thumb|Vidkun Quisling, de premier tijdens de Duitse bezetting van Noorwegen. Het Noorse hoogverraadproces (Noors: Landssvikoppgjøret, letterlijk 'nationaal verraadproces'), ofwel de juridische zuivering in Noorwegen na de Tweede Wereldoorlog, vond plaats tussen mei 1945 en augustus 1948. De zuivering richtte zich op Noren en buitenlandse burgers die hadden samengewerkt met de Duitse bezetting van Noorwegen. Enkele duizenden persoen werden vervolgd voor verraad, oorlogsmisdaden en andere collaboratieve activiteiten. De omvang, juridische basis en rechtvaardigheid van deze processen is sindsdien onderwerp van debat. In totaal werden 40 mensen geëxecuteerd, waaronder Vidkun Quisling, de zelfbenoemde en door de nazi's gesteunde minister-president van Noorwegen tijdens de bezetting. Van deze executies vonden 37 plaats onder Noorse wet en drie onder geallieerde militaire wet.
De Duitse invasie in 1940 veroorzaakte complexe constitutionele vraagstukken over de legitieme Noorse regering en de geldigheid van de grondwet tijdens de bezetting. Hoewel de Duitse bezettingsmacht en het Quisling-regime beweerden dat de Noorse regering haar gezag had opgegeven, stelde de regering in ballingschap dat zij enkel militair had gecapituleerd. Het Storting (Noors parlement) had de uitvoerende macht via de Elverum-machtiging tijdelijk bijzondere bevoegdheden gegeven. Deze positie werd na de oorlog bevestigd door zowel het parlement als het Noorse Hooggerechtshof. Dit legde de basis voor grootschalige vervolgingen van burgers die het bezettingsregime hadden ondersteund, evenals van Duitse burgers voor oorlogsmisdaden.
Al in 1941-1942 vaardigde de regering in ballingschap decreten uit die verraad strafbaar stelden. Deze wetten herstelden de doodstraf, introduceerden gevangenisstraffen met dwangarbeid, verhoogden de maximale boetes en voerden het controversiële "verlies van openbaar vertrouwen" in, waardoor veroordeelden burgerrechten verloren. Lidmaatschap van Nasjonal Samling, de Noorse fascistische partij die samenwerkte met de nazi's, werd expliciet als misdrijf gedefinieerd.
Tijdens de bezetting werd Nasjonal Samling uitgeroepen tot de enige legale politieke partij, maar de partij genoot nooit brede steun en werd door de regering in ballingschap in Londen als illegitiem beschouwd. Het verlenen van militaire, economische of commerciële steun aan de Duitse bezetter werd als misdrijf gezien.
Na de bevrijding op 8 mei 1945 werden tienduizenden verdachten gearresteerd; tussen 5.000 en 6.000 bleven een jaar later nog in hechtenis. Sven Arntzen, voormalig verzetsleider, werd waarnemend hoofdaanklager en speelde een centrale rol in de organisatie van de processen. Van de 200 zaken waarin aanklagers de doodstraf eisten, werden er 30 uitgesproken, waarvan 25 daadwerkelijk werden uitgevoerd, meestal door vuurpeloton en één keer door ophanging. De toepassing van de doodstraf was vanaf het begin controversieel, deels omdat deze door de regering werd ingesteld voordat het parlement na de oorlog was heropend.
Categorie:Tweede Wereldoorlog in Noorwegen