De Oekraïense revolutie van 1989 tot 1991 (Oekraïens: Революція в Україні 1989–1991 рр. Revoljoetsija v Oekrajini 1989–1991 rr.), ook wel bekend als het Herstel van Oekraïnes onafhankelijkheid (Oekraïens: Відновлення незалежності України, Vidnovlennja nezalezjnosti Oekrajiny), was een vreedzame revolutie in de Oekraïense SSR van 1989 tot 1991 die leidde tot de onafhankelijkheid van Oekraïne. De gebeurtenissen waren een centraal onderdeel van het uiteenvallen van de Sovjet-Unie: Oekraïne was een van de drie ondertekenaars van het Akkoord van Białowieża, waarmee de Sovjet-Unie op 8 december 1991 formeel werd opgeheven.

De revolutie begon enerzijds in de zomer van 1989 met de mijnwerkersstakingen in het Donetsbekken (die partijsecretaris Volodymyr Sjtsjerbytsky tot aftreden dwongen) en anderzijds door de stapsgewijze partijpolitieke oppositievorming van februari tot september 1991 door Roech (Volksbeweging van Oekraïne) (en later andere partijen). Bij de eerste relatief vrije Oekraïense parlementsverkiezingen van maart 1990 won de nationaal-democratische oppositie zo'n 25% van de zetels en namen hervormingsgezinde communisten en partijlozen nog zo'n 19%, maar behielden de conservatieve communisten een krappe meerderheid van 239 zetels (53%) in de Opperste Sovjet van Oekraïne (Verchovna Rada). Hierdoor werd een doorbraak voor onafhankelijkheidsgezinden voorkomen, hoewel de Revolutie op Graniet (oktober 1990) de publieke opinie wel verder in die richting deed opschuiven.

Aanvankelijk leek de Verklaring van Staatssoevereiniteit van Oekraïne van 16 juni 1990 en het Nieuwe Unieverdrag (op 17 maart 1991 door 71,48% van Oekraïnse kiezers goedgekeurd) voldoende om Oekraïne binnen een grondig hervormde Sovjet-Unie te behouden. De Augustusstaatsgreep in Moskou (19–21 augustus 1991) saboteerde echter de inwerkingtreding van het Nieuwe Unieverdrag en zorgde voor grote ophef in de resterende Sovjetrepublieken. Op 24 augustus 1991 leidde deze situatie tot de Onafhankelijkheidsverklaring van Oekraïne, die tot slot werd bevestigd met het Onafhankelijkheidsreferendum op 1 december 1991 en de diplomatieke erkenning door de Sovjet-Unie, de andere (voormalige) Sovjetrepublieken en andere landen in de wereld in de daaropvolgende dagen tot jaren.

Verloop De oorzaken van de revolutie zijn te vinden in een combinatie van economische en politieke factoren, die voornamelijk verband houden met de economische neergang en wanbeleid, russificatie en autoritarisme tijdens het Tijdperk van Stagnatie onder Leonid Brezjnev en het 17-jarige bewind van Volodymyr Sjtsjerbytsky.

Vorming van Roech (1989)

De oprichting van de "Volksbeweging van Oekraïne voor Perestrojka" (simpelweg bekend als "de Beweging" oftewel Roech; Oekraïens: Рух) werd voor het eerst voorgesteld in februari 1989 in het tijdschrift Literatoerna Oekrajina, in de zomer van 1989 verder vormgegeven en uiteindelijk op het oprichtingscongres van 8–10 september 1989 geformaliseerd. Hier speelden dissidenten Vjatsjeslav Tsjornovil, Ivan Dratsj, Ivan Dzjoeba en anderen een belangrijke rol in. Leonid Kravtsjoek (destijds het enige lid van het Centraal Comité van de KPU dat Oekraïens kon spreken) keurde de oprichting van Roech goed en gaf daarmee de nationaal-democratische beweging de ruimte om zich te ontwikkelen. Roech werd geïnspireerd door soortgelijke nationale organisaties in andere republieken, met name Sąjūdis in Litouwen. Een eerdere poging in 1988 was de kop ingedrukt en de naam van deze poging was bewust gekozen om duidelijk te maken dat Roech niet tegen de CPSU was, maar juist achter het perestrojka-beleid van de Partij stond.

