Margareta van Ieper (Ieper, 1216 – Ieper, 1237) was een dertiende-eeuwse vrome vrouw uit Ieper. Hoewel zij nooit officieel zalig- of heiligverklaard werd door de Kerk, werd ze in haar geboortestad vereerd. Haar feestdag is op 20 juli, dezelfde dag als de heilige Margaretha van Antiochië. Ze kreeg vooral vanaf het begin van de zeventiende eeuw ruimere bekendheid via gedrukte werken. Deze hernieuwde aandacht werd mee gestimuleerd door de dominicanenorde, ook al maakte Margareta daar zelf geen deel van uit.
Levensloop Margareta werd geboren in Ieper, vermoedelijk in een gegoede familie. Na het overlijden van haar vader werd zij samen met haar moeder en twee zussen opgevangen door haar oom, een priester. Vanaf jonge leeftijd kreeg zij onderwijs in een vrouwenklooster. Zij leerde lezen en schrijven in het Nederlands en kon ook Latijn lezen. Volgens haar vita leidde Margareta al op zeer jonge leeftijd een uitgesproken religieus leven. Zo zou zij op vijfjarige leeftijd haar eerste communie hebben ontvangen, op zevenjarige leeftijd boete hebben gedaan en vanaf haar negende wekelijks twee dagen hebben gevast op water en brood.
Op achttienjarige leeftijd werd Margareta verliefd op een jongeman. Onder invloed van de dominicaan Zeger van Rijsel, die toen in Ieper predikte en als haar geestelijk leidsman en biechtvader wordt beschouwd, besloot zij af te zien van een wereldlijk leven. Zij bleef wonen bij haar moeder en zussen, maar nam een steeds strengere ascetische levenswijze aan, gekenmerkt door vrijwel onafgebroken gebed en toenemende afzondering. Tijdens de laatste drie jaren van haar leven leed zij aan ernstige gezondheidsklachten, die door een latere auteur zijn geïnterpreteerd als dysenterie. Tot aan haar overlijden werd zij verzorgd door haar moeder en zussen.
Na haar dood Het levensverhaal van Margareta werd voor het eerst opgetekend door de dominicaan Thomas van Cantimpré. Toen hij in 1240 in Ieper verbleef, vernam hij haar levensgeschiedenis via Zeger van Rijsel, die Margareta persoonlijk had gekend. Op basis van dit relaas stelde Thomas een vita samen, die hij in de daaropvolgende jaren verder uitwerkte. Het oorspronkelijke handschrift van Thomas van Cantimpré is vermoedelijk niet bewaard gebleven. De tekst is wel overgeleverd in drie latere handschriften, die zich vandaag bevinden in de Koninklijke Bibliotheek van België (KBR).
Pas in het begin van de zeventiende eeuw werd Margareta’s vita in gedrukte vorm verspreid. In 1618 wijdde de dominicaan François-Hyacinthe Choquet een hoofdstuk aan haar in zijn werk over de ‘heiligen’ van de dominicanenorde in de Nederlanden. In datzelfde boek behandelde hij ook Zeger van Rijsel in een afzonderlijk hoofdstuk. Choquet betitelde zowel Margareta als Zeger als ‘zalig’, hoewel geen van beiden officieel door de Kerk werd erkend. In een gravure in het boek wordt Margareta afgebeeld als dominicanes, hoewel zij nooit tot de dominicanenorde is toegetreden. miniatuur|Titelpagina van de vita van Margareta, in 1622 uitgegeven door de Ieperse kanunnik Louis de Huvettere (Openbare Bibliotheek Brugge, GGB 357) Enkele jaren later publiceerde de Ieperse kanunnik Louis de Huvettere een Nederlandstalige en aanzienlijk uitgebreidere versie van Margareta’s levensverhaal. Deze editie werd gedrukt in Ieper door François Bellet. Een van de weinige bewaard gebleven exemplaren bevond zich in de persoonlijke bibliotheek van Guido Gezelle en wordt vandaag bewaard in de Openbare Bibliotheek Brugge. Huvettere gaat nog verder dan Choquet en schrijft over de 'heilige' Margareta van Ieper.
In 1644 werd Margareta ook opgenomen in De heylighen ende salighe in Nederlandt van het Oorden der Predik-heeren van Leonardus Janssen-Boy, de Nederlandstalige bewerking van het werk van Choquet. Deze tekst verschilde van de uitgave van Huvettere en was aanzienlijk korter.
Dankzij deze publicaties kende de verering van Margareta in het begin van de zeventiende eeuw vermoedelijk een heropleving. Die concentreerde zich aanvankelijk in de dominicanenkerk in Ieper en later in de Sint-Jacobskerk. In die kerk wordt zij afgebeeld op een glas-in-loodraam en op een schilderij, telkens met een mandje eieren in de hand. Ook op een neogotisch devotieprentje verschijnt zij met dit attribuut. Deze voorstelling verwijst naar een mirakelverhaal waarin Margareta per vergissing een schaal eieren zou hebben uitgegoten, in de veronderstelling dat de eieren al waren gebruikt. Na een kort gebed zouden de eieren echter ongebroken zijn teruggevonden.
Bibliografie Karel Berquin, ‘De Zalige Margareta van Ieper 1216-1237’, in: Iepers Kwartier 16 (1980), p. 1-26. François-Hyacinthe Choquet, Sancti Belgi Ordinis praedicatorum (Douai: B. Bellerus, 1618). Peter Dinzelbacher, ‘Margarete v. Ypern’, in: Lexikon des Mittelalters, Bd. 6 (München/Zürich: Artemis & Winkler, 1993), p. 242. Louis de Huvettere, Het leven van de heylighe Margareta van Ypre ende vanden H. Zegherus haeren biecht-vader (Ieper: François Bellet, 1622). Leonardus Janssen-Boy, De heylighen ende salighe in Nederlandt van het oorden der predickheeren (Antwerpen: Guilliam Lesteens, 1644). Thomas van Cantimpré, The Collected Saints’ Lives: Abbot John of Cantimpré, Christina the Astonishing, Margaret of Ypres, and Lutgard of Aywières (Turnhout: Brepols, 2008).
Categorie:Geschiedenis van Ieper Categorie:Persoon in de Nederlanden in de 13e eeuw