Maria-Henrica (Mit) Vanden Broucke (Gent, 17 maart 1903 – aldaar, 12 mei 1985) was een Vlaamse schrijfster van verhalen, romans, feuilletons en luisterspelen. Ze werkte mee aan diverse kranten, literaire tijdschriften en (dames)weekbladen.

Biografie Maria-Henrica Vanden Broucke werd geboren als oudste van acht kinderen in het gezin van architect Hendrik Vanden Broucke (1876-1928), die in 1905 vanuit Gent naar Lokeren verhuisde omdat hij benoemd was tot bestuurder van de Stedelijk Beroeps- en Nijverheidsschool. Hij liet in Lokeren een gevarieerd bouwkundig oeuvre achter, onder andere de vroegere middenschool van het Gemeenschapsonderwijs in de Groendreef (nu Focus), het herdenkingsmonument voor de gesneuvelden van de Eerste Wereldoorlog op het Vrijheidsplein en de stadspomp aan de Durme. Vanden Broucke volgde lager en middelbaar onderwijs in het Lokerse Onze-Lieve-Vrouw Presentatie-instituut, een school waarmee ze steeds sterk verbonden bleef. Daarna ging ze aan de slag als bediende.

Wanneer ze begin 1934 moeder werd van een zoon, verhuisde ze naar De Pinte. In september van datzelfde jaar trouwde ze met Karel Albert Van Damme (1910-1943), waarmee ze nog drie kinderen kreeg. Ze verdween uit het collectieve literaire geheugen, al bleef ze tot op hoge leeftijd de evoluties in de literatuur volgen. Maria-Henrica Vanden Broucke overleed op 12 mei 1985 in haar geboortestad Gent en werd bij haar echtgenoot in De Pinte begraven.

Literaire activiteiten Het gezin Vanden Broucke was katholiek en Vlaamsgezind. Literatuur en muziek speelden een grote rol en meerdere kinderen hadden de schrijfmicrobe te pakken; zo werd haar broer Marc (1904-1999) journalist bij de Gazet van Antwerpen en publiceerde onder het pseudoniem Franz Van Boogaerdt novellen in 'De Tijdstroom. Maandschrift voor Kunst en Letteren' en schreef haar zus Anna als Anna Corrado de dichtbundel 'Als een stille vriend'.

Vanden Broucke publiceerde haar eerste literaire pennenvruchten in 'De vrije stem', het strijdorgaan van de Lokerse katholieke en Vlaamsgezinde studentenbond 'Al Groeiende Bloeiende', die onder de bezielende leiding van Prosper Thuysbaert (1889-1965) veel succes kende. Wanneer (de toen nog katholieke) Gerard Walschap in 1926 samen met pater Paul Valvekens het culturele weekblad 'Hooger leven' opricht, is Mit Vanden Broucke daar vanaf het begin nadrukkelijk bij betrokken. Haar korte roman 'Geloof het leven goed' verschijnt in 1927 als feuilleton in de eerste negen nummers van het weekblad.

Wanneer haar roman 'Tredmolen' datzelfde jaar de 'Hooger Leven Romanprijskamp' wint (er waren echter maar twee inzendingen, waarvan één niet aan de vormvereisten van een roman voldeed), wordt ze een regelmatige medewerkster. Ze vertaalt 'Sebastian und Leidlieb' van Joseph Georg Oberkofler (1889-1962), dat in 53 afleveringen verschijnt, en ze wordt verantwoordelijk voor de rubriek 'Voor de vrouw'. Zo schrijft ze in 1931 een zesdelige artikelenreeks met als thema 'Hebben de vrouwen werkelijk iets gedaan voor de vrede?' Na onenigheid met Walschap stopte ze haar bijdragen in 1932. Ondertussen werkte ze mee aan 'Gudrun', het Vlaams-nationalistische tijdschrift voor 'Roomsch Katholieke Vrouwen en Meisjes'.

Vanden Broucke trouwt en wijdt zich aan de zorg voor haar gezin, maar herneemt haar literaire activiteiten na de vroegtijdige dood van haar echtgenoot met de roman 'Teresa', die in 1944 verschijnt. In de naoorlogse periode overleeft ze door het schrijven van stationsromannetjes en artikels voor diverse tijdschriften en de krant Het Volk en schrijft ze een aantal hoorspelen voor 'Het uur voor de vrouw' van het NIR. In 1962 verschijnt de novelle 'De Spelbreekster' in Dietsche Warande en Belfort, de laatst gekende bijdrage van haar hand.

Maria-Henrica Vanden Broucke genoot kortstondig enige bekendheid bij cultureel Vlaanderen, maar kon niet aan de hoge verwachtingen voldoen die haar debuut in 1927 had opgewekt.

Categorie:Belgisch schrijver