Mijnstakingen (1989–1990) thumb|Demonstratie van stakende mijnwerkers bij het Ministerie van de Kolenindustrie in Donetsk, 1990 De mijnbouw in het Donetsbekken (Donbas) was al jaren in verval. De apparatuur was niet gemoderniseerd vanwege economische stagnatie, terwijl de steenkoolwinning plaatsvond op meer dan 300 meter onder de grond. De winning van deze steenkool was veel duurder dan die in de Koezbass en de kwaliteit ervan ook slechter. De noodzaak van investeringen in de vervallende Donbas-mijnen nam toe, terwijl het rendement op steenkoolwinning er steeds lager werd. Dientengevolge lag de mijnbouw in Donbas al jaren aan het subsidie-infuus, terwijl de Sovjet-overheid steeds minder bereid was om geld in een bodemloze put te gooien.

De mijnwerkers in Donbas zagen zichzelf echter als vertegenwoordigers van een industrie die ooit centraal was voor de economie van de Sovjet-Unie. In lokale media, waaronder de kranten Sotsialisticheskii Donbass (op 24 augustus 1991 hernoemd tot Donbass, uit de oblast Donetsk) en Vorosjylovgradskaia pravda (in mei 1990 hernoemd tot Loeganskaia pravda, uit de oblast Loehansk), kwamen mijnwerkers en apparatsjiks van de lokale afdelingen van de Communistische Partij van Oekraïne regelmatig aan het woord, waarin zij de gehele Donbas-regio identificeerden met de mijnbouw en andersom. Zonder de mijnbouw zou het Donetsbekken geen toekomst hebben en dus zou de sluiting van de mijnen rampzalig zijn. Er leefde bovendien vooral in de oblast Donetsk (niet zozeer in de oblast Loehansk) een mythe dat de Donbas een uniek en nog steeds niet uitgeput economisch potentieel had, zolang de Sovjet-overheid maar bereid was erin te investeren.

Op 7 juli 1989 verspreidde zich via de Sotsialisticheskii Donbass dat het Ministerie van de Kolenindustrie van de Sovjet-Unie had besloten dat niet-rendabele mijnen in de Donbas zouden moeten sluiten en zouden worden vervangen door steenkoolmijnen in de Koezbass. De krant leverde kritiek op het Ministerie, dat deze zogenaamde besluiten zonder overleg met de vakbonden van mijnwerkers in Donbas zou hebben genomen en zich niet zou bekommen om het lot van het Donetsbekken. Dit ging gepaard met een algemene kritiek op de inefficiënte Sovjet-bureaucratie, zoals die al enige jaren werd aangemoedigd door glasnost en perestrojka om tot noodzakelijke economische hervormingen te komen. Op 10 of 11 juli 1989 braken er vervolgens stakingen onder steenkoolmijnwerkers uit in de regio Koezbass (Oblast Kemerovo, West-Siberië) in de Russische SFSR. Terwijl de overheid zich bereid verklaarde om de eisen van de Koezbass-mijnwerkers te vervullen, meenden mijnwerkers in andere regio's van de USSR, waaronder Donbas, dat er niet naar hun eisen geluisterd werd en dat de Koezbass werd voorgetrokken. Daarop braken er op 18 juli ook in de Donbas in Oekraïne mijnstakingen, vooral aangewakkerd door de geruchten dat het Kolenministerie in Moskou de Donbas discrimineerde en de mijnwerkers in de Koezbass matste.

thumb|Vjatsjeslav Tsjornovil in gesprek met stakende mijnwerkers in Makijivka, 1990 De stakingscomités van de mijnwerkers in Donbas waren erg succesvol: ze slaagden erin om de gehele besturen van de meeste mijnwerkerscorporaties en productieschappen in het Donetsbekken tot aftreden te dwingen vanwege vermeend wanbestuur. In het stadje Pervomajsk in Loehansk slaagde een stakingscomité er eind augustus 1989 zelfs in om het hele stadsbestuur te ontslaan. Eind 1989 en begin 1990 had de mijnstakersbeweging een behoorlijk momentum gekregen met de vorming van een Vakbond voor Arbeiders van de Donbas en een steeds luidere eis om allerlei lokale Partijbestuurders te ontslaan als ze niets bleven doen om de mijnbouw te redden. In die periode gingen stakingsleiders ook in overleg met Vjatsjeslav Tsjornovil en andere leiders van Roech (Volksbeweging van Oekraïne), een oppositiepartij die inmiddels flink aan invloed had gewonnen in West-Oekraïne en de hoofdstad Kyiv.

