Johann Philip Ermeling (Zelhem, 21 januari 1831 – Buitenzorg, 4 januari 1921) was een Nederlands generaal-majoor titulair der genie in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL). Hij was Ridder in de Militaire Willems-Orde en specialiseerde zich na zijn militaire loopbaan in artesische putboringen op Java. Ermeling woonde ruim zeventig jaar in de tropen en gold in technische en bouwkundige kringen in Nederlands-Indië als een gezaghebbend ingenieur.

Jeugd en achtergrond

Ermeling werd geboren in Zelhem als zoon van Wilhelm Philip Emilius Ermeling, een uit Detmold afkomstige paardenarts der eerste klasse bij de Lanciers, en Aleida Margaretha Grutterink. Zijn vader vestigde zich na zijn pensionering in 1840 als veearts in Zelhem en geldt als de eerste veearts van die plaats. Het gezin behoorde tot de welgestelde inwoners van Zelhem.

Militaire loopbaan

Op negentienjarige leeftijd vertrok Ermeling in 1850 als tweede luitenant der Genie naar Nederlands-Indië. Hij doorliep daar in 28 jaar dienst alle rangen tot chef van het wapen der Genie.

Expeditie tegen Boni

Ermeling nam deel aan de krijgsverrichtingen tegen het Boni-rijk op Celebes. Voor zijn aandeel daarin werd hij benoemd tot Ridder in de Militaire Willems-Orde, de hoogste Nederlandse dapperheidsonderscheiding voor "Moed, Beleid en Trouw".

Grondpeilwezen en putboringen

Het zwaartepunt van Ermelings technische werk lag bij het grondpeilwezen op Java. Tijdens een Europees verlof maakte hij een studiereis naar Algerije, waar hij zich verdiepte in artesische putboringen. Op grond van zijn waarnemingen ontwierp hij putboormaterieel voor Indië, dat in Europa volgens zijn aanwijzingen werd vervaardigd. In 1864 werd hij ter beschikking gesteld van de directeur der Genie voor de inontvangstneming en herkeuring van het uit Nederland aangevoerde materieel, en voor de voorstellen tot verdere inzet ervan bij diepe grondboringen in Indië.

In 1870 werd Ermeling, op zijn verzoek, van deze taak ontheven en keerde als majoor terug bij het wapen der Genie. In datzelfde jaar werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw voor zijn werk aan het grondpeilwezen.

Tweede Atjeh-expeditie

In 1874 werd Ermeling belast met de voorbereiding van de Tweede Atjehexpeditie. In die rol ontwierp hij vrijwel alle benodigde transportmiddelen en gebouwen voor de expeditie en leidde hij de uitvoering daarvan. Twee ontwerpen vielen daarbij op. Ten eerste de verplaatsbare bamboe- en houten barakken en vivresmagazijnen, die in de praktijk in Atjeh uitstekend bleken te voldoen. Ten tweede de ijzeren drijvervlotten voor het transport naar de kust, die ter vervanging dienden van de bij de eerste expeditie minder geschikt gebleken prauwvlotten. Deze drijvervlotten werden in het Indische leger naderhand een begrip.

Pensioen

In 1879 werd Ermeling op zijn verzoek wegens volbrachte diensttijd gepensioneerd, met de rang van generaal-majoor.

Civiele loopbaan

Putboring te Gresik en Soerabaja

In 1885 werd Ermeling geheel ter beschikking gesteld van de directeur der Burgerlijke Openbare Werken (B.O.W.) voor de artesische putboring te Gresik en de voorbereiding van een dergelijke putboring te Soerabaja. De boortechniek verkeerde in die jaren nog in haar kinderschoenen. Ermeling bracht belangrijke verbeteringen aan in het boormaterieel en in de werkwijze, en vond onder meer een vrije valbeitel uit. Een belangrijke technische prestatie was de boring te Gresik, die hij tot een diepte van 747 meter wist te brengen.

Billiton-Maatschappij

Vanaf 1879 trad Ermeling, naast zijn werk voor de B.O.W., op als vertegenwoordiger in Nederlands-Indië van de Billiton-Maatschappij. In januari 1901 werd zijn zeventigste verjaardag op het eiland Billiton luisterrijk gevierd, onder ruime deelneming van het Europese bestuur, de medewerkers van de Maatschappij en de Chinese mijnwerkers. In 1900 werd hij benoemd tot Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau. In 1902, op 71-jarige leeftijd, nam hij afscheid van Billiton.

Laatste jaren en overlijden

Ondanks toenemende doofheid en het verlies van een oog na een operatie op zijn 78ste, bleven Ermelings geestelijke vermogens en wilskracht tot het einde toe onverminderd. Hij overleed op 4 januari 1921 in Buitenzorg op Java, zeventien dagen voor zijn negentigste verjaardag. Hij had ruim zeventig jaar in de tropen gewoond.

Onderscheidingen

Ridder in de Militaire Willems-Orde (voor de expeditie tegen Boni) Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (1870) Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau (1900)

Categorie:Ridder in de Militaire Willems-Orde Categorie:Persoon in de Atjehoorlog Categorie:Nederlands ingenieur Categorie:Nederlands generaal-majoor Categorie:Militair in het KNIL