoor zorgen dat de beschadigde film gemakkelijker ontbrandt. Nitraatfilm kan spontaan ontbranden, maar er bestaat aanzienlijke onzekerheid over de omstandigheden die nodig zijn voor zelfontbranding, deels vanwege de grote variatie in kwaliteit van het vroege filmmateriaal. Risicofactoren zijn onder andere aanhoudende temperaturen van ten minste 38 °C, hoge luchtvochtigheid, slechte ventilatie, verouderde of ontbindende film en de opslag van grote hoeveelheden nitraatfilms. De meeste van dergelijke branden in filmarchieven hebben plaatsgevonden tijdens zomerse hittegolven en in gesloten ruimtes met beperkte ventilatie, waardoor verschillende van deze variabelen werden versterkt. Vooral in besloten ruimtes kunnen dergelijke branden tot explosies leiden.
Op 4 mei 1897 ontstond een van de eerste grote branden met nitraatfilm toen een Lumière-projector vlam vatte in de Bazar de la Charité in Parijs. De daaropvolgende brand eiste 126 levens. In de Verenigde Staten vond een reeks branden plaats in industriële faciliteiten. De kluis van de Lubin Manufacturing Company in Philadelphia explodeerde op 13 juni 1914, gevolgd op 9 december door een brand die het laboratoriumcomplex van Thomas Edison in West Orange verwoestte. De New Yorkse studio van de Famous Players Film Company brandde in september 1915 af. In juli 1920 werd de verzendfaciliteit van haar opvolger Famous Players-Lasky door een brand verwoest in Kansas City, ondanks dat de constructie bedoeld was om het brandrisico te minimaliseren. De kluis van United Film Ad Service, eveneens in Kansas City, brandde af op 4 augustus 1928, en negen dagen later werd er brand gemeld bij Pathé Exchange. In oktober 1929 werd de fabriek van Consolidated Film Industries zwaar beschadigd door een nitraatbrand. Er is niet bewezen dat er bij deze branden sprake was van spontane zelfontbranding, en de mogelijkheid van zelfontbranding werd wellicht pas onderkend na een onderzoek uit 1933, waarin werd vastgesteld dat de minimumtemperaturen die nodig waren om dit fenomeen te veroorzaken, waren overschat.
Little Ferry In het begin van de 20e eeuw was het nabijgelegen Fort Lee op de Hudson Palisades de thuisbasis van vele filmstudio's van de vroege Amerikaanse filmindustrie. Toen aannemer William Fehrs uit Little Ferry in 1934 ingehuurd werd om een filmopslagfaciliteit te bouwen, ontwierp hij de structuur brandveilig. Het gebouw had bakstenen buitenmuren van 30 cm dik en een dak van gewapend beton. Binnenin was het verdeeld in 48 afzonderlijke kluizen, elk afgesloten door een stalen deur en gescheiden door bakstenen binnenmuren van 20 cm dik. De plaatselijke brandweer bevestigde dat Fehrs’ ontwerp brandveilig was. Het gebouw had echter geen sprinklerinstallatie noch mechanische ventilatie en er was geen bewaker in dienst om de faciliteit te bewaken. Ondanks het potentiële brandgevaar van opgeslagen film, bevond het gebouw zich in een woonwijk.
Het filmverwerkingsbedrijf DeLuxe Laboratories was eigenaar van het gebouw en verhuurde het aan 20th Century-Fox om de stomme films op te slaan die waren overgenomen van Fox Film Corporation na de fusie met Twentieth Century Pictures.
De brand In juli 1937 werd het noorden van New Jersey getroffen door een hittegolf, met dagtemperaturen van 38 °C en warme nachten. De aanhoudende hitte droeg bij aan de ontbinding van nitraat in de filmkluizen, en de ventilatie van het gebouw was onvoldoende om een gevaarlijke ophoping van gassen te voorkomen. Kort na twee uur 's nachts op 9 juli ontstond er spontane ontbranding in de kluis in de noordwestelijke hoek van het gebouw. Vrachtwagenchauffeur Robert Davison zag vlammen uit een van de ventilatieopeningen van het gebouw komen en meldde de brand binnen vijf minuten via een gemeentelijke brandmeldkast.
thumb|links|Schade aan de naburige woningen Davison probeerde vervolgens de bewoners van de omliggende huizen wakker te maken, van wie velen al door het lawaai en de intense hitte op de hoogte waren van de situatie. Toen de inhoud van aangrenzende kluizen vuur vatte, schoten vlammen 30 meter horizontaal over de grond vanuit de ramen en op een vergelijkbare afstand de lucht in vanuit de ventilatieopeningen op het dak van het gebouw. Toen het vuur zich verspreidde naar de kluizen in het zuiden en oosten van het gebouw, explodeerden de kluizen, waardoor het metselwerk beschadigd raakte en raamkozijnen werden vernield. Anna Greeves en haar zonen John en Charles werden overvallen door een "vlammenzee" toen ze probeerden te vluchten. Alle drie raakten ernstig verbrand en de 13-jarige Charles overleed op 19 juli aan zijn verwondingen. Andere gezinnen wisten ongedeerd te ontsnappen, maar het vuur verspreidde zich naar vijf naburige woningen en vernietigde twee voertuigen.
