thumb|Gerard Reve en zijn advocaat mr. H.R. Eyl arriveren voor het proces in Amsterdam (oktober 1966) Het Ezelproces of Ezelsproces was de strafzaak die tussen 1966 en 1968 in Nederland werd gevoerd tegen de schrijver Gerard Reve op grond van het destijds geldende verbod op smalende godslastering. Aanleiding waren twee tekstpassages waarin Reve een seksuele fantasie beschreef met God in de gedaante van een ezel. Het proces eindigde op 2 april 1968 met een arrest van de Hoge Raad dat de eerdere vrijspraak van het hof Amsterdam in stand liet. Het Ezelproces wordt beschouwd als een mijlpaalarrest in de Nederlandse rechtsgeschiedenis: het maakte van artikel 147 Wetboek van Strafrecht in de praktijk een dode letter. Het wetsartikel werd pas in 2014 formeel afgeschaft.
Achtergrond Het wetsartikel Artikel 147 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht stelde sinds 1932 smalende godslastering strafbaar, met als maximumstraf twee maanden gevangenisstraf of een geldboete. Het artikel was in 1932 op initiatief van de antirevolutionaire minister van Justitie Jan Donner ingevoerd, naar aanleiding van een artikel Weg met het kerstfeest dat A.J. Koejemans in december 1930 in het communistische blad De Tribune had gepubliceerd. Vóór het Ezelproces was het artikel vijfmaal toegepast, waarvan drie keer met succes. Een van die zaken betrof de Amsterdamse student politicologie Abram de Swaan, die op 11 juni 1965 door de Amsterdamse rechtbank tot een boete van honderd gulden werd veroordeeld wegens een satirische reportage over J. van Nazareth in het studentenblad Propria Cures.
De gewraakte passages Eind 1965 publiceerde Reve in het eerste nummer van Dialoog. Tijdschrift voor homofilie en maatschappij — een blad uitgegeven onder auspiciën van het COC, waarvan Reve redacteur was — het stuk Brief aan mijn bank. Daarin keerde God terug op aarde in de gedaante van een ezel, met wie de ik-figuur naar bed gaat. In 1966 verscheen bij uitgeverij Van Oorschot de bundel Nader tot U, waarin het verhaal Brief uit Het Huis, genaamd Het Gras was opgenomen met een vergelijkbare passage, ditmaal in de vorm van een fantasie waarin een ezel-God aanbelt.
De passage in Dialoog luidt onder meer:
Aanloop tot het proces C.N. van Dis, Tweede Kamerlid voor de SGP, stelde naar aanleiding van de passages Kamervragen aan de minister van Justitie en de minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, en pleitte voor strafvervolging op grond van artikel 147 Sr.
Reve drong daarop bij het Openbaar Ministerie erop aan zijn zaak vooral níét te seponeren. In een met vulpen geschreven brief aan de officier van justitie van 28 februari 1966, bewaard in het Literatuurmuseum, schreef Reve dat hij van tijd tot tijd, naar aanleiding van mijn werk, van godslastering beschuldigd werd en gerechtelijke duidelijkheid wenste. Op 20 juni 1966 werd Reve verhoord; op 20 oktober 1966 vond de zitting voor de rechtbank in Amsterdam plaats.
Procedures
Rechtbank Amsterdam Ter zitting van 20 oktober 1966 erkende Reve dat hij de gewraakte passages had gepubliceerd, maar bestreed dat hij zich smalend had uitgelaten. Hij verklaarde:
De officier van justitie, mr. J.J. Abspoel, eiste een geldboete van honderd gulden. Onder de door de verdediging aangevoerde deskundigen bevonden zich onder anderen prof. dr. J.G. Bomhoff (hoogleraar Algemene Literatuurwetenschap te Leiden), de hoogleraren Smelik en Grossouw, en de psychiater Margaretha Droogleever Fortuyn-Leemans, beter bekend als de dichteres M. Vasalis. Vasalis schreef in haar verklaring aan de rechtbank dat als uit Reves werk zou blijken dat seksualiteit voor hem iets abjects was en dieren minderwaardige schepsels, de passages inderdaad godslasterlijk zouden zijn — maar dat juist het tegendeel uit Reves werk bleek.
Het vonnis van 3 november 1966 luidde dat de uitlatingen weliswaar godslasterlijk waren, maar niet als smalend konden worden aangemerkt. De rechtbank ontsloeg Reve daarom van alle rechtsvervolging. Zowel Reve als de officier van justitie gingen tegen dit tweeslachtige vonnis in hoger beroep.
