De diamant (ondertitel: Een voorbeeldige geschiedenis) is een roman van Harry Mulisch, in 1954 verschenen bij uitgeverij De Bezige Bij. Het is de tweede roman van Mulisch, na zijn debuut Archibald Strohalm uit 1952. Het boek volgt in vier hoofddelen de tocht van een wereldberoemde diamant door tweeëneenhalf millennium en vier continenten, vanaf zijn ontdekking aan de Ganges omstreeks 500 v.Chr. tot aan zijn ondergang in het Amsterdam van de twintigste eeuw. Mulisch typeerde het werk zelf later als een allegorische flauwiteit; de literatuurkritiek waardeert het echter als een vroege, geestige toepassing van een aantal van de mythologisch-historische thema's die zijn latere werk zouden bepalen.

Inhoud Compositie De diamant bestaat uit een proloog en vier hoofddelen, telkens vernoemd naar de rivier waarlangs de handeling zich ontvouwt: Proloog, waarin de verteller zich richt tot de lezer en de geschiedenis van diamantbewerking en het gevaar van diamanten introduceert; Aan de Ganges — Voor-Indië, omstreeks 500 v.Chr.; Aan de Tiber — Rome rond het begin van de jaartelling; Aan de Yang-tze — China en Tibet; Aan de Seine — uitmondend in Amsterdam in de twintigste eeuw.

In ieder van die vier zones krijgt de diamant een nieuwe eigenaar en een nieuwe naam, en laat hij een spoor van moord en doodslag achter zich.

Samenvatting Omstreeks 500 v.Chr. vindt aan de Ganges een eenvoudige diamantzoeker, Diptadharma, een reusachtige steen. Bij de aanbieding aan koning Asatya wordt hij gespiest. De koning kondigt aan dat hij voortaan de grootste diamant ter wereld bezit en laat allen die in de troonzaal aanwezig waren ombrengen om zijn alleenrecht te beschermen. Zijn opvolger Vishvadhatar laat de gevonden diamant tot Siddhartha slijpen en in het voorhoofd van een Boeddha-beeld plaatsen, waarmee hij tweehonderd jaar bloei voor het rijk Magala vestigt — een bloei die in de daaropvolgende generaties in verval omslaat.

Onder koning Shravayas wordt de diamant ontvreemd door Apavahin, die hem in handen speelt van zijn meesteres Amemti. Op de diamantbeurs van Alexandrië dreigt een verkoop te slagen, totdat de joodse handelaar Elihoref met een steen van vergelijkbare grootte de zaal binnenkomt: de Yahalom Noen of Visdiamant. Amemti raakt overstuur, valt, en de Siddhartha breekt in tweeën.

Het grotere fragment komt via de Indiër Anvaptas in handen van de Romeinse Jithream, die het in Rome laat slijpen. Daar veroorzaakt het bezit van de steen een slavenopstand. Het tweede fragment volgt zijn eigen koers naar China en Tibet, waar het opnieuw object van rituele en politieke macht wordt. In het slotdeel ten slotte komt de — sterk verkleinde — diamant terecht in het Amsterdam van de twintigste eeuw, waar hem een onverhoeds einde wordt bereid.

Thematiek Mulisch benut het rondzwervende voorwerp als allegorie voor de wisselende waarheden waarmee de mens zich omringt. De diamant en zijn telkens wisselende bezitters staan, in de woorden van een latere bespreker, symbool voor hoe nieuwe (religieuze) waarheden komen en gaan: ze brengen licht, maar hun aanwezigheid is tijdelijk, en de waarheid is pas zeker te kennen als zij voorbij is. Tegelijk is het verschijnen van de diamant op aarde tot in het merg verbonden met moord en doodslag — een motief dat aansluit bij de blijvende preoccupatie van Mulisch met geweld, macht en het kwade.

In vorm is De diamant nadrukkelijk een persiflage van de historische avonturenroman. Mulisch hanteert een opzettelijk hoogdravend, parodiërend register, met klassieke beeldspraak, onverwachte sprongen in tijd en perspectief, en eindeloze stoeten randpersonages.

Plaats in Mulisch' oeuvre Hoewel Mulisch zelf in zijn latere autobiografische werk Voer voor psychologen (1961) De diamant afdeed als een allegorische flauwiteit, wordt het boek in beschouwende literatuur over zijn oeuvre gerekend tot de vroege werken waarin Mulisch zijn mythisch-historische manier van vertellen beproeft. Volgens De Bezige Bij verenigt het psychologische scherpte, humor en poëzie in een verbluffende synthese. Het boek vormt een schakel tussen het hallucinatoire debuut Archibald Strohalm (1952) en de meer rijpe verkenning van de naoorlogse werkelijkheid in Het stenen bruidsbed (1959). Een uitvoerige analyse leverde Piet Meeuse in het tijdschrift Literatuur (1985), waarin hij De diamant herwaardeert als een sleutelroman in de wording van Mulisch' mythologisch wereldbeeld.

In 1994 werd De diamant samen met Archibald Strohalm en Het zwarte licht (1956) opgenomen in een verzameluitgave bij De Bezige Bij.

Drukgeschiedenis De eerste druk verscheen in 1954 bij De Bezige Bij in Amsterdam. Het boek is daarna meermalen herdrukt, onder andere in de verzamelband met Archibald Strohalm en Het zwarte licht uit 1994 en in verschillende afzonderlijke pocketuitgaven.

Literatuur Piet Meeuse, beschouwing over De diamant, in: Literatuur (1985). Harry Mulisch, Voer voor psychologen (Amsterdam 1961).

Externe links Titelbeschrijving De diamant op de DBNL

Categorie:Werk van Harry Mulisch Categorie:Roman uit 1954 Categorie:Nederlandstalige literatuur