Protesten tegen Sjtsjerbytsky De leiders van de stakingen in het Donetsbekken spraken openlijk hun steun uit voor de onafhankelijkheid van Oekraïne van de Sovjet-Unie, zodat het land zijn eigen economie beter zou kunnen beheren. De reactie van de regering van Sjtsjerbytsky bestond erin de staatsmedia in te zetten om de stakers in diskrediet te brengen en de berichtgeving over de uitbreiding van de stakingen aan banden te leggen. De eisen van de stakingen kregen een steeds duidelijker politiek karakter, waarbij werd opgeroepen tot het aftreden van Partijsecretaris Sjtsjerbytsky en Parlementsvoorzitter Valentyna Sjevtsjenko.

Het hele jaar door vonden er nog meer protesten tegen Sjtsjerbytsky plaats, waaronder protesten tegen de manier waarop zijn regering omging met de kernramp van Tsjernobyl. Er werden nauwelijks effectieve maatregelen genomen om de bevolking van nuttige informatie te voorzien, de risico's van radioactieve straling te beperken, de volksgezondheid, het milieu en de natuur te beschermen en om toekomstige rampen te voorkomen. De ramp in Tsjernobyl werd een strijdkreet voor demonstranten, die ernaar verwezen om de urgentie van de situatie te onderstrepen.

In augustus 1989 was de positie van Sjtsjerbytsky binnen de Communistische Partij wankel. Enerzijds was er de enorme druk van de stakingen, terwijl hij anderzijds, als een van de laatste drie overgebleven Brezjnev-aanhangers die nog een ambt bekleedden in de Sovjet-Unie, het Centraal Comité van de CPSU tegelijkertijd aandrong op zijn aftreden. In september 1989 werd hij uit het Centraal Comité gezet en enkele dagen later werd hij als Eerste secretaris van de KPU vervangen door Volodymyr Ivasjko. Ook Sjevtsjenko heeft later ontslag genomen.

Het ontslag van Sjtsjerbytsky kon de golf van activisme echter niet indammen. Op 28 oktober 1989 werd de Taalwet aangenomen die het Oekraïens de staatstaal maakte en de andere talen als minderheidstalen beschermde. Hiermee werd een einde gemaakt aan de russificatie en een begin aan de oekraïnisering.

Verkiezingen maart 1990, Soevereiniteitsverklaring en Revolutie op Graniet (1990)

Het jaar daarop nam het aantal protesten toe. Op 21 januari 1990, de verjaardag van de Verenigingsakte van 1919 tussen de Oekraïense Volksrepubliek en de West-Oekraïense Volksrepubliek, verbond een menselijke keten van drie miljoen mensen de West-Oekraïense stad Lviv met Kyiv, de hoofdstad van Oekraïne. Dit protest was geïnspireerd door de Baltische Weg van 23 augustus 1989. De menselijke keten, die ook honderdduizenden demonstranten naar het plein van de Sint-Sofiakathedraal in Kyiv trok, plus kleinere kettingen in Charkiv en Donetsk in Oost-Oekraïne, toonde de populariteit van de Oekraïense onafhankelijkheid buiten West-Oekraïne aan. Het was de grootste demonstratie in Oekraïne aan het einde van het Sovjettijdperk.

De Oekraïense parlementsverkiezingen van maart 1990 waren de eerste relatief vrije verkiezingen in de Oekraïense SSR. Het Democratisch Blok (bestaande uit Roech, kleinere partijen en organisaties en onafhankelijke kandidaten), onder leiding van demonstrant Ihor Joechnovsky, behaalde 111 zetels, tegenover 331 voor de Communistische Partij van Oekraïne. De nieuwe Opperste Sovjet keurde in juli 1990 de Verklaring van Staatssoevereiniteit van Oekraïne (geschreven door Levko Loekjanenko) goed, waarmee de Oekraïense SSR zichzelf het recht toekende om een leger, een centrale bank en een eigen munteenheid in te stellen. In de verklaring werd bovendien het Oekraïense staatsburgerschap vastgelegd, werd bepaald dat de Oekraïense wetten bij geschillen voorrang zouden hebben boven de wetten van de centrale Sovjetregering, en werd de intentie uitgesproken om een neutrale en kernwapenvrije staat te worden.