Gerechtshof Amsterdam In hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam op 17 oktober 1967 voerde Reve zelf zijn verdediging met zijn Pleitrede voor het hof, later opgenomen in de bundel Vier pleidooien (1971). Zijn centrale argument was dat het niet de taak van de rechter kon zijn om het ene godsbeeld tegen het andere te beschermen:
Het hof Amsterdam sprak Reve op 31 oktober 1967 vrij. Het achtte niet bewezen dat Reve zich in de betreffende passages opzettelijk smalend had uitgelaten of had bedoeld God te beschimpen of te honen dan wel op enigerlei wijze uiting te geven aan verachting van God. De advocaat-generaal tekende daarop cassatie aan bij de Hoge Raad.
Hoge Raad Op 2 april 1968 wees de Hoge Raad arrest (ECLI:NL:PHR:1968:AB3494) en verwierp het cassatieberoep. De Hoge Raad leidde uit de wetsgeschiedenis van artikel 147 Sr af dat het woord smalende inhield dat de verdachte de subjectieve bedoeling moest hebben gehad zich op een krenkende wijze over godsdienstige gevoelens uit te laten. Het hof Amsterdam was volgens de Hoge Raad uitgegaan van een juiste opvatting met betrekking tot de term smalende godslasteringen. Daarmee was Reve definitief vrijgesproken.
Publieke en literaire weerklank Het Ezelproces leidde tot brede maatschappelijke discussie. De schrijver Willem Frederik Hermans viel Reve aan onder het pseudoniem Anastase Prudhomme S.J. in Hollands Maandblad; het artikel werd later herdrukt in Het Parool.
Acht dagen na het arrest van de Hoge Raad, op 10 april 1968, verscheen bij De Arbeiderspers Jan Fekkes' documentaire boek De God van je tante, ofwel het Ezel-Proces van Gerard Kornelis van het Reve. Reves verdedigingen werden in 1971 gebundeld onder de titel Vier pleidooien (Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam).
In datzelfde jaar werd Reve de P.C. Hooft-prijs 1968 toegekend; de prijs werd uitgereikt door de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. De jury sprak van onovertroffen in onze letteren over Reves uitbeelding van eenzame, overgevoelige jongens.
Betekenis Het arrest van de Hoge Raad van 2 april 1968 wordt algemeen beschouwd als een mijlpaal in de Nederlandse rechtsgeschiedenis op het gebied van de vrijheid van meningsuiting. Door de strikt subjectieve uitleg van het begrip smalende werd het in de praktijk vrijwel onmogelijk om op grond van artikel 147 Sr nog tot een veroordeling te komen. Het artikel werd na 1968 niet meer met succes toegepast en werd in 2014, na een wetsvoorstel van Boris van der Ham (D66), Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) en Gerard Schouw (D66), formeel uit het Wetboek van Strafrecht geschrapt.
Het Ezelproces geldt ook als een lieu de mémoire van de jaren zestig in Nederland en als een keerpunt in de publieke aanvaarding van openlijk beleden homoseksualiteit en van de bekering van Reve tot het katholicisme in 1966.
In 2018, vijftig jaar na het arrest, brachten documentairemakers Erik Lieshout en Tom Rooduijn de televisiedocumentaire Het is gezien uit, waarin onder meer Hans Teeuwen, Tom Lanoye, Kristien Hemmerechts en advocaat Gerard Spong het belang van de uitspraak voor de vrijheid van de kunst bespraken. In maart 2023 publiceerde de Hoge Raad het oorspronkelijke arrest uit 1968 online via rechtspraak.nl.
Literatuur Jan Fekkes, De God van je tante, ofwel het Ezel-Proces van Gerard Kornelis van het Reve (De Arbeiderspers, Amsterdam 1968). Gerard Reve, Vier pleidooien (Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 1971). E.J. de Roo, Godslastering. Rechtsvergelijkende studie over blasfemie en andere religiedelicten (1970). David Bos, 'God en ezel: Jubileum van het Ezelsproces tegen Gerard Kornelis van het Reve', in: Theologisch Debat 3 (2006). Nop Maas, Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven (drie delen, Van Oorschot, Amsterdam 2009–2012).
Externe links Publicatie van het arrest van 2 april 1968 op de website van de Hoge Raad 'Reve wilde zelf zijn Ezelproces' op de website van het Literatuurmuseum
Categorie:Gerard Reve Categorie:Geschiedenis van Nederland in de 20e eeuw Categorie:Gebeurtenis in 1968 Categorie:Strafzaak in Nederland