Francesca Margherita de L'Epine (circa 1680 - Londen, 8 augustus 1746), ook bekend als Françoise Marguérite de L'Epine, was een Italiaanse sopraan. Zij woonde sinds 1702 in Engeland waar ze een succesvolle operacarrière opbouwde.
Levensloop Waarschijnlijk was L'Epine afkomstig uit Toscane, mogelijk uit een familie van Franse hugenoten. In de jaren 1698-1700 was ze als zangeres actief in het Teatro San Giovanni Grisostomo en het Teatro Sant' Angelo in Venetië; tevens werkte ze aan het hof te Mantua.
Vertrek naar Engeland Het is niet duidelijk wanneer L'Epine precies naar Engeland vertrok. Mogelijk kwam ze in november 1702 aan in Londen, samen met andere musici uit Rome en Venetië. Het eerste schriftelijke bewijs van haar aanwezigheid in Londen dateert van mei 1703, toen ze een salaris ontving van 20 guineas voor haar optreden in een toneelstuk. Het is echter aannemelijk dat ze al vóór mei enige tijd in Londen was, samen met de Duitse componist Jakob Greber; mogelijk was zij zijn maitresse. Dichter Nicolas Rowe noemde haar in een satire 'base Greber’s Peg'.
L'Epine trad in Engeland op als zangeres in diverse producties. Ze was onder andere te horen in compositie van Greber, zoals tijdens haar optredens in het Lincoln's Inn Fields Theatre en in augustus 1703 in Tunbridge Wells.
L'Epine had succes en genoot al snel steun en bescherming van diverse edelen, waaronder Daniel Finch, graaf van Nottingham. L'Epine en Greber verbleven in september 1703 twee weken in het buitenhuis van de graaf in Burley om zijn familie en gasten muzikaal te vermaken. Het verhaal ging dat ze een romantische relatie zou hebben met de graaf.
Fans In januari 1704 kreeg L'Epine een contract bij het theater van Drury Lane. Zij was daar te horen in liederen en cantates in zowel het Engels als het Italiaans, van componisten als Giovanni Bononcini, Alessandro Scarlatti en Henry Purcell.
Ze beschikte inmiddels over een harde kern van fans die vooral afkomstig waren uit het kamp van de Tories, terwijl haar concurrente Catherine Tofts door de Whigs werd gesteund. Dit leidde soms tot problemen, zoals tijdens een uitvoering op 5 februari 1704: een fan van Tofts gooide sinaasappels naar de zingende L'Epine. miniatuur|Vermelding van de doop van Marie Anne Greber, dochter van Margherita de L'Epine. Dochter Op 30 oktober 1704 werd Marie Anne, de dochter van L'Epine en Greber, geboren. Zij werd gedoopt in de Franse katholieke kapel te Amsterdam. Kennelijk waren L'Epine en Greber getrouwd, want ze werden in de doopakte beschouwd als echtgenoten. Overigens bleek de relatie weer ten einde toen L'Epine datzelfde jaar terugkeerde naar Londen: zij ging haar eigen weg en heeft nooit meer een compositie van Greber gezongen.
Operacarrière Naast haar werk in Drury Lane trad L'Epine ook elders op, zoals in het Chelsea College. In 1706 was zij zelfs te horen aan het koninklijk hof.
Haar eerste opera-optreden vond in 1706 plaats in de Engelstalige versie van Bononcini's Camilla. Dit was het begin van een succesvolle operacarrière, waarbij ze optrad in opera's van Alessandro Scarlatti, Francesco Gasparini, Georg Friedrich Händel en Johann Ernst Galliard. miniatuur|John Christopher Pepusch L'Epine werkte bij Drury Lane tot januari 1708, waarna ze tot december 1714 aan de slag ging bij het Queen's Theatre. Ze was te zien in verschillende opera's van Händel, die zelfs een aantal rollen speciaal voor haar had geschreven: Eurilla in Il pastor Fido (1712), Agilea in Reseao (1713) en waarschijnlijk ook Galatea in het oratorium Acis and Galatea (1718).
Pepusch Mogelijk al in 1714 ontstonden er contacten tussen L'Epine en de componist Johann Christoph Pepusch. Zij volgde hem dat jaar naar Lincoln's Inn Fields en vervolgens naar Drury Lane, waar zij rollen zong in verschillende van zijn composities, zoals Venus and Adonis (1715), Apollo and Daphne (1716) en The Death of Dido (1716). Pepusch schreef ook diverse Italiaanse cantates die waarschijnlijk speciaal voor L'Epine waren bedoeld.
L'Epine en Pepusch trouwden met elkaar, waarschijnlijk in 1718. Ze kregen een zoon John, die op 9 januari 1724 werd gedoopt.
Einde carrière In 1719 zette L'Epine een punt achter haar zangcarrière, waarna ze zich bezig ging houden met lesgeven. Toch was zij af en toe ook nog te horen. Zo verving ze in 1720 de zangeres Turner Robinson in enkele opera's tijdens het eerste seizoen van de Royal Academy van Händel. In 1733 zong zij te Drury Lane tijdens een benefietconcert voor de componist Seedo, de echtgenoot van haar zuster Maria Manina.
L'Epines zoon John overleed op 11 juli 1739. Zelf stierf zij op 8 augustus 1746. Ze werd vier dagen later begraven.
Beschrijving L'Epine wordt gezien als de eerste Italiaanse zangeres die een vaste reputatie wist op te bouwen in Londen. Haar populariteit was groot en ze verdiende hiermee een goed salaris. Haar zangkwaliteiten werden geroemd en ze was in staat om complexe muziekstukken te zingen. L'Epine was overigens ook dikwijls in mannelijke rollen te horen. Ze was tevens een goede klaveciniste en speelde met groot succes composities uit het Fitzwilliam Virginal Book.
Over haar uiterlijk werd weinig positief gesproken: ze zou niet erg aantrekkelijk zijn. Haar echtgenoot Pepusch noemde haar daarom schertsend Hekate.
Categorie:Italiaans zanger