De brandweer van Little Ferry arriveerde als eerste om 2u26 's ochtends, gevolgd door brandweerploegen uit Hawthorne, Ridgefield Park, River Edge en South Hackensack. In totaal kregen 150 brandweerlieden met 14 brandslangen de brand om 5:30 uur 's ochtends geblust. Alle film in de faciliteit werd vernietigd, waarbij meer dan 40.000 rollen negatieven en afdrukken tot as verbrandden in hun filmblikken. Het gebouw raakte ook zwaar beschadigd. Ontploffende kluizen hadden delen van zowel de buitenmuren als de binnenwanden vernield en het betonnen dak van het gebouw vervormd. De totale materiële schade werd geschat op 150.000 tot 200.000 dollar. In totaal werden 57 vrachtwagens verbrande film van de locatie afgevoerd om het resterende zilvergehalte te recupereren. Elk filmblik bevatte ongeveer vijf cent aan zilver, het teruggewonnen metaal leverde 2000 dollar op.
Nalatenschap Hoewel functionarissen van 20th Century-Fox destijds opmerkten dat "alleen oude films" waren vernietigd, wordt de brand ondertussen beschouwd als een aanzienlijk verlies van Amerikaans filmerfgoed. Filmhistoricus Anthony Slide noemde de vernietiging van de Fox-kluis "de meest tragische" Amerikaanse nitraatbrand. De beste exemplaren van elke Fox-film die vóór 1932 was geproduceerd, werden vernietigd. Alle bestaande kopieën van veel films waren in de faciliteit opgeslagen. Onder de films die door de brand verloren gingen, bevonden zich die met sterren als Theda Bara, Shirley Mason, William Farnum en Gladys Brockwell. De meeste van de 85 Tom Mix-films voor Fox werden uitsluitend in Little Ferry gearchiveerd. Regisseur J. Gordon Edwards had alle meest succesvolle epische films voor Fox geregisseerd, en alle masters van zijn films gingen verloren. Het complete filmwerk van sommige acteurs, zoals Valeska Suratt, werd vernietigd. Volgens Dave Kehr, filmconservator van het Museum of Modern Art, "zijn er hele carrières die niet bestaan vanwege [de brand]". Omdat sommige kopieën elders werden gevonden, zijn bepaalde stomme films van Fox bewaard gebleven als kopieën van lagere kwaliteit of fragmenten, maar meer dan 75% van Fox' speelfilms van vóór 1930 is volledig verloren gegaan.
In de Little Ferry-kluizen werden ook films bewaard van andere filmstudio's die een distributiecontract met Fox hadden. Educational Pictures verloor meer dan 2000 negatieven en kopieën van stomme films, hoewel de geluidsfilms van het bedrijf niet in de kluizen werden opgeslagen. Ook vernietigd werden het originele negatief van D.W. Griffiths Way Down East (dat Fox had gekocht om opnieuw te maken), het negatief van de controversiële film The Birth of a Baby, gesponsord door Christie Productions, en films geproduceerd door Sol Lesser onder zijn labels Atherton Productions, Peck's Bad Boy Corporation en Principal Pictures. Archiefmateriaal bestemd voor de filmbibliotheek van het Museum of Modern Art ging eveneens verloren. (2004), p. 339.
thumb|Kaart van het rampgebied, inclusief de aangrenzende woningen (aangeduid met "Dwg") De vernietiging van de Little Ferry-faciliteit wekte de interesse in brandpreventie als aspect van filmconservering. Onderzoekers ontdekten dat de spontane ontbranding van ontbindend filmmateriaal de oorzaak van de brand was, een oorzaak die niet was vastgesteld bij eerdere grote nitraatfilmbranden. Ze suggereerden dat de oudere nitrocellulosefilm in het archief van lagere kwaliteit was dan de latere film en daarom instabieler was. Drie maanden na de brand in de kluis noemde het Comité voor Filmconservering van de Society of Motion Picture Engineers "recente en tamelijk omvangrijke filmbranden" als bewijs dat de bestaande conserveringsinspanningen er niet in waren geslaagd het brandrisico adequaat aan te pakken. Er werd voorgesteld om filmkluizen zwaarder te versterken om te voorkomen dat branden in één kluis hele archieffaciliteiten zouden verwoesten. Ook werden filmkasten met ventilatie- en koelsystemen voorgesteld, evenals verder onderzoek naar het verbeteren van de kwaliteit van celluloseacetaatfilm om het gebruik ervan als een veiliger alternatief voor nitraatfilm te stimuleren. Tegen de jaren vijftig was het gebruik van nitraatfilm in de Verenigde Staten vrijwel volledig verdwenen.
Zie ook Brand in de MGM-kluis van 1965 Brand in de NARA-kluis van 1978 Brand in Universal Studios Hollywood
Externe links
Categorie:20th Century Studios Categorie:Brand
Categorie:1937